Haatlijsten

Cyrille Offermans, De vogelman. Uitgeverij Querido, 142 blz., f24,90
Met De vogelman richt literair criticus en essayist Cyrille Offermans zich voor het eerst op lezers vanaf een jaar of dertien, de leeftijd van de leerlingen met wie hij als docent Nederlands van doen heeft. Het boek bevat drie verhalen die voornamelijk hun hoofdpersoon gemeen hebben. Lot is ongeveer zo oud als de beoogde lezers. In het titelverhaal neemt ze een levensgevaarlijke duik in een Zwitsers bergmeer, geinspireerd door de ‘Vogelman’, een zonderlinge waaghals die zich voor haar ogen op kunstvleugels van de besneeuwde toppen omlaag heeft gestort.

In het tweede verhaal wordt haar dierbare hamster ongeneeslijk ziek en in het derde zoekt Lot naar de invulling van haar rol als Kaspar Hauser in een schooltoneelvoorstelling.
Lot is afkomstig uit een intellectueel modelgezin, zoals ik dat in de jeugdliteratuur niet meer ben tegengekomen sinds het begin jaren zeventig door wereldverbeterende actiegroepen in de ban werd gedaan. Vader is kunstenaar met een atelier vol boeken en kunst in wording. In de auto zingt hij mee met Monteverdi’s opera over Odysseus’ thuiskeer: ‘Een regel Italiaans, gevolgd door drie regels lalalalala.’
Een door Lotte Lenya uitgevoerde tekst van Brecht speelt een rol bij de speurtocht naar Kaspar Hausers achtergronden en wanneer de familie in een Zwitsers vakantiehuisje arriveert, maken zij zich gezamenlijk vrolijk over een in kruissteek aangepaste versie van Vermeers Melkmeisje: 'Frau Hurlimann of wie het ook gemaakt mag hebben vond het blijkbaar maar niks zoals Vermeer haar heeft afgebeeld, zo verzonken in het schenken. Vader hoefde niks meer uit te leggen, iedereen kende het origineel.’
Vervolgens spelen broer en zus braaf zeven potjes pesten. Lot houdt van lezen en van topografie, als ze iets niet begrijpt zoekt ze het op in Van Dale, ze heeft celloles en haar hamster heet John Cage.
Gelukkig is ze ook een tamelijk gewoon meisje met een been in de kindertijd en het andere op weg naar volwassenheid. Ze is het kind dat een stad in het zand bouwt, woedend is op haar beste vriendin en treurt om haar dode hamster, het kind dat haar knuffels mee op reis neemt en haar vader kilometers om laat rijden wanneer ze ze ergens vergeet. Tegelijkertijd heeft ze een scherpe kijk op haar proleterige oom Gerard, die regelmatig voorkomt op Lots 'haatlijst’, tussen punten als 'met familie georganiseerd gaan fietsen’ of 'oude mannen in strak zittende, glimmende sportkleren op racefietsen’. De volwassene kondigt zich ook aan in het verlangen naar een avontuurlijker vakantie dan met je ouders en je broertje naar Zwitserland, in de fascinatie voor het vliegen als symbool van vrijheid en in de beginnende reflectie op het menselijk bestaan via de Kaspar-Hauserfiguur.
Het hart van de schrijver gaat duidelijk uit naar deze mensensoort op de grens van twee levensfasen. Met toewijding en vasthoudendheid probeert Offermans haar in beeld te krijgen, waarbij er van een samenhangende vertelling, met oorzaak en gevolg, begin, midden en einde nauwelijks sprake is, zelfs niet binnen de drie afzonderlijke verhalen. Eerder probeert hij, zorgvuldig en soms geestig formulerend, zijn 'onderwerp’ via omtrekkende bewegingen in de kern te raken, door een groot aantal gebeurtenissen en gedachtenflarden als momentopnames achter elkaar te monteren. Regelmatig klinkt in die gedachten de volwassen denker door. Te vaak dringt de vragensteller de verteller in de hoek: de essayist heeft gewonnen.