Barry Hay

Hállo Bèh-rie!

Barry Hay, de frontman van Golden Earring, vertelt zijn levensverhaal. Het is de geschiedenis van een band, maar bovenal een schelmenroman, waarin de hoofdpersoon zijn omgeving voortdurend inpalmt met zijn sex-appeal en zijn bravoure.

Medium barry hay

Jaren geleden zag ik hem onverhoeds in een broodjeszaak staan in Den Haag. Ik weet niet wat het was – de zonnebril, de lange leren jas, de grijns – maar hij was te groot voor deze zaak, deze stad, dit land. Alsof hij zich niet in zijn volle lengte kon uitrekken zonder het gevaar te lopen dat zijn hoofd het plafond zou raken. Een reus, dacht ik.

Een grote vriendelijke reus, denk ik nu ik zijn levensverhaal heb gelezen zoals hij dat verteld heeft aan journalist Sander Donkers. In Hay rijst een wonderlijk beeld op van een rockster die gevaarlijk en huiselijk tegelijk is. Van iemand met wie het ook slecht had kunnen aflopen, maar die kennelijk een goeie neus heeft voor de juiste mensen om hem heen. Donkers behoort nu ook tot die stal, want hij ontpopt zich – met zijn achtergrond als muziekjournalist van Vrij Nederland – tot de perfecte biograaf, met de juiste mengeling van nieuwsgierigheid, bewondering en spot. Wat een lol moet hij hebben gehad met Hay!

Het levensverhaal van Barry Hay leest als een roman van Dickens. Of een sprookje van Grimm. Daar is de kwaaie moeder om te beginnen, die haar zoontje onverhoeds van de warmte in de kou neerzet. Ze ontvoert hem uit het paradijselijke India waar hij in 1948 werd geboren als zoon van een knappe Schots-Indiase militair die zijn ravissante joods-Nederlandse moeder, later stewardess, op Java had leren kennen. Met smaak kan Hay vertellen over zijn vroegste herinneringen, hij sprak vloeiend Urdu, was gek op Indiaas eten, én op zijn vader. Een vader die hij nooit meer zal zien, en wiens brieven werden onderschept door de moeder.

Naarmate het onderwerp gevoeliger wordt, noteert Sanders, wordt de toon van Hay nonchalanter. En wordt er nog maar eens een flesje witte wijn ontkurkt. Met heel veel mitsen en maren geeft Hay toe dat zijn moeder hem beschadigd heeft voor het leven, met haar manipulatieve gedrag. Hij werd naar kostschool gestuurd en werd aan nieuwe liefdes voorgesteld als haar broertje. Aan de andere kant was ze idioot intiem met hem. Ze vond dat hij leuk zong, regelde zijn eerste gitaar voor hem; én zorgde ervoor dat hij – hij was dertien – twee liedjes kon zingen in een of andere club. Beloning? Na afloop mocht hij in de kleedkamer komen bij de danseressen. Niet alleen kon hij dan de borsten van dichterbij zien, ook mocht hij er even aan zitten. Had zijn moeder geregeld. ‘Ach laat hem effe, hij is zo geil.’

Ik moet bekennen dat de enige andere (auto)biografie van een rockster die ik tot me heb genomen die van Anthony Kiedis is, voorman van de Red Hot Chili Peppers. Een andere band op een ander continent, maar toch zijn er nogal wat overeenkomsten in de verhalen van deze knappe mannen. Misschien zijn het de ingrediënten van ieder rock-’n-roll-bestaan – meisjes, drugs, alcohol, tattoos, mismanagement, kameraadschap – maar de menselijkheid van beide verhalen, en het geheugen van de vertellers, trof me. Daar komt bij Hay dan nog eens de humor bovenop, en de zelfrelativering.

Bekende mensen zijn ze geworden, zonder dat ze Bekende Nederlanders werden met gekke bijbaantjes of sterallures

De Golden Earring komt ook in dit verhaal naar voren als een club van jongens die elkaar al hun hele leven kennen, en elkaar op de grond houden. Alleen met een soort onverwoestbare Hollandse nuchterheid én een enorme ambachtelijkheid konden ze zich ontwikkelen van Haagse beatband, via underground rockband tot de grote popband die ze nu al decennia zijn, maar die zichzelf toch voortdurend opnieuw uitvindt. Muzikaal altijd spannend, en origineel, met een aureool van entertainment, toegankelijkheid, plezier. Ieder heeft zijn rol en speelt zijn deel: Hay de exotische sexy frontman – hoe hij zijn lichaam op peil houdt is een krankzinnig verhaal op zich –, Kooymans de enigmatische gitarist, en – zoals ook uit de recente en zeer vermakelijke documentaire The Beat behind Golden Earring bleek – de muzikale trein Gerritsen en Zuiderwijk, de ritmesectie van ‘vloeibaar beton’. Bekende mensen zijn ze allemaal geworden, zonder dat ze Bekende Nederlanders werden met gekke bijbaantjes of sterallures.

Hay is de eerste om te zeggen dat hij wel héél erg genoot van het Amerikaanse succes, en eventjes een zeer irritant mannetje dreigde te worden. Maar toen – het sprookje gaat verder – kwam hij Sandra tegen, met een nog een tikkeltje erger beschadigde achtergrond. Een ontroerend _My Fair Lady-_verhaal ontpopt zich dan, met een plat pratend meisje dat zich snel ontwikkelde tot baken en rots, en huize Hay aanstuurde met gouden hart en straffe hand. Een vroegere vriendin verweet hem nog dat hij van niemand kon houden, hetgeen door Hay ook zonder meer werd beaamd. Hij had meer verdriet van het overlijden van zijn hond dan van dat van zijn moeder. Met de entree van Sandra, en de komst van dochters Bella en Gina, was het veilige isolement waarin hij zich naar oude gewoonte opsloot voorgoed doorbroken.

Een sprookje dus, een schelmenroman, waarin de hoofdpersoon bijna zijns ondanks voortdurend zijn omgeving lijkt in te palmen met zijn verschijning, zijn sex-appeal, zijn bravoure. En het is natuurlijk het verhaal van een band. Het blijft iets magisch hebben, zo schijnbaar toevallig en achteloos als de bekende nummers geboren werden. Hay kan ongelooflijk smakelijk vertellen over de missers en de conflicten, en de financiële mist waarin ze een tijdlang verkeerden, met een bijna-faillissement tot gevolg. Wat is dat toch dat muzikanten altijd de pineut zijn van hun producenten?

Hay lezende wil je eigenlijk alleen maar meteen weer alles horen, en juist ook de nummers van het begin: het onsterfelijke Holy Holy Life, het mystieke She Flies on Strange Wings, en het zoete Another 45 Miles waarin droefenis klinkt, en heimwee. Ik zie het voor me, hoe Hay inmiddels op Curaçao zijn adresjes heeft, waar hij zijn haring haalt, zijn baantjes trekt, op een stretcher ligt te slapen, en waar altijd wel ergens een Ruwella of een Rowinda de allerbeste Bloody Mary voor hem mixt, of de allerlekkerste pinot grigio speciaal voor hem koud heeft staan. ‘Hállo Bèh-rie!’ schalt het hem tegemoet vanachter willekeurig welke strandbar.

En hij leefde inderdaad lang en gelukkig, in shorts en op slippers, onder de palmbomen, nooit ver verwijderd van glasgerinkel. De loomte, het gemak… Op Curaçao vond hij zomaar iets terug van vroeger, van India.


Beeld: Barry Hay (Karen Rosetzsky)