Afgelopen weekend was de hashtag #kutkaag trending op Twitter. De aanleiding: d66-leider Sigrid Kaag sprak zich zaterdagmiddag op het online verkiezingscongres van haar partij uit voor de invoering van een vaccinatiebewijs. Het kwam haar op duizenden verwensingen te staan, met hashtag, die vervolgens even zoveel tegenreacties opriepen dat het ‘walgelijk’ was om een intelligente, capabele vrouw zo denigrerend weg te zetten.

Als er iemand symbool staat voor de online haat die met name vrouwelijke politici over zich heen krijgen, dan is het Sigrid Kaag. Uit het data-onderzoek dat De Groene Amsterdammer met de Universiteit Utrecht deed naar de seksistische bejegening van vrouwelijke parlementariërs in sociale en traditionele media blijkt dat Kaag verreweg de meeste haatberichten ontvangt. 22 procent van alle tweets over haar is haatdragend, wat de afgelopen vijf maanden neerkwam op één akelige tweet per kwartier. Zelf reageerde Kaag zondagmiddag soeverein. Bij een foto van een ontspannen boswandeling tweette ze: ‘Ik wens u allen hier op Twitter een mooie dag. Denk om uw bloeddruk. En ga een beetje respectvol met elkaar om.’

Seksisme wordt al te zeer gezien als een individueel probleem, niet als structureel euvel

Zo’n superieure reactie is knap, maar versluiert een wijdverspreid fenomeen. De Inter-Parliamentary Union deed in 2016 wereldwijd onderzoek naar seksisme, intimidatie en geweld tegenover vrouwelijke volksvertegenwoordigers en constateerde dat het een verschijnsel is dat grenzeloos is en in alle landen voorkomt. 65,5 procent van de respondenten gaf aan dat zij te maken hadden met vernederende seksistische opmerkingen van mannelijke collega’s, in de media en op sociale platformen. De studie concludeerde ook dat de sociale media ‘plek nummer één’ zijn geworden voor psychologisch geweld – seksistische opmerkingen, vernederende beelden, intimidatie en bedreigingen – tegen vrouwelijke politici. Als ze jong zijn of tot een minderheidsgroep behoren, hebben zij het helemaal zwaar te verduren.

Nog wat bevindingen: 66,7 procent van de volksvertegenwoordigsters zei dat zij zich ellendig voelden over de haat; 46,7 procent had soms angst voor haar veiligheid. En 38,7 procent gaf toe dat het psychologische geweld ondermijnend was voor hun parlementaire werk en de vrijheid die ze voelden om hun mening te uiten.

Uit ons onderzoek naar de tweets die zijn gericht aan vrouwen op Nederlandse kieslijsten blijkt dat tien procent daarvan haatdragend of zelfs bedreigend is. Overmatige aandacht voor hun lichaam, kleding en sociale rol als moeder en echtgenote is schering en inslag op de sociale media, maar duikt ook nog regelmatig op in kranten en tijdschriften. En als ze niet worden uitgescholden, dan worden de ‘kakelkipjes’ in de Tweede Kamer wel door middelbare meneren uitgenodigd om uitleg te krijgen over hun portefeuille. De Nederlandse parlementariërs die wij spraken, vreesden voor de gevolgen van de haat. Die zou tot zelfcensuur kunnen leiden en maken dat jonge vrouwen terugschrikken voor het Kamer-lidmaatschap.

Nadat Elizabeth Warren vorig jaar afhaakte als presidentskandidaat werd haar gevraagd naar de rol van seksisme. Dat is de strikvraag voor iedere vrouw, antwoordde ze. ‘Als je zegt: “Ja! Er was seksisme”, zegt iedereen: “Zeurkous!” En als je zegt: “Nee, er was geen seksisme”, dan denken tig vrouwen: op welke planeet leef jij?’ Nederlandse vrouwelijke politici zullen die strikvraag herkennen; als je volmondig toegeeft dat je te maken hebt met seksisme ben je kleinzerig, heb je geen gevoel voor humor, probeer je de aandacht af te leiden. Het komt doordat seksisme al te zeer gezien wordt als een individueel probleem en als iets waar vrouwen maar tegen opgewassen moeten zijn. Terwijl het raakt aan de democratie als vrouwen door psychologisch geweld in hun functioneren belemmerd worden. Het is geen individueel maar een structureel euvel – dat erkennen is het begin van de oplossing.