Halfstok

Rond Koninginnedag blader ik vaak wat in De slag om de Blauwbrug van Adri van der Heijden. De verteller in het boek is op 30 april jarig en wat hem betreft had z'n moeder hem liever wat langer ­‘binnen’ gehouden: ‘Ik was nooit jarig geweest en zou nooit jarig zijn. Mijn verjaardag was altijd ­opgegaan in een oneindig veel groter feest. Er volledig door opgeslokt, als een kleine vis door een grotere.‘

Op het moment dat u deze woorden leest, is het waarschijnlijk mijn eigen verjaardag. Nog maar nauwelijks hadden mijn ogen het aardse licht aanschouwd of alle vlaggen gingen halfstok. Mijn verjaardag is niet, als bij Albert Egberts, opgeslokt door een groter feest, maar heeft altijd een merkwaardig rouwrandje dat de feestelijkheden met somberte injecteert.

In mijn herinnering zie ik mij zitten in verschillende restaurants waar tegen achten ineens de muziek stilvalt, de bediening zich discreet terugtrekt, terwijl buiten auto’s en zelfs fietsers bevriezen. Iemand greep de afstandbediening en drukte de pauzeknop in.

Ik zie straten vol vlaggen in treurstand en in één huis hangen slingers. De klokken galmen traag, plechtstatig op de Waalsdorpervlakte en uit één huis klinken twee violen en een trommel en een fluit.

Overigens ben ik eraan gewend geraakt, gehecht waarschijnlijk ook. Ik heb er een grote voorliefde aan overgehouden voor het samengaan van het feestelijke en het tragische, in fictie, nonfictie, en alles daarbuiten.

Over die twee minuten: waar dénk je dan aan? Mijn ouders zijn van vlak na de oorlog. Zij hebben er dus geen actieve herinneringen aan, al zullen de verse puinhopen wel hun jeugd gekleurd hebben. Bij mij is die hele geschiedenis al wat abstracter, en voor mijn kinderen zal het nog meer ‘een verhaal’ zijn, en worden die twee minuten stilte van vergelijkbare orde als het haring en wittebrood dat ze in Leiden op 3 oktober eten. Bevrijdingsdag. Jawel, van de Spanjaarden, in 1574. Die hadden buiten de stad een enorme pan achtergelaten waar de uitgehongerde Leidenaren zich aan te goed deden (zo gretig, dat ze daarvan alsnog stierven, voegde één leraar er vaak gniffelend aan toe). Was dat waar? En ook dat die pan door één jongetje gevonden was? En ook dat de burgemeester zijn linkerarm aan de bevolking aanbood?

Na een tijdje verandert geschiedenis in fictie, of beter gezegd: na een aantal ­generaties zijn de ooggetuigen verdwenen en dempt het ­onderscheid tussen reële geschiedenis en ­mythologie.

Waarom begon de Trojaanse Oorlog? Omdat Paris een gouden appel aan Aphrodite uitreikte. Waarom de Tweede Wereldoorlog? Omdat nazi-Duitsland Polen binnenviel. Waarom maken we grappen op 1 april? Zelfs dat weten we al niet meer met zekerheid. Zelfs de geleerden zijn er niet over uit of er een historische gebeurtenis aan ten ­grondslag ligt (de inname van Den Briel door de Watergeuzen) of een mythologie (de Romeinse Saturnalia, geëvolueerd in het middeleeuwse ­Zottenfeest).

Zo kunnen die twee minuten stilte over een jaar of tien, twintig (vijftig?) ook steeds verder van hun bron af zijn gedreven, en veranderd zijn in een ritueel dat vergelijkbaar is met paaseieren zoeken, hutspot eten of 1-aprilgrappen maken. Met 5 mei lijkt me dat trouwens al het geval. Al die popfestivals verhouden zich tot de bevrijding van de Duitse bezetter als Pinkpop tot het uitstorten van de heilige geest en het spreken in tongen. Wat die festivalbezoekers betreft is het allebei even mythologisch.

Hoe gebeurt het, dat historie omslaat in fictie? Feitelijk doet ons eigen geheugen het ook. Wat ik ervan begrepen heb worden herinneringen steeds gekopieerd in de hersenen (‘het brein’ moet je dan zeggen, want dat klinkt wetenschappelijker). Geschiedvervalsing gebeurt al in de eigen hersenpan. Je vertelt gebeurtenissen na, polijst ze ongemerkt, vult ze aan met verhalen die je er van anderen over hoort, maakt rond wat in werkelijkheid rafelig was, je selecteert, verdringt, redigeert. Gebeurtenissen kun je alleen conserveren in de ­verpakking van fictie. En daar staan ze dan, ingeblikt op de planken van je geheugen, naast die andere blikken, waar mythologie in zit. Maar wie ziet het verschil, zeker wanneer het etiket verbleekt is?

Albert Egberts citeert Nietzsche, die óók op de verjaardag van zijn koning verjaarde (15 oktober, net als Egberts’ schepper trouwens), een dag die daardoor ‘al mijne kinderjaren door’ een feestdag was.

Nietzsche was juist blij met het lot dat Egberts vervloekte. Van kinds af aan hing Nietzsche kennelijk al zijn amor-fatigedachte aan, de liefde voor het eigen lot. Ik neig daar ook naar, prijs me gelukkig dat ik bij elke verjaardag even herinnerd word aan het exacte fotonegatief van een verjaardag. En bij elke vlag die ik halfstok zie hangen voel ik toch even iets opgetogens. Onder de plechtige klanken van het taptoesignaal hoor ik altijd een contrapuntisch hieperdepiep.