Haar ouders fokken siereenden

Helena Hoogenkamp observeert met een scheve blik © Stephan Vanfleteren

‘Het werd zomer en ik knipte mijn broek af.’ Zo begint deze roman en ik zat direct in de wekstand. Het zit ’m in dat ‘en’ van deze zin, slechte schrijvers maken er ‘daarom’ van, ‘en daarom knipte ik mijn broek af’. De zin hangt dus net scheef, er is een verband zoek en daar moet literatuur het van hebben. Scheefpraat over de wereld, meer is literatuur niet, maar ook niet minder. En even verderop staat dit: ‘Juicy was van school gestuurd omdat ze steeds met een bloedneus in de klas zat.’ Wat een vreemde verbanden worden hier gelegd! Word je van school gestuurd omdat je een bloedneus hebt? Hier openen zich werelden van betekenissen, achtergronden en vermoedens. Helena Hoogenkamp grossiert erin, haar heldin Carla ondergaat de ene na de andere verschrikking maar ze gaat niet onder in zelfmedelijden, al scheelt het soms niet veel. Ze blijft kijken, luisteren, en de wereld bezien met zo’n mooi scheef puberoog en verderop in de roman, wanneer ze ouder is, met de verbazing van de wereldvreemdheid waaraan we uiteraard allemaal wel eens lijden.

Observeren met een scheve blik, dat is de kracht van deze stijl. Carla voelt zich bijvoorbeeld duidelijk verwaarloosd door haar vader, maar Hoogenkamp toont die verwaarlozing niet in hulpverlenersjargon, maar aldus: ‘“Heerlijk om hier zo met mijn volwassen dochter te zitten”, zegt papa, en begint te vertellen over de darmkanker van Martine en hoe moeilijk dat is voor Gert.’ Het zegt ook iets over mijn doortrapte geest dat ik om deze zin grinnikte. Hetzelfde overkwam me vaak genoeg bij meer van die nietszeggende zinnetjes, die zowel treurigheid als merkwaardige vrolijkheid bij me opwekten: ‘Op de eettafel ligt geen briefje, wel een pak ham.’ ‘Onder de kapstok zoent hij me.’ ‘Anita slaat ons gade en trekt aan haar sigaret.’

Ik begon de roman mooi te vinden om volstrekt verkeerde redenen

Als je er eenmaal op gaat letten barst deze roman van de vertwijfelde beschrijvingen die het scheve leven van het hoofdpersonage uiterst scherp en geestig belichten. Maar je moet het willen zien, anders zou je snel kunnen denken dat dit de zoveelste tranendalroman is, waar de laatste jaren de Nederlandse romankunst sterk in uitblinkt. Ook Hoogenkamps roman schuwt geen somberheid. Laat ik het even bij elkaar zetten: Carla leed vroeger aan anorexia, ze wordt sterk verwaarloosd door haar ouders en vrienden, door haar moeder mishandeld, een klasgenoot pleegt zelfmoord, ze ziet een gruwelijk ongeluk, haar moeder overlijdt aan kanker, ze krijgt op wel zeer pijnlijke wijze een spiraaltje ingezet, op advies nota bene van haar vader die arts is, ze doet aan zelfverminking, haar vriendje Louis verkracht haar min of meer en is een eikel, ze pleegt op haar veertiende abortus, jaren later zet haar vriendin haar naakt op straat. Genoeg voor een ware saga van verschrikkingen en meestal is zo’n roman voor mij na een bladzijde of tien wel genoeg.

Maar het eigenaardige is dat ik me langzamerhand steeds minder aantrok van al dat getob – wat veel over mij zegt – en steeds meer ging letten op die merkwaardige, precieze, ja, soms dartele zinnen van deze merkwaardige schrijver. Ik heb het idee dat ik de roman mooi begon te vinden om volstrekt verkeerde redenen. Ik zie Hoogenkamp voor me toen ze de roman schreef, hoe ze glimlachte om alle verschrikkingen en denken: nou vooruit, nog maar een schepje er bovenop, kan best. Ik hoop erop en ik zie haar ook voor me, terwijl ze aan al die kleine, leuke zinnetjes zit te werken, te schrappen, te peinzen en nog maar eens te verbeteren. Hoe maak ik van verschrikkingen een mooi boek? Dat is de vraag die ze zichzelf voortdurend stelde en het werd dit: observatie, precisie, zwijgzaamheid, niet te veel explicatie en zelfmedelijden, plus af en toe een lachbui.

De roman is scenisch van opzet. We maken Carla mee als veertienjarige puber, bij haar vriendje thuis, met vriendinnen tijdens dronkenschap, bij haar vader en moeder in de keuken en in bed. Op latere leeftijd is Carla kunstenaar, ze woont bij collega en vriendin Destiny, ze voert zelf geen klap uit. Ze ontmoet Louis weer en laat zich opnieuw door hem neuken. In een portiek nota bene, al kon je erop wachten. Nu ik dit opschrijf zit ik weer te glimlachen, ja, in een portiek, hoe banaal wil je het hebben, en de banaliteit krijgt een fraaie beschrijving, waar ik ook al weer om glimlachte. Met als klap op de vuurpijl deze werkelijk totaal hilarische uitsmijter: ‘“Stop maar”, zegt hij en wordt slap. “Je hebt overal snot.” Hij veegt mijn tranen af met zijn mouw. “Kut, ik ben dronken”, zegt hij. “Kut, ik heb een vriendin. Haar ouders fokken siereenden.”’ Haar ouders fokken siereenden! Het staat er zomaar. Dit is een schitterende geluksvorm van schrijven, en dan ook nog zo’n zin te durven laten staan. Helena Hoogenkamps schrijfkunst in optima forma.

Ze is op haar best wanneer ze zich in deze sterk associatieve schrijfacrobatiek laat gaan, dan levert ze fraaie, bizarre kunststukjes die haar werk ver uittillen boven het normale somberheidsgemompel. Het lukt niet steeds, hoe kan het ook, soms expliciteert ze toch nog, of komt ze met te veel tranen aanzetten en met begrippen uit het hulpverlenersjargon. Maar haar roman staat recht overeind en blijft al met al een formidabel schrijfgeluk uitstralen. Wie zei dat ook al weer, jaren geleden, maar dan anders, was het niet Clinton? Hij won de verkiezingen ermee: ‘It’s the style, stupid.’