Haat

Amerika is geschokt door de aanslag op de Democratische afgevaardigde Gabrielle Giffords. Alle partijen zijn het erover eens: het is de hoogste tijd voor een grondig nationaal zelfonderzoek. ‘De gebeurtenis vestigt de aandacht op de opruiende taal en de impliciete aansporingen tot het gebruik van geweld die een aanhoudende onderstroom in de Amerikaanse politiek zijn geworden’, schrijft The New York Times. Ook dáár, ben je geneigd te denken. Hier weten we er langzamerhand ook raad mee. Met Volkert van der G. en Mohammed B. hebben we een aardige poging gedaan om onze eigen traditie te vestigen. Maar Amerika is anders. Sinds Abraham Lincoln zijn er nog drie presidenten vermoord. Een Amerikaanse politicus loopt meer levensgevaar dan een Europese. Door dat vast te stellen maak ik me niet aan anti-Amerikanisme schuldig. Het is een ervaringsfeit, bevestigd door de dood van Martin Luther King en Robert Kennedy, bijvoorbeeld.
Er zijn bijna honderd miljoen handvuurwapens in particulier bezit. De kans dat een zelfstandige krankzinnige zich gewapend in het openbare leven mengt, is dus navenant. Dat wordt door de Amerikaanse geschiedenis bewezen.
De slachtoffers zijn niet alleen leidende politici. In 1993 verschanste de zevendedagsadventist David Koresh zich in zijn fortificatie in Waco, Texas. Het beleg en de verovering kostte 78 mensen het leven. In april 1995 werd in Oklahoma City het staatskantoor opgeblazen door Timothy McVeigh, een jongeman die sympathiseerde met de Ku Klux Klan, tegen de tirannieke regering en belastingen was en een voorstander van particulier wapenbezit. Bij die aanslag vielen 168 doden. Intussen had de tot kluizenaar geworden geleerde Theodore Kaczynski zich als de Unabomber berucht gemaakt door het sturen van bombrieven. Hij verzette zich tegen de geïndustrialiseerde maatschappij. Een van zijn verminkte slachtoffers, David Gelernter, heeft er een prachtig boek over geschreven, Drawing Life. In 1999 was de schietpartij op de Columbine Highschool, aangericht door een leerling. Twee doden, twaalf zwaargewonden. Verder danken we er de film van Michael Moore, Bowling for Columbine met het onthullende interview met Charlton Heston, de voorzitter van de National Rifle Association aan.
Ervaringsmateriaal genoeg, zou je zeggen, om het in de politiek wat kalmer aan te doen. Maar sinds Barack Obama zich kandidaat voor het presidentschap stelde, is het tegendeel het geval. Al in de vorige verkiezingsstrijd werd de toon gezet door de rechtse Republikeinen. Obama was een geheime moslim, bevriend met terroristen, wilde van Amerika een socialistische staat maken, enzovoort. Destijds is het breed uitgemeten, maar het heeft niet geholpen. In plaats daarvan hebben we de Tea Party en Sarah Palin gekregen. Mevrouw zelf, ook naar Amerikaanse maatstaven nog een curieus verschijnsel, had op haar website politieke tegenstanders met de gekruiste haarlijnen van een schietschijf aangegeven. Die heeft ze intussen verwijderd.
Ik heb al eens voorgesteld dat een Nederlands televisieprogramma een documentaire zal maken uit het propagandistisch oeuvre dat deze mogelijke presidentskandidaat en haar geestverwanten de afgelopen twee jaar voor hun rekening hebben genomen. Haar deze week beëindigde televisieserie over Alaska is nauwkeurig gevolgd door Arie Elshout in de Volkskrant. Een goed begin. Rush Limbaugh, de radiospreker, en Glenn Beck van Fox News televisie horen er ook bij. En een bloemlezing uit de columns in de New York Post, het ochtendblad dat net als Fox News tot NewsCorp hoort, het mediabedrijf van Rupert Murdoch. Zo'n documentaire zou een verhelderende kijk op de Amerikaanse binnenlandse politiek geven.
Haat is een bestanddeel van de politiek, overal, en dat is altijd zo geweest. In zijn essay La Trahison des Clercs (1927) stelt Julien Benda de goedkope massakrant verantwoordelijk voor de aanwakkering van de haat die oorlog tot gevolg heeft. Dat is in de periode waarin het bedrukt papier nog oppermachtig is en de radio in opkomst. Driekwart eeuw later is het westerse publiek dag in dag uit blootgesteld aan een trommelvuur via internet, televisie, radio en de gedrukte media doen ook nog mee. Het grootste bestanddeel is geladen met haat en bevat een meer of minder verborgen oproep tot actie. En internet stelt de gebruiker in staat erop los te bloggen en zodoende zelf de storm van haat aan te wakkeren.
Gelukkig hebben verreweg de meesten nog voldoende gezond verstand om het daarbij te laten. Maar de drempel tussen woord en daad wordt lager. En dan verschijnt, zoals de geschiedenis bewijst, de halvegare die zich gelegitimeerd voelt om tot actie over te gaan. De 22-jarige Jared Lee Loughner wilde soldaat worden maar werd geweigerd wegens drugsgebruik. Hij had Mein Kampf en Das Kapital in zijn boekenkastje staan en in Tucson had hij, niet gehinderd door enige wettelijke bepaling, zijn automatische moordwapen kunnen kopen. Hij schiet raak, en daarna is de hele natie geschokt en in de rouw. Dat is geen remedie. Goed beschouwd is het een wonder dat er niet veel meer aanslagen zijn.