Vluchtelingenverhalen

Hallo allemaal!

Wie in vluchtelingen uit Soedan alleen maar slachtoffers ziet, stemt in met het werk van de beul. In Out of Exile, verhalen van Soedanezen in de diaspora, komen de emigranten de lezer nabij. Het boek kwam tot stand onder voogdij van Dave Eggers.

  1. Joris Luyendijk, dan correspondent van NRC Handelsblad, bezoekt een vluchtelingenkamp in Zuid-Soedan. De situatie is rampzalig: dichtgetimmerde huizen, kinderen met hongerbuikjes, wanhopige moeders. Dit is overduidelijk nieuws, want te kwalificeren als een ‘humanitaire catastrofe’. Luyendijk slikt zijn tranen weg en neemt een deemoedige houding aan ten aanzien van het leed waarover hij moet berichten. Totdat hij in de derde vluchtelingenbarak die hij aandoet opeens een bevlieging krijgt en zo opgewekt mogelijk 'Hello everybody!’ roept. Dan voltrekt zich een klein mirakel. De barak komt tot leven. Meisjes beginnen te giechelen, een jongetje grijpt nieuwsgierig naar de knieën van de reporter, moeders heffen lachend hun hand. Plots ziet dat intrieste vluchtelingenkamp er heel anders uit.

Nieuws bereikt ons alleen in voorgekauwde formats en wordt, met name in oorlogsgebieden, sterk gemanipuleerd door het dominerende regime. De lessen die Luyendijk in Het zijn net mensen onderwees, kunnen leiden tot cynische gevolgtrekkingen. Namelijk dat het geen enkele zin heeft om in een dictatuur journalistiek werk te verrichten, of erger: dat het geen zin heeft je in dergelijke journalistiek te willen verdiepen. Maar een journalist kan natuurlijk wel degelijk nóg verder gaan en proberen met de vluchtelingen in gesprek te komen. Precies dat gebeurt in Out of Exile, waarin zeventien Soedanezen vertellen over hun vlucht uit het land. Het boek kwam tot stand onder voogdij van Dave Eggers, maar het meeste veldwerk werd gedaan door een onbekende Amerikaanse student politicologie, Craig Walzer. Hij sprak met Soedanezen in Caïro, hoofdstad van de Soedanese diaspora, en bezocht meermaals vluchtelingenkampen in Kenia en Soedan zelf. Hij schreef ook de sterke inleiding, waarin meteen duidelijk wordt waarom dat 'Hello everybody!’ van de Nederlandse correspondent toch méér dan een aardigheidje was. Luyendijk durfde de vluchtelingen, die zo overduidelijk slachtoffer waren geworden, opnieuw als mensen te benaderen. Met mensen kun je lachen, met slachtoffers niet. Mensen hebben een verhaal te vertellen.

Voor Walzer is dit het hoofddoel van Out of Exile: door het beschaafde pantser van afstandelijk medelijden heen breken en de lezer laten zien dat achter het anonieme woord 'vluchteling’ steeds reële personen schuilgaan. Dat doet Walzer door zo zorgvuldig mogelijk hun verhalen op te tekenen, en te vragen naar hun liefdes, hun angsten, hun ambities. En, niet in de laatste plaats, door ontvankelijk te zijn voor zowel hun woede als humor.

Neem Tarig Omer, 33 jaar oud, afkomstig uit Karthoum, de hoofdstad van Soedan en momenteel woonachtig in Caïro, Egypte. Zijn moeder was een bekend illustratrice van kinderboeken, zijn vader een parlementariër voor de communistische partij. Werd als kind bijna overreden op weg naar de winkel, maar kwam er vanaf met een gebroken tand, die werd vervangen door een platina exemplaar. Moest in de jaren daarna iemand boodschappen doen bij de familie Omer, dan werd meteen geroepen: 'Niet Tarig, dat kost ons alleen maar een fortuin aan tanden!’ Als Tarig veertien is wordt zijn vader gearresteerd. Twee maanden later moet ook zijn moeder meekomen naar het bureau, deze keer om het lijk van haar man op te halen. Op de begrafenis huilt Tarig niet, dat heeft hij zijn moeder beloofd. Hij wil sterk zijn. En hij wil Engels leren spreken, net als zijn vader dat kon. Enkele jaren later schrijft hij zich in op de universiteit van Omdurman en wordt actief bij de liberale partij. Dat gaat lang goed, maar na een kritische speech over de oorlog in Zuid-Soedan wordt hij gearresteerd. Veiligheidsagenten nemen hem mee, binden hem vast aan een stoel en slaan hem herhaaldelijk met een stok.

'Ben jij een moslim?’ vraagt Tarig de meest fanatieke onder hen.
'Ja, en een betere dan jij bent’, antwoordt de man.
'Waarom?’
'Omdat jij tegen de regering bent en de zuiderlingen steunt.’
Tarig gaat met de man in discussie. Hij zegt dat de zuiderlingen slachtoffers zijn van de Soedanese regering, die de luchtmacht gebruikt om hen te bombarderen. De agent houdt vol dat zijn missie een heilige is, waarop Tarig zegt dat zelfs de profeet zijn onderdanen niet zou mogen slaan en dat het gedrag van de agent een belediging is voor de islam. De volgende dag draait de agent bij. Hij doet poeslief tegen alle gevangenen en wordt een week later naar een andere afdeling overgeplaatst. Het incident geeft Tarig hoop: het is mogelijk om dogmatische leugens met woorden te bevechten. Zelfs in Soedan. Na zijn vrijlating vlucht Tarig naar Caïro. Hij neemt één boek mee, Gabriel García Márquez’ Honderd jaar eenzaamheid. Niet bepaald een optimistisch boek voor wie zijn land verlaat. In Caïro leert hij Engels aan de American University, en werkt daarna onder meer als tolk. Via de UNHCR kan hij aanspraak maken op een 'resettlement’, dat wil zeggen immigratie naar onder meer Canada of de Verenigde Staten. Maar eigenlijk wil hij niet weg, want met migratie naar het Westen is zijn probleem niet opgelost. Die oplossing ligt in Soedan, zijn vaderland.
Zo hebben Soedanezen op de vlucht ieder hun eigen verhaal. De gedreven Mubtaga (32) studeerde antropologie en sociologie, werkte bij de VN en USAid en moet uiteindelijk naar Caïro vluchten omdat haar broers niet toestaan dat ze met een zwarte moslim trouwt - terwijl de ouders van haar man niet willen dat hij een vrouw uit zo'n bekrompen islamitisch gezin huwt. Of neem het schokkende levensverhaal van de beeldschone Alweel (33), die als kind moet vluchten als haar dorp in Zuid-Soedan wordt geplunderd. ('Ik was tien toen mijn vader werd vermoord. Mijn moeder raakte ik die dag kwijt en ook mijn oom stierf’). Ze wordt ontvoerd door een gewapende militie, maar weet te ontsnappen richting Khartoum. Op haar zeventiende trouwt ze met de broer van een vriendin, die haar tijdens een tweede zwangerschap van ontrouw beschuldigt. De rechter gelooft haar man, die haar na de rechtszitting zodanig mishandelt dat ze een miskraam krijgt. Als haar man later tegen het regime in opstand komt, wordt hij vermoord. Alweel zelf wordt verkracht. Als gevolg daarvan krijgt ze een derde kind. Ze vlucht naar Egypte, maar moet haar oudste zoon achterlaten bij haar schoonouders. Pas na opnieuw naar Soedan te reizen kan ze ook haar oudste zoon naar Caïro overbrengen. Terug in Egypte wordt ze door drie Egyptische politieagenten gedwongen tot orale seks. Met een advocaat doet ze aangifte, waarna ze meermaals moet onderduiken. Ondanks alles lijkt ze zelf niet van plan de strijd op te geven. Haar laatste woorden in het interview luiden dat ze sterk moet zijn, juist in zulke situaties.

Dat de emigranten in Out of Exile de lezer zo nabij komen is in de eerste plaats een journalistieke prestatie van samensteller Walzer en supervisor Eggers. Ze hebben ervoor gekozen elk gesprek als monoloog weer te geven, voorafgegaan door een korte schets van de interviewomstandigheden: 'Mugtaba had been a refugee for about a 100 hours when this interview was conducted. In a flurry of impeccable English, she spoke about what brought her to this point.’ In sommige gevallen is er ook een naschrift, zoals bij het gesprek met Mathok, lid van een Soedanese jeugdbende in Caïro, die zes weken na het interview werd vermoord in een straatgevecht; hij ligt begraven in Khartoum, in zijn vaderland. Walzer neemt de ruimte, waardoor ook die bijzaken aan bod komen waarin de identiteit van elke verteller besloten ligt, waardoor identificatie met hun levens mogelijk wordt. Denk aan de tand van Tarig Omer.

In het voorwoord roemen initiatiefnemers Valentino Achak Deng en Dave Eggers de 'novellistic scope’ van de monologen. Dat is volkomen terecht. Als literaire tekst kan Out of Exile, voor wat het waard is, zelfs hoger worden aangeslagen dan Eggers’ roman What Is the What. Dat boek verhaalde uitgebreid over het bewogen jonge leven van de genoemde Achak Deng, die op zeer jonge leeftijd Soedan in een barre voettocht ontvluchtte. In What Is the What deed Eggers veel moeite om het verhaal van de vlucht en de politieke achtergronden ervan door Valentino te laten vertellen. Dat streven naar ongedwongenheid leidde soms paradoxaal genoeg tot geforceerde passages. In de meervoudige monologen van Out of Exile gaat het er meer naturel aan toe. Iedereen mag er zonder romaneske opsmuk zijn eigen verhaal doen, in woorden die grammaticaal zijn aangepast, maar nooit syntactisch gepolijst.

Wil dat dan zeggen dat Out of Exile als verhalend document teleurstelt? Jacq Vogelaar stelde al in een ander verband (Over kampliteratuur) dat biografische boeken over de kampen in de eerste plaats piëteit oproepen omdat er overduidelijk een slachtoffer aan het woord is. Opvallend is dat de vertellers in Out of Exile nooit lang blijven stilstaan bij het leed dat ze ondergingen. In beknopte zinnen als 'While they told me to be quiet, they raped me’ en 'I didn’t have any idea because they shot a lot of people, all men’ wordt de wreedheid kort vermeld - niet uitgebreid beschreven. Schaamte speelt daarbij vermoedelijk een rol, en natuurlijk ook de moeilijkheid passende woorden voor die letterlijk onvoorstelbare gebeurtenissen te vinden. Maar er kan nog iets anders meespelen, namelijk een zeker wantrouwen jegens al te nieuwsgierige toehoorders. Vogelaar citeerde in dit verband de Poolse Barbara Skarga, overlevende van de Goelag, die opmerkte dat men van haar vaak de meest gruwelijke verhalen wilde horen; luisteraars waren vooral nieuwsgierig naar situaties van extreem fysiek lijden. Eenzelfde observatie deed Valentino al in What Is the What.

Out of Exile probeert de gruwel in een oorlogsgebied niet te verbeelden. Dus geen afschuwelijke details, maar het verhaal van een mensenleven vóór en na een mislukte poging dat leven volkomen te verwoesten. Dit alles opdat de lezer zich het lot van deze Soedanese vertellers zal aantrekken.

Dat is althans het idee en ideaal. Of dat werkelijkheid wordt is nog maar de vraag. Samensteller Walzer vertelt in de inleiding over het enige interview dat hij voortijdig moest afbreken, en wel omdat een Soedanese opeens de zin van de hele onderneming niet meer inzag. Al jaren vroegen hulpverleners naar haar verhaal, en al jaren werd er substantiële hulp beloofd. Maar in haar leven, in een sloppenwijk buiten Nairobi, was er sindsdien helemaal niets veranderd. 'Bent u echt in staat om ons te helpen?’ had ze de Amerikaanse interviewer gevraagd. Natuurlijk, antwoordde die aanvankelijk, want door dit boek zullen mensen in Amerika en Europa zich meer bewust worden van je situatie. Maar al argumenterend raakte hij in zijn eigen woorden verstrikt. Eigenlijk wist hij het zelf ook niet meer, en kon hij ten slotte niet meer zeggen dan dat het hem speet. 'I’m sorry, I don’t know what to say.’ Als hij later deze woorden opschrijft en het boek persklaar maakt, denkt Walzer: 'I wish I had had a better answer.’
Op sommige vragen kan onmogelijk antwoord worden gegeven. Soms is aandacht en een luisterend oor wel degelijk het begin van verandering. Hello everybody!