‘haar knie ontkomt haast weer’

Dirk van Bastelaere, Diep in Amerika. Gedichten 1989-1991. Uitgeverij Atlas, 52 blz., f19,90
LEZEND IN de eerder dit jaar verschenen dichtbundel Diep in Amerika van Dirk van Bastelaere, schoot mij ineens een brief van de dichter Charles Ducal te binnen, een brief die werd gepubliceerd in het tijdschrift Yang. Die brief was gericht aan Benno Barnard, die niet zonder leedvermaak wereldkundig had gemaakt dat De Arbeiderspers had geweigerd om deze bundel van Van Bastelaere te publiceren. Pornschlegel en andere gedichten, de bundel die Van Bastelaere in 1988 publiceerde en waarvoor hij de Hugues C. Pernath-prijs ontving, werd wel door De Arbeiderspers uitgegeven, misschien - zo denk ik dan meteen een beetje vilein - omdat Van Bastelaere’s in Vlaanderen uitgegeven debuut, Vijf jaar (1984), was bekroond met de prijs voor het beste debuut en het binnen korte tijd tot een tweede druk bracht. Het blijft handel, tenslotte. Maar misschien moet ik zo vilein niet worden en me concentreren op de reden van de afwijzing.

‘Onbegrijpelijkheid’ - daar ging het om, zo lees ik in de brief die Ducal schreef. Van Bastelaere’s nieuwe bundel zou volslagen onbegrijpelijk zijn. Een onbegrijpelijk criterium bij de beoordeling van poezie, zo schreef Ducal, en zelfs 'gevaarlijk’, 'omdat er een zekere conformeringsdwang lijkt vanuit te gaan’. En hij had gelijk, zo vond bij nader inzien misschien ook Barnard, die als poezieredacteur van uitgeverij Atlas Diep in Amerika uiteindelijk toch publiceerde. Dit nadat Van Bastelaere zelf met een selectie uit deze bundel in 1992 de wijk had genomen naar het bijzondere fonds van de Limburgse uitgever Jo Peters. Reis door het lichaam, zo heette die bij Herik verschenen selectie.
Misschien geeft die laatste titel wel aan waarom Van Bastelaere’s nieuwe poezie zo onbegrijpelijk werd gevonden. Wij naderen de wereld nu eenmaal met en uit het hoofd. Vandaaruit dringen zich ordenende principes op aan een volstrekt willekeurige en chaotische werkelijkheid, die onder invloed van die principes de schijn van overzichtelijkheid krijgt, een geordend geheel wordt dat we voor ware werkelijkheid houden. Dat die wereld enkel in ons hoofd zit, een 'fictie’ is, willen we vandaag de dag nog wel toegeven, graag zelfs (dit soort relativeren is beslist in de mode); zolang we het maar als een gedachte, een sententie desnoods, het liefst nog als een bon mot mogen blijven beschouwen. Zoals we natuurlijk ook wel weten dat ons lichaam een en al bloeden, borrelen, sissen en gisten is, maar de ervaring daarvan maar liever buiten de beleving van onszelf houden, en in ieder geval: buiten onze conversatie.
Zo niet Van Bastelaere. Het voor onze cultuur kenmerkende onderscheid tussen denken en doen, tussen ervaring en het verwoorden van die ervaring, lijkt in zijn poezie geen rol van betekenis te spelen. Het schrijven is geen beschrijven, het is zelf ervaring. Laat ik als voorbeeld het gedicht 'Reis door het lichaam’ citeren:
Het meisje en de reis door haar lichaam weten zich bij elkaar bekend door de zeedijk en de monotonie van het oorsuizen.
Kent het gerasp van sprinkhanen de manier waarop tegen elkaar aan worden gewreven de achterpoten? Hoort de vingerplant het gebrom van water in zijn pot? Ook dan is de reis voor het meisje een lichaam.
Straks verstrijkt, een wijzer op zoek naar een tragere wijzer, het meisje in een ander meisje, op het grasperk in zichzelf verdeeld. Van mijn verblijf is haar lichaam een nabeeld. Haar knie ontkomt haast weer.
DE VRAAG DIE HET eerst bij zo'n gedicht opkomt, is eigenlijk meteen ook de verkeerde vraag: wat je hiermee moet. En de reactie die het meest voor de hand ligt, is de voor het gedicht minst adequate: van de tekst zelf weglopen op zoek naar een hoger kader waarbinnen deze chaos weer een bedoeling krijgt in onze ordelijke wereld. Je zegt dan bijvoorbeeld dat deze tekst ontregelend wil zijn. Je schrijft de dichter een kritische bedoeling toe. En je lijkt in eerste instantie nog gelijk te krijgen ook. Van de dichter zelf.
Van Bastelaere heeft zich de afgelopen jaren niet onbetuigd gelaten als het ging om polemische uitspraken, om aanvallen op het officiele cultuurklimaat. En net als zoveel andere jonge dichters heeft ook Van Bastelaere meermalen de behoefte gevoeld om zijn poetica te formuleren. Daarbij viel dan vaak een hele boekenkast om. In zo'n poeticaal stuk van zijn hand kon men bijvoorbeeld lezen dat het gedicht voor hem vooral een 'beweging naar ontordening’ was.
Waarom het zo werkt weet ik niet, maar dit soort uitspraken wordt altijd opgevat als een intentieverklaring, als iets wat de dichter zou willen bereiken. Die Dirk, hij wil de orde omver werpen, zo hoor je dan. En als in zo'n poeticale beschouwing dan ook nog 'moeilijke’ theorieen van bijvoorbeeld Baudrillard of Lyotard of Barthes worden aangehaald, dan wordt een dichter er al heel snel van verdacht dat hij met zijn gedichten alleen maar die theorieen invult.
Die dichter zelf schrijft echter: 'Poeticale bespiegelingen zijn (…) altijd reflecties a posteriori.’ Ze zijn geschreven door de dichter die op dat moment niet dicht, maar denkt, weer aansluit bij het geldende discours, enerzijds om zichzelf daarbinnen te begrijpen, anderzijds om te laten zien dat dat discours voor hem niet geldt.
DAT IS DE PARADOX die ik ook als lezer ervaar. Al lezend ervaar ik het meisje: ik ervaar ruisen en suizen, gerasp en gebrom. Ik ervaar naar het eind van het gedicht toe steeds meer het verstrijken van de tijd in mijzelf, hoe het lichaam van het meisje dat mij hier al lezend deelachtig wordt, al bijna een nabeeld is: het gedicht dat hier staat en dat als ik het uit heb een herinnering wordt aan mijn verblijf als lezer in haar lichaam. En wat mij met onzegbare melancholie vervult: haar knie is mij ontkomen. Ik realiseer me dat ik, zolang ik lezende was, haar ben geweest. Maar ik kon haar niet blijven, zoals dat meisje zichzelf niet kon blijven: zij verstrijkt in een ander meisje en daarna in weer een ander en weer. Zij is immers niet dood; zij leeft en wie leeft verandert per seconde. Gelukkig heb ik dit gedicht. Ik kan de reis die zij is, de reis die haar lichaam is, nog een keer worden, en nog eens. Door het telkens opnieuw te lezen. Een intieme gebeurtenis. Maar telkens ook raak ik haar aan het eind weer kwijt. Haar knie ontkomt.
'Door sommigen wordt deze situatie herkend/ als een klassiek geval van melancholie,/ door anderen als een flits van wanorde die de wereld bepaalt’, zo heet het in een ander gedicht. Die flits van wanorde is het moment waarop je wordt wat je ziet en wordt wat je bent (lichaam, wording), het moment waarop je als denkende instantie bent opgeheven. Als op een schrikmoment: als je schrikt ben je op het schrikmoment even niets dan het schrikkende lichaam. Je 'ik’ is even afwezig. En: 'Omdat er afwezigheid/ is is// er poezie’, zo schrijft Van Bastelaere. Of elders: 'omdat zich in het doen reeds/ vergetelheid openvouwt’.
Misschien komt de beste karakterisering van deze poezie wel uit de mond van Mr Spock, een personage uit de tv-serie Starship Enterprise. Van Bastelaere nam diens 'It’s life, Jim, but not as we know it’ als motto op. Het leven kennen we alleen als de van ons eigen lichaam en van tijd en plaats losgemaakte abstracties. Van Bastelaere wil het leven in zijn concreetheid: als de onmogelijk te fixeren wording die we zijn, 'zoals van het bliksemen wij de bliksem losmaakten// zo kwamen van het lichaam de tekenen neer’. Een poezie van uit zichzelf en uit elkaar vertrekkende zinnen, die vaak onbegrijpelijk mooi is.