Hella S. Haasse, Het dieptelood van de herinnering

Haasses honger

Hella S. Haasse Het dieptelood van de herinnering
Querido, 427 blz., € 16,95

Met deze legkaart heb ik mijzelf opnieuw bewezen dat schrijven en leven één zijn, schrijft Hella S. Haasse in Zelfportret als legkaart (1954). Dit bijzondere document werd onlangs heruitgegeven, tezamen met de autobiografische geschriften Persoonsbewijs (1967), Krassen op een rots (1970) en Een handvol achtergrond (1993), onder de titel Het dieptelood van de herinnering. Zo achter elkaar gezet winnen deze persoonlijke opstellen nog aan waarde: in alle omtrekkende bewegingen die observator en buitenstaander Haasse maakt, tekent zich des te sterker de kern van haar schrijverschap af, dat inderdaad als bij geen ander samenvalt met haar leven. «Schrijven is mijn leven», formuleerde ze het andermaal tijdens een interview ter gelegenheid van haar tachtigste verjaardag, al weer vijf jaar geleden.

Weinig vrouwelijke auteurs zullen haar dit kunnen nazeggen. Hella Haasse is een van de zeldzame vaderlandse schrijfsters, niet-solitair levend en niet-lesbisch, moeder bovendien, die zo’n schrijvend leven leidt, garant staat voor een nog immer groeiend oeuvre dat alom werd en wordt gewaardeerd, en dat laatste — heel uitzonderlijk — niet alleen door haar seksegenoten.
Zelf zal ze op deze uitzonderingsstatus nooit de nadruk leggen. Evenmin heeft ze zich ooit geroepen gevoeld zich uit te spreken over groeimogelijkheden van het vrouwelijk genie in een dominant mannelijke cultuur. De onderzoekende geest van Hella Haasse ontstijgt het man/vrouw-niveau en lijkt iedere mogelijke seksespecifieke beperking voorbij. Haar werk is nadrukkelijk niet-vrouwelijk in de traditionele zin des woords, dat wil zeggen niet-sentimenteel, niet-anekdotisch, niet-modieus en op een bepaalde manier zelfs niet-persoonlijk. Distantie en beheersing zijn de pijlers van Haasses schrijverschap. Eerder beziet ze de dingen beschouwend en wijsgerig dan dat ze intiem en klein vertelt.

Des te interessanter is en blijft haar Zelfportret als legkaart, dat bedrieglijk huislijk begint met trappelende kindervoetjes: «Zodra de dag aanbreekt, meestal nog vóór het ogenblik waarop wij vanzelf opduiken uit de slaap, komt de kleine cavalcade uit de kinderkamer aan iedere vorm van geleidelijk ontwaken bij voorbaat paal en perk stellen.» Er zou een speelse analyticus als emeritus hoogleraar Nederlandse taalkunde Frida Balk-Smit Duyzentkunst aan te pas moeten komen om deze van ambiguïteiten zwangere beginzin open te breken en hem ten volle te waarderen als vooraankondiging van dat wat komen gaat. Zinsconstructie en woordkeuze verraden immers al de sterk contemplatieve geest die, ook als ze haren kamt, jassen aantrekt en de afwas doet, op volle toeren draait: «De gedachte aan dat boek dat ik zou willen schrijven als ik kón, blijft mij bij tijdens het bedden opmaken.»
Op onnavolgbaar zen-achtige wijze beschrijft Hella Haasse hoe het creatieve brein zich staande houdt in de tredmolen van het gezinsleven, en uiteindelijk misschien zelfs garen spint bij de voortdurende herhaling — «tot aan de grens van het onverdraaglijke toe» — van altijd dezelfde handelingen, reacties en situaties. De jaren zeventig waarin het (vrouwelijk) narcisme in bekentenis literatuur hoogtij zal gaan vieren, zijn nog twintig jaren van hier verwijderd. In wonderlijk algemene bewoordingen, soms tegen het duistere aan, rept Haasse van de beginjaren van haar huwelijk zonder ook maar één keer de eerste persoon enkelvoud te gebruiken: «De eindeloze woestenijen waar men doorheen moet, de gevaarlijke zones van misverstand, zelfbedrog, verveling, onbevredigdzijn en twijfel. Het spiegelgevecht met de projecties van het eigen onbegrepen zelf, die we voor verschijningsvormen van de partner houden. Maar ook al het andere, waar geen woorden voor zijn, de momenten wanneer men niet meer spreekt, maar samen is. Ons lichaam is wijs, de waarheid die het leert des te verblindender naarmate die meer onverwacht komt.»

Verkent de schrijfster in dit zelfportret ook al de contouren van de roman en die van de historische roman in het bijzonder, in Persoonsbewijs gaat ze nader in op haar eigen werkwijze: «Ik blaas mijn innerlijke personages, de protagonist, de antagonist, en de ‹derde› in zijn vele verschijningsvormen, leven in, mijn adem, en laat hen gaan.» Ook geeft ze een verklaring voor het feit dat haar protagonisten over het algemeen mannen zijn, zij het nogal onbevredigende: «In de symbolentaal van de verbeelding neemt de individuele bewustwording eerder de gestalte aan van een mannelijke dan een vrouwelijke persoonlijkheid.» Het gevolg is dat haar vrouwelijke personages gestalte krijgen in relatie tot hun omgeving, terwijl de mannen autonome karakters zijn.
Inderdaad kiest Hella Haasse in haar werk meestal een kalm, mannelijk vertelperspectief. Vooral in haar Indische romans zijn meisjes en vrouwen slachtoffers van hun lot. Inlandse vrouwen zijn vroeg verwelkt in hun armoedige, arbeidzame en kinderrijke leven. Nederlandse vrouwen lijden aan hoofdpijn, hysterische toevallen en ongelukkige huwelijken. Weliswaar geeft de schrijfster in onder meer haar geschiedverhalen over Charlotte Sophie Bentinck en in verscheidene essays blijk van betrokkenheid bij dwarse vrouwen met escapistische neigingen, die fascinatie is steevast vermengd met afkeer. Het zij zo: «Het deel van mijzelf dat wil onderzoeken, met de rede leven, en dat dus ook — ter compensatie — geneigd is tot romantiek, verschijnt in mijn werk in de gedaante van mannelijke ik-figuren.»

Zowel in Krassen op een rots als in Een handvol achtergrond confronteert de op Java geboren schrijfster haar jeugdherinneringen met het Indonesië dat ze aantreft tijdens latere reizen naar haar land van herkomst. Deze reisverslagen zijn nogal tijdgebonden en langdradig; het is jammer dat in plaats van deze twee boeken niet het later geschreven Zwanen schieten (1997) is opgenomen. Dit document vormt in zijn originele constructie, persoonlijke toon en onverwachte inzichtelijkheid de gedroomde evenknie van Zelf portret als legkaart. En ook hieruit zou voldoende duidelijk worden dat in de geheimzinnige natuur van Java de kiem ligt van Haasses honger. Het ondoordringbare landschap versterkte haar aangeboren aanleg tot waarnemen. «Ik kan de werkelijkheid alleen in me opnemen door er van een afstand naar te kijken», schrijft ze in Een handvol achtergrond. «Ik kan haar alleen weergeven, indien — en misschien juist doordat — ik er nooit dichterbij kan komen. Met Indië, Java, kon ik per definitie nooit echt één worden, maar ik kon het benaderen door waarneming.»

Die niet-aflatende waarnemingslust, gevoed door een sterk zintuiglijk verstand en een tegen-beter-weten-in verlangen naar éénwording bepalen Haasses schrijverschap. Haar egodocumenten laten zich lezen en herlezen, omdat de volle betekenis zich niet altijd onmiddellijk openbaart. Juist in haar afstandelijkheid toont de schrijfster zich voor de aandachtige lezer ontroerend openhartig. Zoals Haasse zelf op een van de laatste bladzijden met de haar typerende kalmte opmerkt: «Ervaring heeft me geleerd dat wat aanvankelijk duister lijkt, mettertijd gewoonlijk doorzichtig wordt voor een ontvankelijke en geduldige geest.»