OOSTENRIJK IN HET HAIDER-TIJDPERK

Haider is dood, en…

Het politieke succes van Jörg Haider zegt volgens schrijver Robert Menasse iets over wat fascisme in Oostenrijk betekent. Haider verkocht zijn austrofascisme met de bravoure van een studentenleider uit ’68.

IN OOSTENRIJK WORDT de dood van een openbaar persoon niet door een arts maar eerst door de media bekrachtigd: als zelfs de vijanden, tegenstanders en concurrenten in de kranten en op tv iemands lof zingen, dan kun je er zeker van zijn dat deze persoon echt dood is. Wat hier te lande ‘piëteit’ genoemd wordt, namelijk de plotselinge eensgezindheid om over iemand alleen nog goeds te zeggen, is in werkelijkheid enkel de daarmee in de verte verwante Oostenrijkse gewoonte de concrete mens te vervangen door een legende die het mogelijk maakt zijn werkelijke daden en hun consequenties te verdringen en tegelijk ‘als erfenis’ te aanvaarden.
In het culturele leven kan men deze gewoonte met schouderophalen en een ironische glimlach betitelen als ‘eindelijk ongerechtigheid’, zoals bijvoorbeeld in het geval van Thomas Bernhard: hij die tijdens zijn werkzame leven door de typisch Oostenrijkse ressentiment-coalitie van Die Presse-abonnees en Kronenzeitung-lezers als Oostenrijkse staatsvijand met haat was achtervolgd, werd meteen na zijn dood door diezelfde ‘patriotten’ tot nationale legende geïdealiseerd: ‘Een groot schrijver! En wij hebben hem voortgebracht!’ – dat laatste klopt natuurlijk, maar niet zoals zij het bedoelen. Blijft over ‘groot schrijver’ – en zij die het altijd al gezegd hadden knikken nu tezamen met de voormalige tegenstanders. Zo worden in Oostenrijk graven dichtgegooid.
In het politieke leven echter, en in het bijzonder in het geval van Jörg Haider, is deze Oostenrijkse gewoonte levensgevaarlijk en valt daarom niet meer te ironiseren. Want: Jörg Haider was een fascist.
Dat hardop zeggen getuigt niet van een gebrek aan piëteit. Want als er in Oostenrijk eensgezindheid over bestaat dat over een dode niets dan goeds gezegd mag worden, dan wordt die eensgezindheid juist door het uitspreken van deze waarheid het meest recht gedaan. Want voor de fascisten is het toch goed als iemand die zonet tot legende geïdealiseerd werd een fascist was, en voor de antifascisten is het goed als het gezegd wordt.
Als er nu toch protest wordt aangetekend, dan komt dat doordat het eveneens tot de Oostenrijkse eigenaardigheden behoort dat zowel het merendeel van de fascisten als ook de meeste antifascisten niet precies weten wat fascisme is, hoe het in mentale patronen, in politieke ideeën, bedoelingen, en het handelen tot uitdrukking komt.
Dat heeft een eenvoudige reden. Het begrip fascisme betekent in Oostenrijk niet een vorm van politiek extremisme, maar is zelf een synthese van twee extremen die elkaar wederzijds opheffen: aan de ene kant staat het voor iets zo afschuwelijk demonisch dat alleen een demon, maar nauwelijks een echt mens eraan beantwoordt. Tegelijk wordt het door bezorgde zielen die bij elke gelegenheid niets minder dan fascisme opsnuiven zo gebanaliseerd dat het ten slotte op bijna alles en iedereen betrekking heeft, en daardoor in feite op niemand meer.
Als men deze uitholling van het begrip fascisme verdisconteert, komt men al dichter in de buurt van Jörg Haiders kameleontische ambivalentie en van de redenen waarom hij politiek zo moeilijk geduid kan worden.
Jörg Haider is van jaargang 1950 en behoort dus tot de generatie die vandaag de dag doorgaans als ‘de 68’ers’ wordt aangeduid. Vreemd dat dit in de discussies over hem nooit aan de orde werd gesteld. Men moet zich dat voorstellen: een ongetwijfeld intelligente jongeman die in een tijd waarin alom mensen van zijn leeftijd rebelleerden en met hun nazi-vader en de vadergeneratie braken, juist dit niet deed: breken met zijn ouders, die niet alleen nationaal-socialistisch belast waren, maar de nazi-ideologie nog steeds trouw waren. Hij heeft het eenmaal verklaard: hij had van zijn ouders zoveel liefde ervaren dat hij hun wereldbeschouwing, hun levensloop en hun handelen onmogelijk ter discussie kon stellen. De toevoeging dat hij, het kind van de democratische Tweede Republiek, zijn ouders als ‘loepzuivere democraten’ had ervaren omdat ze ‘altijd waren gaan stemmen’, kan men als latere cynische frase of als uiting van de toenmalige stand van zijn politieke ontwikkeling zien.
Maar de tijdgeest ging in die vormende jaren toch door hem heen: het principieel ketterse, anti-autoritaire, speels-brutale moet hem gefascineerd, gestempeld hebben, de gevierde macht van de fantasie en haar leus ‘de fantasie aan de macht’ evenals de toenmalige reconstructie van socialisme en gerechtigheid, vooral de alom bediscussieerde tegenspraak tussen rechtvaardigheidsgevoel en burgerlijk recht.
Hij studeerde rechten en nam dit mee: de ideologische fetisjering van de fantasie, plezier in het ketterse en een scheef rechtvaardigheidsgevoel – hij ervoer als onrecht wat van zijn ouders na 1945 gevergd was toen zij, die toch altijd alleen maar idealistisch het beste wilden, voor korte tijd hun burgerrechten hadden verloren en ertoe gedwongen waren het verraad van hun idealen te huichelen. Dit zou gedurende zijn gehele carrière karakteristiek voor hem blijven: met het gebaar van het ‘natuurlijke’ rechtsgevoel als gestudeerde jurist fantasievol het recht breken.
Als hij ’68 niet als een spons had opgezogen, was hij, met zijn trouw aan de familie, een extreem-rechtse sektariër geworden, een leider zonder volk. Maar als hij op ’68 consequent had gereageerd en de breuk met zijn ouders had voltrokken, had hij kunnen worden waar hij steeds weer voor zichzelf aanspraak op had gemaakt: de politieke erfgenaam en opvolger van Bruno Kreisky.
Maar dit zijn speculaties en alleen in zoverre gerechtvaardigd als Jörg Haider zelf zich steeds weer in die zin heeft uitgelaten.
In elk geval was hem in deze tegenspraak tussen begrip voor het nationaal-socialisme en gefascineerd zijn door ’68 tweeërlei duidelijk – en men kan dat als hegeliaanse opheffing van een tegenspraak opvatten: ten eerste dat ‘zuivere’ nazi-nostalgie en ‘zuivere’ nazi-doelen maatschappelijk definitief passé waren; ten tweede dat een jeugdig anti-autoriteitsgeloof, dat in laatste instantie zelf een nieuwe vorm van het autoritaire acceptabel maakte, een samenleving in beweging kon brengen.
Waar kom je uit als je alle specifieke nazi-doelen opgeeft die inderdaad politiek passé waren? De droom van een groot-Duits Rijk met ‘Anschluss’ van Oostenrijk, de militaire bewapening ten dienste van veroveringsoorlogen, de fysieke vernietiging van joden, ‘andersoortigen’ en politieke tegenstanders – als je dat van het nationaal-socialisme aftrekt, kom je in Oostenrijk onvermijdelijk uit bij het austrofascisme. Programmatisch niet per se in elk detail, maar in ieder geval qua karakter. En dat karakter werkt politiek door: de austrofascist wil een autoritair geleide staat, vervangt vernietiging door uitsluiting, ‘Blut und Boden’ door ‘Heimat’, racisme door rabiaat patriottisme, en de austrofascistische politieke leider interpreteert grondwet en rechtssysteem als zaken die je naar je hand kunt zetten.
Dat het austrofascisme van Haider niet de muffe geur had van het Oostenrijk uit de jaren dertig (Dollfuss en Schuschnigg), kwam doordat hij het met de bravoure van een studentenleider uit ’68 verkocht. Jong, onbekommerd brutaal, fantasievol, de autoritaire manie als anti-autoritaire manier verkopend. Maar zij voor wie het bestemd was begrepen hem: Jörg Haider was de eerste studentenleider die ook door de oudere generatie werd bejubeld. Hij was voor hen ‘ons joch’, de appel niet al te ver van de boom.
Maar dat Haiders austrofascisme niet als zodanig herkend werd, lag niet aan de jeugdige brutaliteit waarmee hij optrad, het lag aan het Oostenrijkse fascismebegrip zelf. In Oostenrijk wordt, zoals gezegd, het fascisme in de eerste plaats met de systematische misdaden van het nationaal-socialisme geassocieerd, of anders met willekeurige stoeipartijen aan stamtafels of in biertenten. Als alleen datgene fascistisch genoemd wordt wat met de begripsbepaling van het nationaal-socialisme overeenkomt, dan was Haider geen fascist. Maar als alles fascistisch genoemd wordt wat enkel kenmerkend is voor het autoritaire karakter van de buurman en door de overgrote meerderheid van een democratische staat maatschappelijk normaal gevonden wordt, dan is niets en niemand fascistisch, ook Haider niet.
Het probleem van het austrofascisme is dat het, anders dan het nationaal-socialisme, nooit gesanctioneerd noch verwerkt werd. De moordenaars van de Weense arbeiders en de ondergravers van de democratie hoefden zich nooit af te vragen of ze niet ook fouten of zelfs misdaden hadden begaan, integendeel: omdat ze als concurrerend fascisme tegen het nationaal-socialisme en Hitler waren, ontpopten ze zich na 1945 plotseling als verzetsstrijders en antifascisten. Terwijl de nazi’s ‘heropgevoed’ werden, konden zij zonder mankeren hun wereldbeschouwing naar de heropgerichte Oostenrijkse republiek meenemen. Toen voor de nazi’s de herwaardering van hun waarden noodzaak werd, konden de austrofascisten volstaan met de herformulering van alle termen. Hun fascisme heette nu ‘patriottisme’, en ‘klerikaal’ werd in het politieke programma een keurig ‘christelijk’. Dit fascisme kon in het maatschappelijk bewustzijn een onschuldig aura krijgen, omdat het immers tegen Hitler was, en nu is het dat pas goed. Het hoeft niet terug te grijpen op oude symbolen, omdat alles nu symbool van het patriottisme kan worden, liefde zowel als haat, sentimentaliteit ten aanzien van de inheemse natuur in elke zin van het woord zowel als grove uitsluiting van buitenlanders, sociaal gedeclasseerden en andere ‘klaplopers’. Het hoeft ook niet terug te grijpen op oude programmapunten, omdat het ze naar nu kan vertalen, het heeft niets tegen het parlement, waarvan het de rechten door het reglement van orde kan beknotten of verlammen. Het heeft niets tegen een democratische grondwet, omdat het van geval tot geval in staat is voor het schenden van deze grondwet een meerderheid te organiseren.
Er zit een simpele logica in het feit dat Jörg Haider verkiezing na verkiezing winst boekte. Zijn vlotte ‘Oostenrijk eerst!’-patriottisme oogstte wat bij de wederopbouw van de republiek gezaaid was. En het is al heel logisch dat het, toen Haiders partij (FPÖ) groot genoeg was geworden, tot een coalitie van de moderne austrofascisten met de opvolgers van de oude austrofascisten (ÖVP) moest komen. Deze coalitie was het ware Oostenrijk op basis van een Oostenrijk-ideologie die tevoren, toen Jörg Haider er nog niet was, algemeen werd gedragen. En de kritiek op deze coalitie was – goed geraden! – onvaderlands, internationalistisch en anti-Oostenrijks.

Sociaal-democraten (SPÖ) en Groenen maakten twee fatale fouten. Ze roken weliswaar fascisme, maar konden het niet begrijpen. Ze konden alleen Haiders verwantschap met het nazi-gedachtegoed constateren, resten van de vorming door zijn ouderlijk huis, maar zagen niet hoe werkzaam die verwantschap al lang was. Het werd een automatisme om bij elke gelegenheid waarschuwend ‘Nazi! Nazi!’ te roepen, wat echter geen van zijn kiezers te denken gaf en tot anders denken kon aanzetten. Want ze waren geen nazi’s, zagen zichzelf met enig recht niet als nazi’s en konden niet begrijpen dat Haider en zij als zijn kiezers nazi’s zouden zijn – ze waren toch alleen maar ‘patriotten’, rabiate, maar volgens de geldende consensus onschuldige ‘patriotten’.
Zo kon het Haider-kritische Oostenrijk niet zien dat het gevaar niet Haider heette, maar Schüssel, de leider van de christen-democraten (ÖVP). Het moderne, brutale austrofascisme had het oude, muffe, maar naar de parlementaire democratie gewende austrofascisme nodig om een meerderheid met staatswijding te vormen en zo pas goed tegen de ‘rode tronies’, de ‘nestbevuilers’, de buitenlanders tekeer te kunnen gaan, onder de titel ‘modernisering van Oostenrijk’. Daarvoor stond in de ÖVP de juiste man te rechter tijd klaar. Onder Schüssels voorganger Busek zou dat nog niet gegaan zijn, onder Schüssels opvolger Molterer heel misschien, onder de huidige Pröll niet meer. Het gevaar heette Wolfgang Schüssel, alleen hij kon van Haiders brutaal-tegenstrijdige, anti-autoritair-autoritaire austrofascisme definitief Oostenrijkse staatsraison maken. (De harde economische belangen die de ÖVP daarachter verstopte zijn een hoofdstuk apart.) En daarop waren sociaal-democraten, Groenen en de kritische intelligentsia niet voorbereid.
Hun tweede fout was niet het verschil te begrijpen tussen kritiek en de consequentie die je daaruit trekt. Veel wat Haider op grove wijze bekritiseerde verdiende inderdaad kritiek. Niemand kan politiek succes hebben die niet de onderwerpen aansnijdt die de mensen beroeren, die niet een situatie bestrijdt of lijkt te bestrijden waaronder velen lijden of die hun minstens op de zenuwen werkt. De vraag die het verschil tussen partijen uitmaakt is welke consequenties je uit die kritiek trekt, welke oplossingen je voorstelt. Haiders talent bestond erin van alles terecht ter discussie te stellen, en vervolgens geloofwaardig te zijn ook als hij verkeerde antwoorden gaf. Maar voor allen die Haiders mentaliteit afkeurden werd het een vanzelfsprekendheid, een automatisme alleen al zijn kritiek te bekritiseren en af te wijzen, alsof antifascisme zich alleen al kon bewijzen door verbeten te verdedigen wat een fascist bekritiseert, in plaats van zelf verstandiger oplossingen voor te stellen.
Tientallen jaren had de linkse intelligentsia bijvoorbeeld de Oostenrijkse schaduwregering der sociale partners bekritiseerd; maar toen Jörg Haider het verbond van werkgevers en werknemers frontaal aanviel, schoten de linkse intellectuelen als in een reflex in de verdediging. Dat leidde tot een schizofrenie waarin zakelijke discussies niet meer mogelijk waren. Haider kreeg aanhang omdat hij bekritiseerde wat velen bekritiseerden, zijn tegenstanders verloren stemmen omdat ze deels tegen beter weten in het bekritiseerde verdedigden. Had Haider gezegd dat twee maal twee vier is, dan hadden de antifascisten een nieuwe wiskunde uitgevonden. Had hij de strijd tegen de klimaatverandering tot voorwaarde van de coalitie gemaakt, dan hadden de Groenen in de oppositie kolencentrales geëist. Op die manier is toen door wederzijdse en gemeenschappelijke schuld in Oostenrijk meer aan politieke cultuur kapotgemaakt dan tevoren scheen opgebouwd. Het succes van Haider en het wansucces in de confrontatie met hem hebben een politiek klimaat geschapen waarin alleen nog patriottisch populisme mogelijk lijkt, en politieke verschillen alleen nog hieraan worden gekoppeld of de populist populair is of niet. Wolfgang Schüssel, het prototype van de populist die niet populair is, is zelf aan deze geest die hij opriep ten onder gegaan. Niet hij heeft Haider ‘bedwongen’, zoals men nu ziet, hij is veeleer langs de meetlat-Haider, waarmee hij meende te spelen, te klein bevonden.
Omgekeerd werd het politieke denken in Oostenrijk tegelijk verziekt doordat nu ieder die politieke doelen formuleert die op brede instemming van de bevolking kunnen rekenen meteen als populist wordt gebrandmerkt. Dat is nu het probleem van Werner Faymann, de nieuwe leider van de sociaal-democraten (SPÖ). Maar helaas niet alleen dat van hem.
Haider is dood. En wij allen moeten met hem leven.

Vertaling Paul Beers

Van Robert Menasse verscheen onlangs, na De verdrijving uit de hel, de roman Don Juan de la Mancha. Zijn essays zijn verzameld in Das war Österreich, waarvoor hij de Oostenrijkse Staatsprijs voor Cultuurpublicistiek ontving