‘haat haat haat haat haat’

De ontwikkeling van een mens is als de ontwikkeling van een taal, wil ik maar beweren.

Mijn dochter van dertien ontwikkelt nu een eigen spraak met eigen codes. Aan de telefoon met een vriendin. Ik noteer snel, want het valt niet meer te begrijpen.
‘Haat… hij haat je… gruwel, gruwel… Ooow. Doe normaal!’
Vooral dat 'oooow’ klikt ongelooflijk geirriteerd. Zal wel over een leraar of een jongen gaan. Ik wou dat mijn dochter ook zo tegen mij sprak, en dat ik het net zo zou kunnen beantwoorden. Maar nee, ik moet steeds corrigeren.
'Help nou even mee afwassen.’
'Oooow! Ik haat je.’
En dan ga ik uitleggen dat ze zo'n woord als haat niet zo lichtvaardig moet gebruiken, waardoor haar irritatie toeneemt. Want ik zat weer in een zin bij de oorlog, waar ze helemaal niets van begrijpt.
Soms praat ze met een vriendin door de telefoon en begint ze een zin met wel acht keer 'haat’.
'Haat haat haat haat haat haat haat haat!’
'Wat haat je?’ vraag ik later.
'Oooooww. Niks, we hebben morgen niet de eerste twee uur vrij.’
Even later gaan we naar mijn moeder en ben ik het object van mijn moeders irritatie.
'Hoe gaat het met je?’
'Goed mam.’
'Ik zie dat het niet goed gaat.’
'Jawel, het gaat goed.’
'Nee, het gaat niet goed… Vertel nou!’ ('Vertel nou’ klinkt als het 'oooow’ van mijn dochter.)
'Ik heb niks te vertellen.’
Even later gaat de telefoon bij mijn moeder en zegt ze tegen haar vriendin. 'Nee, iets te hoog… Ja, die van de vorige keer die Andrea ook heeft… Nee over veertien dagen.’
'Waar ging dat over?’ vraag ik.
'O niks. Gewoon. Ik ben naar de hartspecialist geweest.’
'Godverdomme, waarom vertel je dat niet!? Wat zei-ie?’
'Niks… Niks bijzonders. Alles is goed.’
'Alles is goed? Ja ja… wat is er dan te hoog?’
'Bloeddruk… en ik heb een te hoog cholestorolgehalte… Verder niks… Jij zegt ook niks!’
'Ik heb niks. Jij wel. Wat zei die specialist nog meer.’
'Niks, alles is goed. Ik moet alleen wat bloeddrukverlagende pillen slikken. Net als Andrea van de overkant.’
Elke tijd kent andere waarden toe aan dezelfde woorden. Bij mijn moeder verandert het begrip angst. Angst gaat steeds minder om haar zelf en steeds meer om een ander. Ik merk dat ook met mijn dochter. Zij is bang voor een proefwerk. Ik ben bang voor haar in het verkeer.
'Wat zijn je grote angsten?’ vroeg mijn vriendin me laatst.
'Dat ik sterf’, zei ik, maar ik hernam het meteen - het was een oud antwoord van vroeger. En ik zei: 'Mijn grootste angst is dat M. iets overkomt.’
'En daarna?’
Ik wilde er niet aan denken en het eigenlijk niet uitspreken. Maar ik besefte dat alles waar ik vroeger bang voor was, veranderd is - de angst is niet minder geworden, hij is anders.
De schrijver Jo Otten schreef een boek dat ik nooit heb gelezen, maar waarvan ik de titel graag zou hebben bedacht: Angst, dierbare vijandin. Otten stierf in de oorlog. Bij een bombardement op Den Haag schuilde hij in een portiek. De bom trof precies dat huis.
Daar ben ik niet meer bang voor - daar zou ik nu het woord 'zegen’ voor gebruiken.