Toneel

Had het anders gekund?

Toneel: Toneelgroep Amsterdam speelt Scènes uit een huwelijk naar Ingmar Bergman

Van de kaartjesscheurder kreeg ik een extra kaartje: een kleurtje, groen. Ik moest mij om half acht – drie kwartier voor de «gewone» schouwburgtijd – posteren bij een groene gevarendriehoek. Een ouvreuse begeleidde ons – we waren een «groene» groep – op een ongebruikelijke route naar het schouw burgpodium. We belandden in een vrij kleine ruimte, met stoelen en blokken. Het decor: een fuik van geknoopte lappen, een tafel, een deur, een raam. Door het raam zagen we dat anderen – met andere kleurtjes – naar andere fuiken waren geleid. In het middengebied drentelden de acteurs heen en weer, water en thee drinkend, zich schrap zettend voor een minimarathon: drie maal dezelfde scène spelen, voor een publiek dat van ruimte wisselt op commando van ouvreuses en gekleurde kaartjes.

Wat we zien zijn drie momentopnamen van een langzaam uit elkaar vallende relatie tussen steeds twee dezelfde mensen, Johan en Marianne, gespeeld door drie paren. Ik begon in het midden (Roeland Fernhout en Hadewych Minis zijn dertigers, hun gesprek spitst zich toe op hun seksleven), verhuisde vervolgens naar het einde van de relatie (Hugo Koolschijn en Renée Fokker zijn veertigers, hij gaat naar een jong ding, zij blijft achter met de kinderen), tot slot kwam ik in het prille begin (Alwin Pulinckx en Karina Smulders zijn twintigers, de confrontatie spitst zich toe op een tweede kindje). Door de geknoopte doeken (nauwelijks geluidswerend) en die ramen, blijf je je als toeschouwer voortdurend bewust van het feit dat elders nog andere (heftiger? emotioneler?) slagvelden zijn. Ook door de subtiele blikken van de acteurs, die letterlijk dicht op onze huid spelen, delen we als publiek met de personages wat ik voor het gemak maar even het ultieme soapgevoel noem: Jezus, bij de buren is het klaarblijkelijk nóg erger! Sensa tioneel, omdat je in die drie keer een klein half uur ook een kriskrasreis maakt door een persoonlijke geschiedenis van pakweg vijftien jaar ploeteren in een verhouding waarvan de brokstukken in de loop van die anderhalf uur – ook door de (onderhand bekende) flarden die je terughoort – op hun plek beginnen te vallen.

In twee van de drie scènes wordt de spanning opgevoerd doordat er – naast het stel – sprake is van buitenstaanders: een jong stel waarmee het ook niet goed kan komen, een cliënte van Marianne (echtscheidingsadvocate) in het mid den deel, die heel rustig, koel, bijna steriel het einde van een lang huwelijk aankondigt (een prachtrol van Celia Nufaar). Wij kijken naar de aftakeling van de relatie tussen Marianne en Johan ook door hún ogen. De rol van buitenstaander wordt in het deel van de veertigers, waarin de relatie wordt beëindigd, gespeeld door een telefoontoestel. Via dat toestel wordt de vrouw meegedeeld dat die aftakeling aan de buitenwereld al lang bekend was. Iedereen had verzuimd het haar te vertellen. Daarna krijgen we een adempauze.

Na de pauze belanden we in de zaal. De drie fuiken staan nog steeds op het toneel, het is een chaos daar, het ons bekende meubilair is als een uitdragerij dwars door elkaar gestapeld, de lommerd van een gesloopt huwelijk. De drie stellen beginnen, door elkaar heen pratend, schreeuwend, krijsend, de desintegratie van hun verhouding in kaart te brengen. Dat deel is een zwaktebod in de voorstelling. Ik voelde me op dat moment ook een beetje be donderd, teruggegooid in een klassieke lijsttoneel-kijkcode, ge doe vermomd als esthetische chaos. Laat maar zitten. Ik wilde weg. De verlossing kwam toen we als publiek terug op het podium werden genood. Het decor werd de toneeltoren in gehesen, we zaten met elkaar in een grote vlakte, klaar voor de laatste, klaarblijkelijk beslissende veldslag: het ge vecht, de jankend uitgesproken finale-argumenten (al zo vaak herhaald), en uiteindelijk: de fysieke confrontatie, voorafgaand aan het tekenen van de echtscheidingspapieren.

Behalve door het enerverende spel van de acteurs gaan de credits voor het wonder van dit deel van de voorstelling vooral naar de theatertechnici van Toneelgroep Am sterdam. De spelers hebben zendmicro’s, ze wervelen in een adembenemende choreografie over het totale speelvlak, boven ons hangen geluidsboxen, en door een geraffineerde schakeling van de technieken krijgen wij steeds de «relevante» flarden te horen, worden we als publiek als een gek aan het werk gezet om deze oorlog tot ons te laten doordringen, de motieven voor de scheiding bij elkaar te puzzelen.

Toen ik naar huis fietste permit teerde ik me een theaterhistorische associatie: als de Franse theatervernieuwer Antonin Artaud dit had kunnen meemaken, had hij voluit erkend: dit heb ik ooit bedoeld met het concept van het Theater van de Wreedheid. De scène was ongekend wreed. En waar! Het was waanzin, maar er zat systeem in!

Na deze euforie (eindigend in de drie maal herhaalde zin, van de vrouw naar de man, van Marianne naar Johan – ik citeer uit mijn hoofd: «We hadden vaker moeten vechten. Dat had ons goed ge daan») eindigt de voorstelling in een bijna weldadige maar ook griezelige rust. De oudste Marianne (Renée Fokker) bij haar moeder (weer zo’n formidabele rol van Celia Nufaar). En ten slotte de oudste vertolkers van het stel, allebei hertrouwd, met elkaar vreemd gaand. In die scène wordt dé gimmick van de totale voorstelling op het scherp van de snede herhaald. Marianne en Johan hebben de onhebbelijke gewoonte om op cruciale momenten in hun persoonlijke geschiedenis een liedje van Herman van Veen op te zetten. Hugo Koolschijn danst en playbackt in die slotscène Cirkels (op The Windmills of Our Mind van Stevie Wonder). Hij danst – bezeerd, kwetsbaar – eigenlijk één enkele vraag: Had het anders gekund? Dat moment uit Scènes uit een huwelijk ging – althans bij mij – door merg en been. Sentiment, afstand, pijn, verdriet – allemaal vergruisd in de ongetwijfeld bij de scheidings ruzie kapot gegooide staafmixer.

Het bleef nog lang onrustig in mijn kop.

Regie: Ivo van Hove. Nog t/m 18 juni te zien in Nederland en Vlaanderen