Hafid Bouazza, 8 maart 1970 – 29 april 2021

Hij schiep zijn eigen werkelijkheid. En hij, de grote taaltovenaar, maakte ons deelgenoot van zijn fictie. We mogen er langzaam in afdalen. Nu fladdert hij verder, ergens. In de buurt van Nabokov.

Achteraf vind ik het opmerkelijk dat ik Lolita, de beroemde en inmiddels beruchte roman van Vladimir Nabokov, was gaan herlezen juist in de week die Hafid Bouazza’s laatste bleek te zijn. Dit was misschien onze grootste overeenkomst: onze onvoorwaardelijke liefde voor die krankzinnige Russisch-Amerikaanse tovenaar. Mijn dochter, die, en ik zie nu de grijpgrage klauwen van de Humbert Humberts van deze wereld voor me, inmiddels geruststellend 22 is, héét zelfs Lolita. Hafid vond het een geweldige stunt dat we haar die naam hadden gegeven. Altijd wanneer ik hem zag informeerde hij eerst naar haar. ‘Hoe is het met Lolita?’ vroeg hij dan. Hij wist haar naam oneindig lief maar ook guitig uit te spreken.

Hafid en ik hadden, bij al onze verschillen, meer gemeen. We schreven allebei literaire fictie. We zaten gedurende een lange periode bij dezelfde uitgever, Prometheus. We lazen elkaars boeken. Dat is niet vanzelfsprekend voor schrijvers; schrijvers zijn moeilijke mensen die niet altijd blij zijn met de talenten van hun tijdgenoten. Wat we ook gemeen hadden was dat we opgingen in de roes van de literatuur, al moet ik erbij zeggen dat Hafid ook nog weleens in een andere roes verdween: een bedwelming door drank en drugs. Bij Hafid gingen literatuur, drugs en alcohol hand in hand met elkaar. Hij probeerde te leven in een andere wereld dan die waar het schrikbewind van uur en feit heerste. Ook de schurk – Humbert Humbert – uit de roman van Nabokov schiep een eigen werkelijkheid, en daarbij maakte hij onvermijdelijk slachtoffers. Nogal wat schrijvers doen dat (Humbert Humbert ís schrijver).

‘De staat van roes is een staat van goddeloosheid, en wat is goddeloosheid anders dan complete zelfbeschikking?’ lees ik in wat we nu kunnen vaststellen dat Hafids laatste boek is, De akker & de mantel: Over de vrouw en de islam (2015). Dat wil zeggen, het is zijn laatste boek als ik afzie van enkele vertalingen die hij nog maakte, en dat voelt niet helemaal juist aan, want Hafid was ook een geweldige vertaler, dus die boeken moeten we eigenlijk gewoon meetellen.

Onthutsend wat er allemaal in dat brein van Hafid zat opgeslagen. Hij was een gulzig mens

Hafids romans en essays zijn vaak zo opgebouwd dat je met de schrijver afdaalt in zijn roeswereld. Aan het woord is een gids die je meeneemt naar een andere werkelijkheid dan die je kende. Een aspect dat soms bij Hafid over het hoofd wordt gezien is dat hij erg geestig kon zijn en, bij gebrek aan een ander woord, informeel. Hij keek niet snel tegen iets of iemand op. Hij lééfde met de allergrootsten: Nabokov dus, en Shakespeare, en Anthony Burgess – om er maar een paar te noemen. In zijn grote boek Heidense vreugde: Gepeins en gezang schrijft Hafid over hen. Niet zwaar, maar zelfverzekerd, als hun gelijke, humorvol. Het zijn stukken die hij in de loop van de jaren voor kranten en tijdschriften schreef, maar waar hij nooit een goede verzameling van had aangelegd. Of zoals hij in de eerste zin van zijn inleiding schrijft: ‘Een nomadisch bestaan en een onzorgvuldige omgang met pc’s en ander elektronisch schrijfgerei hebben ervoor gezorgd dat ik niet kan bogen op een digitaal archief van mijn werk.’ Hafid is op deze manier even heel dicht bij je. Zó was hij: geen boekhouder van eigen werk, maar iemand die de indruk wekte heen en weer te fladderen, als een nabokoviaanse vlinder.

Dat wil niet zeggen dat hij zomaar van alles en nog wat beweerde. De kennis die hij tentoonspreidde in zijn boeken is verbluffend. En die demonstreerde hij ook als hij met je sprak. Hij bracht je daarbij niet in verlegenheid: hij gaf je de indruk dat jij dat citaat van Shakespeare ook gewoon uit je hoofd kende en dat je die obscure verwijzing in Nabokovs Ada ook had opgemerkt.

Het was onthutsend wat er allemaal in dat brein van Hafid zat opgeslagen. Het was misschien ook een last: al die zinnen, al die citaten, al die fraaie woorden, al dat moois, maar ook, buiten de literatuur om, al die zintuiglijke indrukken die hij moest opdoen en ‘opslaan’, al die details die hij moest savoureren, al die erotische ervaringen waarvan hij moest genieten. Hij was een gulzig mens. ‘En dan nog iets: laat u niet misleiden door de stelling dat je poëzie moet proeven als een goede wijn. Dit is een fallacy: alcohol moet in grote hoeveelheden en met overgave gedronken worden voor een goed resultaat’, merkte hij naar aanleiding van het werk van Gerrit Achterberg op. En: ‘Een gedicht moet herlezen en herlezen worden totdat het klinkt als de glossalie van een dronkaard en pas wanneer het zich genesteld heeft in de bloedbaan, het centrale zenuwstelsel aantast, kunnen we zeggen dat we er iets van hebben begrepen.’

Zo zitten zijn romans ook in elkaar, als literaire ficties die je je eigen moet zien te maken, die ín je moeten gaan zitten. De beste naar mijn smaak is misschien Salomon (uit 2001), maar ik ben ze aan het herlezen met een gretige ijver, dus straks heb ik mogelijk een andere favoriet. Om ervan te genieten – en er valt veel te genieten! – moet je er langzaam in afdalen. De verteller houdt je bij de hand, daar kun je op vertrouwen, maar je komt nooit bij de uitgang, want lezen ís herlezen en daarna nog eens kijken wat er staat. Hafid had een hekel aan het woord conclusie. Laten we daarom zijn dood niet als een afronding beschouwen.