Hagar peeters dichter / ‘genoeg gedicht over de liefde vandaag’

‘KOMT-IE: als communicatie-adviseur en pr-medewerker bij een landelijke non-profitorganisatie. Ja ja, heel erg afschuwelijk allemaal - ik werk bij een landelijk orgaan. Ik bedoel: dat klinkt écht heel smerig.

Gedichten begon ik te schrijven op de middelbare school. Opeens. Eerst schreef ik een tijdje een dagboek, maar al snel had ik geen zin meer om steeds weer te herhalen wat al in werkelijkheid was gebeurd. Dat werd zo saai. Ik begon te experimenteren en dat werden dus gedichten. Grappig, het voelt alsof ik het dichten voor mezelf heb uitgevonden - dus niet dat ik een dichter heel erg bewonderde en ging navolgen. Op de universiteit was Ingmar Heytze mijn studiementor. Hij dicht en hij organiseerde het Poëziecircus in Utrecht. Dat is een festival dat poëzie op een wat snellere manier wil brengen. Dus niet van die ouwelullenavondjes waar binnensmonds gedichten worden voorgelezen. Daar kun je als publiek toch helemaal je aandacht niet op houden? Als zes dichters achter elkaar op zo'n heilig, ingetogen, saaie manier voordragen. Het kan flitsender: met muzikale intermezzo’s en een beetje cabaret. Ik leerde daar dat je niet achter het katheder weg moet kruipen. Zonder muziek begon ik mijn gedichten te vertellen. En zonder voor te lezen ook. Dat was makkelijk, want ze waren heel ritmisch en ik kende ze uit mijn hoofd. Na een paar keer werd ik opgebeld door iemand van Stichting Perdu. Ze zochten nog een vrouwelijke dichter die iets met rap deed. “We hebben nog geen vrouwelijke dichter, dus… hé, Hagar Peeters - vrouw! Laten we díe eens bellen.”’ ‘IK MOCHT een gedicht schrijven voor het boekje en optreden op het festival Double-Talk. Daar werd met veel poeha een “kruisbestuiving tussen rap en poëzie” aangekondigd. Die vond ik niet helemaal gelukt. Ik vind niet dat je rap en poëzie niet met elkaar kunt combineren. Zelf heb ik het wel geprobeerd. Een muzikant zorgde voor de samples en ik droeg voor op het ritme van de muziek. Ik wilde dat de muziek een sfeer opriep die ik ook met de gedichten probeerde op te roepen. Dat mensen door de muziek al in een bepaalde stemming kwamen en dat de woorden ertoe bijdroegen om beelden op te roepen. Het bleek wel lastig voor sommige mensen om me te plaatsen. Ik was niet alleen maar hip want ik rapte niet, maar ik was ook weer niet echt poëet. Mensen denken al snel dat je muziek gebruikt om iets te verbloemen. Muziek maakt oppervlakkig. In de Volkskrant schreef Arjan Peters over “het kortgerokte meisje Hagar Peeters” in een recensie van dat festival Double-Talk. Het kortgerokte meisje Hagar Peeters! Een beetje denigrerend, vind ik. Seksistisch ja. Doe ik iets met muziek, gaan ze dáár weer op letten. Misschien als ik gewoon stijf poëzie had voorgedragen… Er zijn mensen die graag minderheden erbij willen en vrouwen zien als een minderheid, dus daar moet er dan ook een van bij. Ik verdenk veel organisatoren ervan dat ze daarom graag een vrouw erbij willen hebben. Zo werd het in ieder geval wel gebracht bij Double-Talk. Die optredens waren wel een stimulans om meer te schrijven. Veel van de gedichten voor deze bundel heb ik afgelopen zomer geschreven. Ik moest eigenlijk aan mijn scriptie schrijven maar daar had ik niet zo veel zin in. En ik schreef op de computer in WP - erg fijn nog altijd: WP5.1 - en dan kun je zo leuk van het ene naar het andere beeldscherm springen. Op het ene stond mijn scriptie en met Shift F3 stond op het andere mijn gedichtje. Dus dat was van: alineaatje en…’ 'VEEL DINGEN verzon ik totaal. Maar bijvoorbeeld het meisje in het gedicht Kijk eens is een huisgenote van me. Een heel mooi meisje. Wat zij deed heb ik nooit eerder gezien: ze deed een vlieg na. Vaak zijn het heel algemene gevoelens. Ik kan niet zeggen hoe ik erop kom. Het is er of het is er niet. Soms begint het gewoon bij een zin. Dan werk ik daarop door. Maar ik herschrijf weinig, het grove staketsel staat in één keer. Snel ja. Iemand zei: je kunt wel zien dat je deze gedichten in heel verschillende perioden hebt geschreven. Maar dat is niet zo. Het merendeel komt van die vorige zomer. Ik wilde graag in verschillende stijlen kunnen schrijven. Want ik vind het saai en vermoeiend als alle gedichten dezelfde stijl hebben. En tja, gedichten drukken ook allemaal iets eigens uit. Ieder gedicht drukt weer iets uit wat specifiek is voor dat ene gedicht. Waarom zou je voor al die specifieke sferen één stijl hanteren? Dat klopt voor mijn gevoel ook niet. Een stijl moet weergeven waar het gedicht over gaat. Logisch dus, dat als je over verschillende thema’s schrijft je daar ook verschillende stijlen voor gebruikt. Het gaat samen. Het kan ook weer dat bij een vorm een bepaalde inhoud blijkt te horen. Ik weet niet wat eerder is. Het gedicht Babyboom boogie is kluchtachtig, meer een beetje grappig, dat is ook een speels en ritmisch gedichtje geworden. Zware thema’s beschrijf ik een beetje vrolijk en vrolijkere maak ik weer wat zwaarder. Dingen die heel ernstig zijn moet je niet ook nog eens een keer heel ernstig neer gaan zetten, dan wordt het overdone en krijg je melodrama. Ik hunker wel naar romantische melancholie, maar dat is dan weer… dat kun je eigenlijk niet meer maken. Om daar nog in te geloven. Als je over de liefde schrijft dan wordt het vanzelf ironisch, dat kán bijna niet. Ik hou ook niet van intellectuele poëzie. Dat is het enige wat ik van poëzie vind - ja ja, ik heb een heuse mening over poëzie - het moet direct raken. Wat je hersenen willen is allemaal heel leuk, maar dan lees ik liever een filosofisch essay. Ik hou veel meer van poëzie die meteen aanspreekt. Die intellectualistische poëzie komt ook nooit over op het podium, mensen hebben er te veel tijd voor nodig om die te snappen.’ 'VAAK DRAAG ik liever iets voor dan dat ik het laat lezen. Als ik op het podium sta, moet ik heel zelfverzekerd zijn. Voor een grote zaal ben ik minder bang - je ziet een zwart gat. In een klein zaaltje, als ik iedere beweging van het publiek kan zien, is het enger. Ik sta daar en ik praat over gevoelens, ja. Grappig: dat geeft me juist meer een gevoel van kracht. Ik sta daar helemaal alleen. Dat heeft ook wel iets moois: bijna bloot voor al die mensen staan en zeggen wat ik te zeggen heb. En: that’s it. Dit zijn mijn woorden, meer heb ik niet. Ik heb ook heel weinig praatjes tussendoor. Ik sta niet op dat podium omdat het over mezelf moet gaan. Ging het over mezelf dan zou het echt iets heel anders zijn. Voor mijn gevoel ben ik op het podium heel iemand anders. Ik ben dan niet Hagar Peeters. Ik speel een dichter.’