Ger Groot

Haat

Sinds vijf jaar weten de Verenigde Staten zich het object van een bijna wereldwijde haat, die van presidentiële zijde gewoonlijk wordt verkaard vanuit een afkeer van vrijheid en democratie, alomtegenwoordig in het onverlichte deel der mensheid. Geheel onzinnig is die vaststelling niet, maar veel betekenis heeft ze evenmin zolang niet nader is uitgewerkt wat een dergelijke angst voor de vrijheid betekent. Natuurlijk kan deze immers nauwelijks worden genoemd. Ieder mens verlangt naar vrijheid en culturen of regimes die deze fnuiken, móeten dan ook wel deel uitmaken van een even inktzwart als onnatuurlijk Rijk van het Kwaad.

Daarmee schept deze retoriek vanzelf zijn eigen manicheïsme, dat weinig ruimte laat voor het morele schemergebied waarin het grootste deel van de werkelijkheid zich helaas bevindt. In politiek opzicht ontneemt het zich tegelijk iedere manoeuvreerruimte, waarmee dat – officieel niet-bestaande – tussengebied pas werkelijk een gevarenzone wordt. Het is dan ook niet zonder betekenis dat de VS hun oorlogen altijd buiten het eigen grondgebied hebben mogen voeren. De verwarring van de strijd kon zo in zekere zin buiten de deur worden gehouden en daarmee bleef in zowel ethisch als ruimtelijk opzicht de scheidslijn in stand tussen het kwade dat moest worden bestreden en het goede, dat kon worden geïdentificeerd met het moederland. De religieus geïnspireerde roeping van het Amerikaanse volk tot het beste in de wereld bleef daarmee immuun voor de verwarringen en zondigheid van een ‘vervallen’ aardsheid aan gene zijde van de staatsgrens.

Notoire uitzonderingen zijn uiteraard de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog en de Burgeroorlog, waarvan vooral de laatste het land beschadigde. Die wond is nog altijd niet geheeld, maar merkwaardig genoeg doet die broedertwist geen afbreuk aan de droom van nationale zuiverheid. Veeleer onderstreept hij de ernst ervan, als een noodzakelijke fase in het uitzieken van het binnenlandse kwaad, dat dan ook een heel andere heilsbetekenis heeft dan de sinistere negativiteit van de wereld buitengaats. In diezelfde heilshistorie staat ook de Onafhankelijkheidsoorlog, die als opstand tegen de wettige overheid ophield een politieke gruwel te zijn zodra het gezag van de Engelse kroon zichzelf had gediskwalificeerd.

Binnen deze morele én ruimtelijke geografie van het – dominante – Amerikaanse bewustzijn kunnen de haat en zelfs de reserve die een groot deel van de rest van de wereld jegens de VS koestert slechts begrepen worden als afkeer van de centrale waarden van het land: vrijheid, individualisme, democratie. Zoals de absurditeit van die veronderstelling al aantoont, komt dit begrip echter neer op een demoniserend teken van _on_begrip, gedekt door het theologische leerstuk dat het Kwaad zich nu eenmaal bij voorbaat aan ieder verstand onttrekt.

In enkele gevallen (vooral die waar het regimes betreft) zal die veronderstelling inderdaad opgaan. Voor het sceptische maar wel degelijk vrijheidslievende individu is ze, waar ter wereld ook, vrijwel steeds onjuist. Slechts voor een enkeling zijn de VS werkelijk de Grote Satan die sommige ayatollahs ervan maken willen. Veelal zijn de gevoelens, in wisselende samenstelling, gemengd tussen waardering en ergernis. Over de wel- en wandaden van de VS in de wereld kan men twisten, maar dat hun zegen gemengd is geldt mondiaal als een vanzelfsprekendheid.

Ironisch genoeg wordt de ergernis van de wereld vooral opgeroepen door de morele kernovertuiging van de VS zelf. De ostentatief uitgedragen zekerheid in de waarheid te verkeren, draagt meer dan welke betwistbare handeling ook bij aan de reserve van Europa en de ‘haat’ van andere werelddelen. Meer dan een natie die het kwade belichaamt geldt deze een land dat zich zo onverstoorbaar koestert in de eigen goedheid. Concrete grieven doen er daarbij minder toe dan de wetenschap dat men tegenover deze onverwoestbare schöne Seele hoe dan ook praat tegen dovemansoren – die er niet subtieler op worden wanneer deze of gene (binnen dan wel buiten de VS) het land van de weeromstuit verantwoordelijk stelt voor alle kwaad ter wereld.

De wortel van dit conflict ligt dan ook niet in enige Amerikaanse kwaadaardigheid. Het is juist de oprechte wil tot het goede die de geesten scheidt en tegelijk iedere gedachtewisseling fnuikt. Getergd wordt de wereld door een rücksichtslose morele oprechtheid, die bij voorbaat onkwetsbaar is voor iedere aantijging – op dezelfde wijze als waarop in Europa decennialang de progressiviteit zich bij voorbaat gerechtvaardigd wist. Hun kracht ontlenen beide aan dit ‘weten’, dat zichzelf maar niet als een overtuiging kan zien, en daarom datgene waarvan het de dienaar zegt te zijn in de ogen van ieder ander doet omslaan in een letterlijk ‘absolute’ arrogantie.

In dit onbegrip ligt de stof klaar voor een bijna klassieke tragedie, die zich – in wisselende mate van gewelddadigheid – tussen de VS en de rest van de wereld zou kunnen ontvouwen. Wanneer het Goede ten grondslag ligt aan de haat tekent zich de morele én geografische catastrofe al in de verte af. Wanneer beide kampen elkaars oprechtheid principieel niet meer kunnen waarnemen, is de ramkoers slechts te vermijden dankzij een eindeloos geduld – door de wederzijdse ergernis voortdurend op de proef gesteld en op zijn beurt hoogstwaarschijnlijk onbegrepen.