Haar naam was Kristina

Een van de grootste verrassingssuccessen van dit jaar was The Cuckoo’s Calling van Robert Galbraith. De naam bleek een pseudoniem van J.K. Rowling. Wat drijft schrijvers tot zo’n maskerade? Schaamte, commercie, of is er ook een artistieke reden?

Medium openeningdnd

Eerst een bekentenis: mijn eerste publicatie was niet in een literair tijdschrift, niet in een universiteitsblad, niet in een schoolkrant, maar in het blad Penthouse. Op mijn vijftiende stuurde ik een erotisch verhaal in voor de rubriek met zogenaamd waargebeurde avonturen. Ik ondertekende het, zoals iedereen daar deed, met een pseudoniem (‘de werkelijke naam is bij de redactie bekend’, verscheen eronder). Ik herinner me alleen de voornaam nog: Kristina.

Waarom nemen schrijvers en dichters een pseudoniem? Het gemakkelijke antwoord zou zijn: uit angst voor repercussies. In mijn geval: die van leraren, ouders, klasgenoten. Toch geloof ik dat het complexer is, dat het pseudoniem ook een behulpzaam vehikel kan zijn in artistieke zoektochten.

Kristina was een stoot, een stuk, een eersteklas slettebak. Ik kon me haar voorstellen en stelde me voor hoe anderen dat deden. Waanzinnig was dat. Toen haar verhaal in druk verscheen stelde ik me voor hoe vrouwen en meisjes zich er ontuchtig bij zouden beroeren. Want dat hoorde je toch altijd, dat zij ‘verhaaltjes’ nodig hadden waar wij, jongens, de voorkeur gaven aan beeldmateriaal?

Ik kreeg er honderd gulden voor. Mooi meegenomen, maar dat geld was maar een deel van de opwinding en de reden dat ik in totaal een stuk of tien van zulke verhalen heb geschreven, en er zo’n zes of zeven geplaatst kreeg. Steeds werd Kristina beter, heter, en vooral concreter, verscheen ze scherper op mijn netvlies.

Waarom kiezen schrijvers voor een pseudoniem? Ik heb het hier niet over Anna Enquist, Bernlef, Elsschot, Tomas Ross of Adriaan van Dis. Van hen weten we amper meer dat het pseudoniemen zijn en als ze ons hun paspoort zouden tonen, zouden we meewarig fronzen bij die vreemde namen naast die bekende foto’s: Christa Widlund, Hendrik Marsman, Alfonds de Ridder, Willem Pieter Hogendoorn en Adje Mulder. In deze gevallen lijken die echte namen juist bedrog.

Het gaat me hier niet om louter het aannemen van een andere naam. Het gaat me hier om het aannemen van een naam als masker, de gezichtsloze naam die in de verbeelding van anderen gaat leven, en schrijft wat je anders niet zou durven schrijven.

Al die kolkende, giftige, opgekropte gevoelens

Milan Kundera beschouwt zijn romanpersonages als ‘experimentele ego’s’, die grenzen voorbij kunnen gaan die voor hemzelf in het werkelijke leven te veel praktische consequenties zouden hebben. Niet gehinderd door welke moraal dan ook kan hij via hen de mogelijkheden van het bestaan verkennen. Kristina ging nog een stap verder, doordat ze zelf schreef, en in allerlei opzichten van mij verschilde.

Strikt genomen was ze een heteroniem, zoals Marek van der Jagt het heteroniem van Arnon Grunberg was. Wie goed had opgelet had misschien kunnen voorspellen dat Grunberg vroeg of laat een schuilnaam kon gaan nemen. Als jonge debutant schreef hij in 1995 al eens in NRC Handelsblad: ‘Wel verwacht men, denk ik, iets anders van de nieuwe roman van Harry Mulisch dan van het debuut van Johannes Fluitwater. Het is dan ook onbegrijpelijk dat niet meer schrijvers na verloop van tijd onder een andere naam gaan schrijven.’

Zoiets speelde bij J.K. Rowling, die dit jaar als Robert Galbraith een thriller schreef. Rowling deed een Johannes Fluitwatertje, volgens de verklaring op haar website: ‘Ik verlangde ernaar terug te keren naar het begin van een schrijverscarrière, om te kunnen werken zonder hypes of verwachtingen, en om onverbloemde kritiek te krijgen op mijn werk. Het was een geweldige ervaring, ik zou willen dat hij alleen wat langer had geduurd.’

Voor Grunberg was dit overigens één uit meer redenen. ‘Ik werkte op dat moment aan mijn roman Fantoompijn’, schrijft hij in 2002 in Sterker dan de waarheid: De geschiedenis van Marek van der Jagt, ‘en in veel opzichten bevond mijn leven zich in een crisis, financieel, emotioneel en seksueel. Dat verklaart een hoop, maar niet alles.’

Aanvankelijk begon de mystificatie als een financiële deal, waarbij hij een voorschot bij uitgeverij De Geus kon innen zonder officieel van uitgeverij te hoeven verwisselen. Maar als je het kleine oeuvre van Van der Jagt naast dat van Grunberg legt, valt op dat Van der Jagt inderdaad een stap verder is gegaan dan zijn bedenker. In De geschiedenis van mijn kaalheid (2000) vermoordt de hoofdpersoon zijn moeder, in Gstaad 95/98 (2002) likken personages elkaars urine op, doden ze een elfjarig meisje en houden ze zich in leven met diefstal en seksuele dienstverlening. Het boek is ‘een catalogus van noodzakelijke en minder noodzakelijke zonden’. Via het experimentele ego Van der Jagt verkende Grunberg een wereld zonder moraal, met grotere wreedheden en perversies dan in zijn eerdere boeken.

Juist die grovere aberraties zijn in de boeken ná Van der Jagt gemeengoed geworden, van De asielzoeker tot De man zonder ziekte. Het is alsof die latere Grunberg zich liet inspireren door Van der Jagt, en zodoende tot een synthese van de twee kon komen. In 2005 vertelde Arnon Grunberg in een interview met Trouw: ‘Dankzij Marek van der Jagt durfde ik verder te gaan dan ik als Arnon Grunberg had gedurfd.’

van de daken schreeuwen

Eigenlijk is het verbazingwekkend dat Van der Jagt, ondanks vermoedens, niet veel eerder is ontmaskerd. Op het omslag van diens debuut stond een foto van de jonge Fernando Pessoa, de directeur-grootaandeelhouder aller heteroniemen. En Marek? Er bestond maar één literaire Marek, en dat was Marek Hlasko, de Poolse schrijver die Grunberg al eerder als inspirator had genoemd.

Ook dit is een constante als het gaat om pseudo- en heteroniemen. Zoals de misdadiger die op de plaats delict min of meer onbewust sporen achterlaat die naar hem verwijzen, zo kan de mystificator het niet nalaten om kleine gaten in zijn masker te knippen, waardoor we hem kunnen herkennen. Of liever, waardoor we hem hádden kunnen herkennen. Het is net als met een goed geconstrueerde plot: achteraf zie je dat je het hád kunnen weten.

Dat gold voor mijn Kristina. Het gold ook voor Louis Paul Boon, die wat pulpromannetjes schreef als Bertha Peelman-Loth, waarmee hij zijn eigen initialen in spiegelbeeld handhaafde. Het gold ook voor Eefje Wijnberg, die in 1981 de schandaalroman Een meisjesleven publiceerde. De naam verwijst naar barones van Wijnbergen, de eerste vrouw van Multatuli. De foto achter op de eerste druk toont een mooie blondine, die wel eens in het gezelschap van de werkelijke auteur Geerten Meijsing werd gezien, Hetty van den Berg.

Waarom flirt de gemaskerde zo vaak met zijn ontmaskeraars? Zoals de misdadiger onbewust naar straf verlangt, zo verlangt degene die zich achter een pseudoniem verschuilt naar de ontmaskering. Freudiaans gezegd: hij wil de onbewuste driften van het id verzoenen met de sociale wereld van het superego. Alles wat we in het geniep uitspoken, moeten we vroeg of laat van daken schreeuwen, zegt Oscar Wilde. Zolang we niet zeker weten hoe ons geschreeuw valt bij de buitenwacht schreeuwen we liever met een masker op. Maar het uiteindelijke doel blijft: de totale integratie van die duistere, onbewuste kant met de bewuste, sociaal geaccepteerde variant van jezelf.

Kristina maakte mijn fantasieën salonfähig, of nou ja, ze werden ‘geaccepteerd’. Ze verschenen in druk en kregen het goedkeurende aureool van een wereld die ik toen nog voor glamourvol aanzag. Kristina effende waarschijnlijk het pad om later in romans gemakkelijker de seksuele grenzen te kunnen verkennen. >

Arnon Grunberg zei in het interview met Trouw uit 2005: ‘Marek zorgde toch voor een soort bevrijding.’ Via het experimentele ego, het heteroniem dat straffeloos de grenzen van de moraal mocht passeren, kon hij blijkbaar krachten ontketenen die voorheen minder ruimte kregen.

is bevrijdend

Wie twijfelt hoeveel behoefte daar aan is moet maar eens op internet kijken, op de nieuwsfora waar lezers anoniem of onder schuilnaam kunnen zeggen waar het op staat. Het pseudoniem is de buikspreker van de onderbuik, en hoe je ook kunt twijfelen aan de waarde hiervan als bijdrage aan het openbare debat, voor de schreeuwers zelf is het nut evident. Al die kolkende, giftige, opgekropte gevoelens, al die sociaal onwenselijke gedachten van de daken schreeuwen is bevrijdend.

Het pseudoniem is een strategie voor maatschappelijke acceptatie. Ooit gold dat bijvoorbeeld voor vrouwen in het algemeen als ze wilden schrijven. Met pseudoniemen als George Eliot, George Sand of Andreas Burnier conformeerden ze zich aan de mannelijke norm. Ironisch genoeg zie je in de thrillerlectuur momenteel exact het omgekeerde, en kiezen mannen voor een vrouwelijke nom de plume, zoals Paul Goeken, die als Suzanne Vermeer veel beter aansloot bij de commerciële norm, de trend van vrouwelijke thrillerschrijvers. Ook thrillerechtparen kiezen voor vrouwennamen: Karin Wahlberg, Nicci French. Maar daarmee zijn we al weer terug bij de commerciële pseudoniemen.

Voor de ‘experimentele ego’s’ die de duistere kant van het bestaan verkennen, reikt de vermomming veel verder. Hun sociaal onwenselijke en potentieel maatschappelijk abjecte verlangens en vondsten streven naar erkenning, maar mogen niet te veel praktische gevolgen hebben. Dus treden ze naar buiten in vermomming, in een spelsituatie, op een podium, in een alsof-wereld. Daar kun je bovendien de beperkingen van je publieke persoon van je afwerpen, ofwel door met een schone lei te beginnen (Johannes Fluitwater, Robert Galbraith), ofwel door in de luwte van de onbekendheid het eigen ik naar allerlei kanten op te rekken.

‘Wie of wat je bent is een veroordeling’, schreef Grunberg in Sterker dan de waarheid. En: ‘Als de omstandigheden ons niet dwingen iemand anders te worden, moeten wij dat misschien zelf doen.’

‘Ik heb meer dan één ziel/ Meer ikken dan ikzelf’, stelt Ricardo Reis, een van Pessoa’s heteroniemen. Met de bescheidenheid die zo kenmerkend is voor schrijvers vergeleek Pessoa zichzelf met Shakespeare. Die schiep Hamlet en Macbeth zoals Pessoa Ricardo Reis of Alberto Caeiro creëerde. Het enige verschil was dat Pessoa’s personages toevallig zelf ook schrijvers waren. Hij tekende zelfs horoscopen voor ze.

Dat heb ik voor Kristina nooit gedaan. Hoe zou het toch met haar zijn? Misschien moet ze eens iets van zich laten horen. De E.L. James in mij is veel te jong verstomd.

Beeld: Ramon dos Santos