Voorbij het eigen gelijk #6: Geert Kruit

‘Haat maakt je kapot. Vergeef toch’

Samen met 104 andere leerlingen en vijf leraren werd Geert Kruit in 1977 gegijzeld in zijn school in Bovensmilde. Hij vergeeft de Molukse gijzelnemers als ze hun fouten inzien. ‘Weet je wat vrijheid is? In het voorjaar kunnen genieten van de bomen die uitlopen.’

Medium mvdggroenemolukken1347
Geert Kruit bij het monument dat er kwam op initiatief van de lotgenotengroep van ex-gegijzelden

Geert Kruit weet nog hoe hij als negenjarige scholier een pistool op zich gericht kreeg. Het was in mei 1977, toen hij samen met 104 andere leerlingen en vijf leraren werd gegijzeld in zijn school in het Drentse dorp Bovensmilde. Hij ging naar het toilet, wat op zichzelf al een bezoeking was. Dan moest je het overblijflokaal verlaten, waar ze met z’n allen opgesloten zaten. Daarna moest je door de gang lopen, waar geen leraren waren die je beschermden, alleen bewapende Molukse gijzelnemers.

Als je dus nodig moest, hield je het liever nog even op. Maar nu lukte het niet langer. Hij overwon zichzelf en liep het overblijflokaal uit. Daar waren ze, de Molukse mannen. Ze deden lacherig en speelden met hun pistolen. Terwijl hij langs hen liep, richtte een van hen zijn wapen op hem en haalde de trekker over. Páf… Ongeladen pistool. Daarna haalde de andere Molukker hetzelfde grapje uit. Béng… Toen mocht hij doorlopen.

Vele jaren later zou Kruit het voorval bespreken met een van zijn bedreigers van destijds, Tom Polnaija. Want dat is nog het meest bijzondere aan Kruits verhaal: hij en Polnaija zijn bevriend geraakt. Al jaren geven ze samen lezingen en het eerste optreden voor 2019 is al weer geboekt. En Kruit heeft veel meer Molukkers de hand geschud die meededen aan de terroristische acties die Nederland tussen 1970 en ’78 teisterden. ‘Ik heb zelfs gesproken met Molukkers die doden op hun naam hebben’, zegt hij.

Met degenen die de gewelddadigheden van destijds nog steeds goedpraten, wil hij geen verder contact. Alle anderen kunnen rekenen op zijn mededogen. ‘Weet je dat iemand als Tom ook een slachtoffer is? Ik zie Molukkers als lotgenoten.’ Hij beseft dat hij moet uitkijken met deze woorden, omdat zijn échte lotgenoten er beslist anders over denken. ‘De meesten verklaren mij voor gek. Maar ik merk dat ik er meer aan heb met de jongens in contact te staan dan dat ik tegen ze aan schop.’

De jongens – zo noemt hij de terroristen van destijds. Zijn opvatting: ‘Als ze rekenschap moeten afleggen, doen ze dat maar op hun sterfbed.’

Hoe komt een mens tot deze houding? Het is niet zo dat de gijzeling ongemerkt aan hem voorbij is gegaan. ‘Op mijn twaalfde was ik al zwaar overspannen’, zegt Geert Kruit (50). Later werd bij hem het posttraumatisch stress syndroom (ptss) vastgesteld, dat resulteerde in suikerziekte en polyneuropathie, waardoor zijn zenuwen voortdurend pijn doen. Hij is arbeidsongeschikt verklaard en is huisman, zijn vrouw werkt. ‘Maar ik blijf lachen’, zegt hij.

Ik bezoek hem in zijn nieuwbouwhuis in Bovensmilde, een straat verwijderd van de plek waar het drama van zijn jeugd zich afspeelde. Alleen al die plek is een verhaal, omdat die symbool staat voor de verhoudingen in het dorp sinds de verschrikkingen in de jaren zeventig. Na de gijzeling werd de school afgebroken, afgezien van de gymzaal, die veranderde in een ontmoetingsplek voor Molukkers. Nooit werd er iets anders op het terrein gebouwd, er groeide alleen gras.

De school had precies tussen de Molukse wijk en de rest van Bovensmilde in gestaan, kinderen uit beide delen van het dorp gingen er naartoe. Nu heerste er stilte. Het werd een vlakte waar niemand iets te zoeken had, een wond die niemand durfde aanraken. Ook op andere plekken gingen Molukse en Nederlandse dorpsbewoners elkaar uit de weg en bovendien werd in veel huizen de geschiedenis doodgezwegen. ‘Na de gijzeling ging de deur in het hele dorp op slot’, zegt Kruit.

Pas in 2013 veranderde er iets. In dat jaar werd op de lege plek een monument onthuld ter herdenking van de gijzeling, in de vorm van de oude school. Onder een boom kwam een bankje, met ernaast houten harten en een plakkaat met twee elkaar vasthoudende handen. Voor de kinderen werd een kabelbaan gespannen en er kwam een voetbalkooi. ‘Weet je dat ik tranen in mijn ogen had toen er voor het eerst weer werd gespeeld?’ zegt Kruit.

We zullen aan het einde van het gesprek de vlakte bezoeken, maar eerst vertelt Kruit zijn persoonlijke verhaal, dat begint op maandag 23 mei 1977 om kwart over negen ’s ochtends. Hij zat in de tweede klas en had zich die dag verslapen, net op tijd kwam hij in de les. Ze zaten midden in een kringgesprek toen er een jongeman met lang zwart haar binnenkwam, die zei dat ze naar het overblijflokaal moesten. ‘Maar ik ben aan het lesgeven’, zei de juf, waarop de man zijn pistool liet zien. ‘Je zag dat ze verstarde.’

In het overblijflokaal werd de hele school samengedreven, terwijl vier Molukse gijzelnemers bevelen brulden, onder wie de zeventienjarige Tom Polnaija. Op het podium zat een man die Dikke Willem werd genoemd, met een stengun in zijn handen en een handgranaat voor zijn voeten. De Molukse leerlingen mochten weg, maar toen later die dag Molukse volwassenen op het schoolplein protesteerden tegen de actie werden ze beschoten. Veel inwoners van de Molukse wijk konden een treinkaping nog begrijpen, zegt Kruit, maar het gijzelen van een school ging iedereen te ver. Uit medeleven kwamen er de eerste avond broodjes en frisdrank uit de Molukse wijk.

‘Als er één volk verneukt ­is, zijn het de Zuid-Molukkers wel’

De kinderen bleven vier dagen vastzitten. Tegelijk was er een treinkaping aan de gang bij het iets noordelijker gelegen dorp De Punt en de gezamenlijke eis was: vrijlating van de tientallen Molukse gevangenen die betrokken waren bij eerdere terroristische acties, en een vliegtuig dat iedereen naar een onbekend oord zou brengen. Als de eisen niet binnen een paar dagen werden ingewilligd, zou de handgranaat van Dikke Willem ontploffen.

Toen het ultimatum verstreek, gebeurde er niets, maar de Molukkers joegen evengoed angst aan door met de handgranaat te jongleren. Ook hielden ze dag en nacht hun wapens in de aanslag, je kon de kogels in de magazijnen zien zitten. Soms mochten de kinderen een tekenfilmserie als Barbapapa op de televisie kijken, maar de spanning bleef voelbaar. ‘Er was zoveel stress. Iedereen was bang en er werd gehuild.’

Ze sliepen op de grond onder paardendekens. Het was heet in het overblijflokaal omdat de ramen gesloten bleven en het begon al gauw te stinken, want ze wasten zich amper. Ze aten snackbarvoedsel, dat uren op het schoolplein in de zon had gestaan. Er werden kinderen ziek, de wasbakken bij de toiletten liepen tot de rand toe vol met kots. Eén voor één werden de zieken afgevoerd met de ambulance, Kruit mocht op donderdagavond weg.

Hij weet nog hoe zijn ouders hem opwachtten onder het orgel in een kerk die was ingericht als noodhospitaal. ‘Ik zie ze staan, de rest ben ik kwijt.’ Hij liep op sokken naar huis en zijn moeder zou later zeggen dat hij stonk als een beer. Thuis ging hij op de bank zitten, anderhalf uur zei hij niks. ‘Daarna ben ik nooit meer zonder angst geweest.’

De volgende ochtend werden de resterende kinderen vrijgelaten. De vijf docenten bleven nog vijftien dagen langer vast, tot er op 11 juni 1977 pantserwagens de school binnen walsten die hen bevrijdden. Op hetzelfde moment werd de gekaapte trein bij De Punt bestormd, waarbij twee gijzelaars en zes kapers omkwamen. ‘We hoorden straaljagers overkomen, het was oorlog hier.’

En toen was het drama ineens voorbij en moest het dorp de draad van het gewone leven weer oppakken. Daar waren al pogingen toe gedaan, want toen de docenten nog gegijzeld waren, gingen de kinderen al weer naar school. Ze mochten ’s middags gebruik maken van de christelijke school, op voorwaarde dat ze geen contact hadden met de christelijke kinderen. Kruit, minzaam: ‘Wij hadden als leerlingen van de openbare school blijkbaar een verderfelijke invloed op hen.’

De afgebroken school werd op een andere plek in Bovensmilde herbouwd en over de gijzeling werd niet meer gepraat – en ook buiten de school gebeurde dat nauwelijks. De gijzeling werd taboe. Het was de tijdgeest. Alle ouders kregen een brief van hulpverlenende instanties waarin stond dat ze moesten doen alsof hun kinderen een uit de hand gelopen schoolreisje hadden meegemaakt. De kinderen hadden nergens echt notie van gehad, het waren maar kinderen en die waren flexibel, dat was de boodschap. Kruit kan er nog steeds van over de rooie gaan.

Hij denkt dat de gijzeling ook werd doodgezwegen omdat de Nederlandse regering er liever niet meer op terugkwam. ‘Het optreden van de regering verdiende geen schoonheidsprijs, hè?’ Hij neemt het de overheid kwalijk dat ze niet eerder ingreep en dat hij later niet in aanmerking kwam voor slachtofferhulp. ‘U moet beter bewijzen dat u in die school heeft gezeten’, kreeg hij te horen.

Bij hem thuis werden de instructies van de hulpverlening opgevolgd. Hij probeerde wel eens iets te vertellen over de meidagen van 1977, maar dan zei zijn vader al gauw: ‘Dat weten we nou wel. Vertel iets nieuws.’ Liever had zijn vader het over hoe hij zelf in spanning had gezeten.

Langzamerhand kreeg Kruit het gevoel dat hij en zijn lotgenoten gek waren. ‘We waren anders. Tijdens spelletjes waren we veel harder, als ik gepest werd waarschuwde ik drie keer en dan sloeg ik.’ Vaak droomde hij dat hij moest vechten voor zijn leven of de hele Molukse wijk uitmoordde. Hij sliep slecht en was vaak geïrriteerd. Toen hij ouder werd, vluchtte hij in zijn opleiding tot hovenier en werkte hij zo veel hij kon. De kennismaking met zijn vrouw en haar aardige, open familie hielp, tot er op zijn 26ste iets gebeurde waardoor hij wist dat het zo niet langer kon.

Hij was aan het werk in de tuin van een school toen hij Dikke Willem zag die zijn kind ophaalde. ‘Ik heb voor mijn gevoel tien minuten met de klink van de schooldeur in mijn hand gestaan. Ik dacht: ik zal jou laten voelen wat je mij hebt aangedaan. Ik gijzel de klas met dat kind erin.’ Meteen daarna besefte hij: ik ben ziek, ik ben zwaar depressief. ‘Ik kon niks meer aan en zag het leven niet meer zitten. Ik haatte de vier jongens die ons dit hadden aangedaan.’

‘Als iemand de duvel aan zijn kont voelt krabben, is Polnaija het wel. We zijn goede vrienden geworden, hoor’

Hij werd afgekeurd voor zijn werk, ging in therapie en zou dat met tussenpozen jarenlang blijven. Soms mocht hij weer wat werken, bij de gemeente Assen bemoeide hij zich met de aanleg van wegen en riolering, hij was autoverkoper, werkmeester op een dovenschool en klassenassistent op een praktijkschool. Met het oog op zijn gezondheid is hij intussen met alles gestopt.

Van zijn therapeut moest hij zijn ervaringen opschrijven en zich tegelijkertijd verdiepen in de geschiedenis van de Molukkers in Nederland, preciezer: de Zuid-Molukkers. Hij deed het allebei, vol overgave. Want hoe ellendig hij zich ook voelde, hij wilde beter worden. Hij las boeken en legde een uitgebreide collectie aan van krantenartikelen over de Molukse zaak, die hij nu in een grote koffer naast zich heeft staan.

Hij ontdekte hoe de Nederlanders in de koloniale tijd profijt van de Zuid-Molukkers hadden gehad, omdat ze werkten voor het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (knil). Toen de Zuid-Molukkers in 1950 een eigen staat uitriepen, de Republik Maluku Selatan (rms), werd die door het onafhankelijke Indonesië de nek omgedraaid, zonder dat Nederland te hulp schoot. In plaats daarvan verscheepte de Nederlandse regering in 1951 bijna vierduizend Zuid-Molukse knil-militairen en hun gezinnen naar Nederland – tijdelijk, was de bedoeling. De militairen kregen onmiddellijk ontslag en werden vervolgens in voormalige concentratiekampen als Westerbork ondergebracht. ‘Als er één volk verneukt is, zijn het de Zuid-Molukkers wel’, concludeerde Kruit.

In 1996 kwam hij in contact met oud-verzetsstrijder Velo Bierman, die hem de volgende stap in zijn verwerkingsproces liet zetten. Bierman zat gevangen in concentratiekampen, onder andere in Natzweiler, en gaf daar lezingen over. Hij vroeg Kruit mee te gaan en ze trokken intensief op tot Biermans dood in 2014. Bierman leerde hem praten over wat hij had meegemaakt. ‘Vertel alleen wat je kwijt wilt’, zei hij. ‘En tijdens dat vertellen zul je merken dat je steeds verder gaat.’ En hij leerde hem deze les: ‘Met haat heb je alleen jezelf. Haat maakt je kapot. Vergeef toch.’

In 2007 kreeg Kruit telefoon: of hij samen met ex-gijzelnemer Tom Polnaija een interview wilde geven aan de Leeuwarder Courant, die een kerstspecial maakte over vrede en vergeving. Ik doe het, dacht hij. Wat kan me gebeuren? Het ergste is al gebeurd. Polnaija woonde in de Betuwe en reisde af naar Bovensmilde. Ze ontmoetten elkaar op de plaats delict, de kale vlakte waar Kruit jarenlang niet had durven komen. ‘Wanneer heb je Tom voor het eerst ontmoet?’ vroeg de verslaggever. ‘Op 23 mei 1977 om kwart over negen ’s ochtends’, antwoordde Kruit. Polnaija moest grinniken.

In een Van der Valk-restaurant praatten ze verder. Polnaija vertelde hoe hij bijna vijf jaar in de gevangenis had gezeten en daarna in drank en drugs verzeild was geraakt. De ommekeer kwam door zijn hervonden geloof in God. ‘Niet haat, maar liefde is mijn drijfveer’, zei Polnaija. Hij wilde zich graag verzoenen met zijn slachtoffers, maar Kruit kon hem nog niet vergeven. Wel wilde Kruit uit de ‘negatieve spiraal’, hij wilde ‘loslaten’. ‘Het lijkt me eigenlijk wel leuk om samen met jou eens een lezing te geven’, zei hij.

Zo begon hun samenwerking, waarin Kruit ook vertelde over de dag waarop hij naar het toilet liep en dacht dat hij doodging. Hij hoorde dat Polnaija tijdens de gijzeling een Colt 45 bij zich had gehad, het dienstpistool van zijn vader uit de knil-tijd. Dat Polnaija het ding op een negenjarig, angstig jongetje had gericht en de trekker had overgehaald, wist hij niet meer. ‘Hij had het verdrongen’, zegt Kruit. ‘Ik kan mij dat niet voorstellen, want wat je uitvreet, sla je heus wel op. Maar goed, als iemand de duvel aan zijn kont voelt krabben, is hij het wel natuurlijk.’

Meteen daarop, vergoelijkend: ‘We zijn goede vrienden geworden, hoor.’

Polnaija vertelde hem over zijn jeugd in Schattenberg, zoals kamp Westerbork werd omgedoopt. Ze mochten niet koken en kregen zakgeld, omdat ze toch maar tijdelijk in Nederland zouden zijn. Contact met Nederlanders was verboden, maar in de weekenden kwamen wel bussen vol Nederlanders naar de Molukkers kijken. Kruit besefte dat hij ondanks alles een rijk leven had.

We gaan naar de vlakte met het monument, dat er kwam op initiatief van de lotgenotengroep die ex-gegijzelden van de school in 2007 oprichtten. In de oude gymzaal maakten ze, sámen met Molukse inwoners, hun gedenkteken. ‘Het is met bloed, zweet en tranen in elkaar gezet’, zegt Kruit. Destijds moesten de gegijzelde kinderen uit het raam roepen: ‘Van Agt, wij willen leven!’, om de dreiging van de exploderende handgranaat kracht bij te zetten. De beelden gingen de hele wereld over. Nu staat in grote letters op het monument: ‘Wij willen samen leven.’ Er figureren mensjes op, zwart en wit door elkaar, en een groot, rood hart. Kruit maakte de jaartallen 1977 en 2013, het eerste donker, het tweede licht.

Er kwam een tweede monument, ter ere van de eerste generaties Molukkers in Nederland. Het staat aan de andere kant van de gymzaal en stelt een schelp voor waarmee vroeger op de Molukse eilanden werd omgeroepen. De boodschap: hoor ons. Eerder liet Kruit de brief zien die vijftien Molukkers al op 23 juni 1977, twaalf dagen na de gijzeling, aan de ouders van de gegijzelde kinderen stuurden. Ze betuigden hun medeleven en vroegen om een gesprek: ‘Laten wij, volwassen mensen, proberen weer tot elkaar [te] komen, want daar profiteren onze kinderen later van.’ Er was nooit op gereageerd. Je zou kunnen zeggen dat het in 2013 alsnog gebeurde. Bij de onthulling van beide monumenten aten en dansten ze samen. Sindsdien ontspant het dorp zich, meent Kruit. Zeker, er zijn nog steeds inwoners die omkijken in wrok, die bij wijze van spreken gas geven als iemand van het andere kamp voor de auto komt. Anderzijds gaat niemand zo ver als Kruit, die de terroristen van destijds vergeeft als ze hun fouten inzien. Maar het begin van de normalisering is er.

We lopen terug naar zijn huis. ‘Kijk, zo mooi’, zegt hij, wijzend op een struik waarin de eerste fragiele blaadjes uit de kreukels komen. ‘Weet je wat vrijheid is? Dat je in het voorjaar kunt genieten van de bomen die uitlopen.’