Haar kleine oorlog

Soms helpt het om het voor de hand liggende op te tekenen uit andermans mond, het liefst dan eentje met prestige. Zo zei de Spaanse schrijver Jorge Semprún dat het probleem is dat je als mens tijd te kort komt om alles te zeggen.

‘Je komt tijd te kort omdat er altijd iets ongezegd zal blijven.’ Hij zei dit in gesprek met Wim Kayzer, tijdens diens vierdelige televisievertelling Nauwgezet en wanhopig, eind jaren tachtig, dat ging over het geheugen en de herinnering.

Niet dat ik die uitspraak van Semprún altijd maar in mijn geheugen mee ben blijven dragen; mijn oog valt erop, al bladerend in een naar oude boeken ruikend cahier. Ik kocht het typoscript van Kayzers televisieprogramma op de vrijdagse tweedehands-boekenmarkt op het Spui. Konrad, Márquez en Steiner figureren ook in dit verhaal.

In het leven van Semprún, die vierenhalf jaar geleden overleed, worden zo’n beetje alle turbulenties en verschrikkingen van de twintigste eeuw weerspiegeld. Zolang ik me in zijn ommegang verdiep, hoef ik het niet over mijn moeder te hebben naast wier bed ik zit in het ziekenhuis. Ik luister naar haar gekreun en gemompel, soms vang ik een woord op dat ik nog nooit uit haar mond heb gehoord.

Tijdens de Spaanse Burgeroorlog ontvluchtten Sempruns ouders met hun kinderen Spanje, eerst naar Frankrijk, later naar Den Haag; toen Franco eenmaal aan de macht kwam, vestigden ze zich als bannelingen in Parijs, waar Jorge filosofie ging studeren. Toen Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog werd bezet, sloot hij zich aan bij het communistische verzet. In 1943 werd hij opgepakt door de Gestapo, en na een week lang gemarteld te zijn werd hij gedeporteerd naar het concentratiekamp Buchenwald.

‘Ik verdraag niet dat iemand me in een zwembad voor de grap kopje onder duwt’, vertelt Semprún in het televisiegesprek.

Lang vergeten demonen maken hun opwachting aan mijn moeders bed. Haar handen zijn onophoudelijk haar laken en deken aan het gladstrijken. Gek word ik ervan. Ik probeer haar te laten merken dat ik er ben.

‘Laat je deken met rust mam, het ligt goed.’

Mijn zus, die vanochtend bij haar was, had het me al door de telefoon gevraagd: ‘Heeft mama zo’n rotjeugd gehad?’

Ik probeer haar zo strak mogelijk in te stoppen. Ik denk aan de keer dat we samen een reis maakten, en in een kingsize hotelbed sliepen. ’s Nachts probeerde ik ongerust haar ademhaling te horen, zo stil en roerloos lag ze. ’s Ochtends gingen we voor het ontbijt zwemmen in zee; vanuit het bed keek ik hoe ze haar badpak aantrok. Al die stadia van haar lichaam die ik heb gadegeslagen, niet vermoedende welke er nog zouden volgen.

‘Ik begon me pas de ­dingen te herinneren toen ik in staat was die herinneringen te ­verwerken’

Ik praat met steeds meer stemverheffing, merk ik. ‘Laat die dekens met rust!’

O god, mijn arme moeder. Ik zou er wat voor geven als ze nu haar spottende blik op me richtte. Zou zeggen: ‘Jij zou een goeie zijn voor de zorg.’

Maar ze is haar strijd aan het leveren.

‘Ik begon me pas de dingen te herinneren toen ik in staat was die herinneringen te verwerken’, zegt Semprún.

‘LAAT DIE DEKENS MET RUST MAM.’

Semprún formuleert tegen het einde van het gesprek zijn absolute morele waarden: handhaven van de vrijheid, ook om te doden; beschermen van de zwakke (‘het vernederen van de zwakke is absoluut ontoelaatbaar’, zegt hij een paar keer); respect voor het leven van een kind. Niet alleen zijn fysieke bestaan, maar zijn gevoelens, zijn opvoeding, alles wat een kind is, een complex, mysterieus wezen.

Ik herinner me mijn oma, en wat mijn moeder over haar vertelde. Iedereen zijn kampsyndroom. Een leven lang weggedrukt, en dan opeens, als je op je meest weerloos bent, slaat het geheugen toe.

Mijn zus was gaan huilen aan de telefoon: ‘Ik hoop zo dat vannacht papa haar komt halen.’

Al is hij al twintig jaar dood, nog steeds kunnen we elkaar ontheemd aankijken: waar is hij nu we hem zo nodig hebben? Ik durf het niet goed te opperen, maar ik denk eigenlijk dat hij haar al een tijdje geleden heeft gehaald. Maar misschien wil ik dat wel graag denken.