Film

Haat in de ogen van de Duke

Film: The Searchers

In zijn essaybundel The Disappointment Artist (2005) neemt de New Yorkse schrijver Jonathan Lethem de onbenijdenswaardige taak op zich John Fords beroemde western The Searchers (1956) tegenover zijn hippe vrienden te verdedigen. Een van hen, ene D., reageert typisch door te zeggen: «Maar het is een Hollywood-western uit de jaren vijftig, Jonathan!» Voor D. is de druppel die de emmer doet overlopen het feit dat John Wayne, de rechtse icoon bij uitstek, ook nog de hoofdrol vertolkt, en dat in een verhaal waarin de «held» op zoek gaat naar een wit meisje dat door de Comanche werd ontvoerd. Zijn doel: haar vermoorden. Voor Wayne, die de rol speelt van de Confederatie-soldaat Ethan Edwards, mag het meisje, zijn nichtje, niet blijven leven, want door haar tijd tussen de indianen is zij «besmet» geraakt. Ze is niet meer wit en daarom verdient ze het niet meer te leven. Inderdaad, hoe verdedig je The Searchers? Het is de moeite waard om Lethems conclusie, zijn antwoord op die vraag, volledig te citeren: «Ik zie de film, of niet. Het maakt niet uit, want The Searchers gaat toch door, woest, door gebroken landschappen heen die geen grenzen kunnen opleggen aan Fords oeuvre, Wayne’s oeuvre en mijn eigen, verslagen verbeelding. En overal schudt het werk categorieën van zich af, weigert het toe te geven aan beschuldigingen van schaamte en smaak en tart het analyses en verdediging net als alle grote kunst of alle grote objecten van afschuw.»

The Searchers is grote kunst. Waar kijkers als Lethem mee worstelen, zit ’m in het ogenschijnlijke contrast tussen de lyrische schoonheid van de vorm en de onthutsende, angstwekkende schoonheid van de inhoud. Het is een film over racisme en tribalisme, en het confronterende is dat de figuur in de film waarmee de kijker zich instinctief vereenzelvigt – de grote Duke – een van de grootste racisten is die de filmkunst ooit heeft voortgebracht.

Dat blijkt uit een beroemde scène die regisseur Martin Scorsese analyseert op de nieuwe, gerestaureerde dvd-versie van The Searchers. Scorsese, die het werk «een van de mooiste films ooit» noemt wegens het door Ford gebruikte Vistavision-camerasysteem, wijst erop dat er weinig close-ups in The Searchers voorkomen. Toch is er één in de scène waarin Ford en zijn kompaan, de «halfbloed» Marty (Jeffrey Hunter), vrouwen en kinderen opsporen die door de Comanche werden ontvoerd. De vrouwen lachen hysterisch, waanzinnig, alsof ze ontmenselijkt zijn door hun beproeving. Op hun gezichten prijken de verfdecoraties van de Comanche. Dan, Wayne: de camera zoomt in op zijn gezicht en beweegt tegelijkertijd naar hem toe, totdat zijn close-up confronterend is. Zijn ogen: haat, verbijstering, pijn, verdriet, en allemaal zó overtuigend dat Wayne dit onmogelijk kon hebben gespeeld.

Maar dan, aan het einde van de film, de scène waarin hij Debbie, zijn nichtje en het object van zijn haat, eindelijk vindt. In de woestijn rent hij achter haar aan, pakt haar en houdt haar tegen de achtergrond van de zon omhoog. Hij zegt: «Let’s go home, Debbie.» Voor John Milius, nog een regisseur die op de nieuwe dvd meedoet aan de analyse van The Searchers, is dat moment inspirerend. Milius: «Het punt is dat Wayne haar niet vermoordt, maar terugbrengt, zodat de kijker het gevoel krijgt dat het allemaal iets betekent, dat het leven toch een doel heeft.»

Is dat dan de beste verdediging van The Searchers? Dat de film een waarheid bevat, namelijk dat de mens ondanks zijn slechte natuur ergens diep in zijn binnenste de mogelijkheid bezit «goed» te zijn? Dat is een mogelijkheid, maar dat verklaart niet de haat in de ogen van de Duke in de scène met de waanzinnige, witte vrouwen. Nee, toch Lethem: The Searchers tart analyse en verdediging.

The Searchers is overal op dvd verkrijgbaar in een speciale uitvoering