Rutger Wolfson, directeur van het IFFR

‘Hallo, kunnen we ons nog een beetje engageren?’

Rutger Wolfson, sinds 2007 directeur van het Internationaal Film Festival Rotterdam, vertelt over het festival als openbare ruimte en zijn ambities met film, hét Europese kunstmedium bij uitstek.

Medium  mg 8067

Op de openingsdag van het Internationaal Film Festival Rotterdam (IFFR) raken pro-Europese demonstranten en de oproerpolitie slaags op het Onafhankelijkheidsplein in Kiev, omgedoopt tot het Europaplein. De president weigerde het associatieverdrag met de EU te tekenen, voor de Oekraïners in het westen van het land is Europa hun enige hoop. Het conflict vormt een treffend decor voor de complexiteit van het thema van het filmfestival: ‘The State of Europe’, uit de koker van Rutger Wolfson.

Wegens ziekte heeft de directeur zelf weinig van het festival kunnen meemaken, maar hij vertelt graag over zijn missie. Europa dus, een idee dat hij heeft sinds de economische crisis, toen Europa echt het nieuws ging domineren. ‘Europa, best belangrijk, dat was de leus onder Balkenende en dat heb ik van huis uit ook meegekregen: Europa is een relevant project. Maar waarom ook al weer?’ Economische voorspoed en nooit meer oorlog, is het traditionele antwoord, maar dat was voor Wolfson niet voldoende. Hij nam plaats in de raad van advies van de Europese Beweging Nederland, naast hoogleraren en oud-staatssecretarissen.

Wat doet een filmfestivaldirecteur in een pro-Europese lobbygroep?

‘Ik ben daar echt een vreemde eend in de bijt, maar het is een manier om me in het onderwerp te verdiepen. Ik kom er mensen tegen van een paar generaties boven mij die echt nog aan Europa hebben meegebouwd. Zij zijn superbevlogen en komen met heel valide argumenten, maar ik merk dat ik toch van een andere generatie ben.’

Verhofstadt zei in NRC Handelsblad: ‘Wie de oorlog niet kent, kent de vrede ook niet.’

‘Ik ben erg geïnteresseerd in dat ideologisch vacuüm van deze tijd. Er is geen enkele samenhangende ideologie waar mensen in kunnen geloven, ook niet bij de politieke bewegingen die daar van nature een idee over zouden moeten hebben, en dat geldt zeker voor een onderwerp als Europa. Het kwartje viel bij mij pas later: film is natuurlijk hét Europese kunstmedium bij uitstek. Na de oorlog gingen veel mensen naar de bioscoop: in films konden ze eindelijk iets zien van de levens van andere Europeanen.’

Vinden ze daar de ‘Europese identiteit’ waar het IFFR over spreekt?

‘Als je kijkt naar de Europese cinema, dan krijg je vanzelf iets mee van de bijzondere kwaliteit van de Europese cultuur. Die identiteit wordt helemaal inzichtelijk wanneer je de Europese film afzet tegen de Amerikaanse of Aziatische. Amerikaanse film is uiteindelijk toch een eenheidsworst: er wordt maar één taal gesproken en de verhaalstructuren zijn vaak eenvormig, zeker in Hollywood. Amerikaanse mainstream film heeft vaak een heel uitgesproken moraal, terwijl Europese film moraalloos wil zijn. Hier moet de kijker zelf maar zijn oordeel vellen. In Aziatische films, zeker in de genrehoek, zitten enorme uitspattingen van geweld, maar daar is seksualiteit weer taboe. Ik denk zelfs dat het gewoon gevaarlijk is om in Hongkong bepaalde films te maken. Ik bedoel, zeg nou zelf, waar hoor je liever bij thuis? Bij die Europese filmtraditie, bij de Aziatische of in Hollywood?’

Op de 43ste editie van het IFFR kreeg ‘The State of Europe’ gestalte in verschillende programmaonderdelen. ‘Grand Tour’ werd een reis door de Europese cinema, van België en Spanje tot Polen en Frankrijk, ‘My Own Private Europe’ toonde persoonlijke verhalen uit Europa en ‘EU-29’ werd ingevuld met veel aandacht voor immigratie, speculerend op een toekomstige 29ste lidstaat.

Na het zien van films over industrieel Noord-Engeland, arm en ijzig Hongarije, hopeloos ouderwets Wallonië en romantisch Parijs kun je ook denken: wat zijn we toch ontzettend verschillend.

‘Ik heb ook niet een blind pro-Europa-programma willen maken om die verschillen te overbruggen, dat zou volstrekt naïef zijn. Natuurlijk zie ik ook allerlei grote problemen in Europa en kan ik me voorstellen dat mensen gedesillusioneerd zijn. Maar waar het mij om gaat, is dat we opnieuw met elkaar in gesprek willen gaan, for better or worse. Want nu hebben we het gewoon opgegeven. “Europa, ja ja… dat is toch één grote globale globalisering, klaar.” Hallo, kunnen we ons nog een beetje engageren? Met ons eigen leven en met onze eigen toekomst?’

Heeft ‘The State of Europe’ nieuwe visies opgeleverd?

‘De Chinese filmmaakster Xiaolu Guo (van de film Late at Night – Voices of Ordinary Madness) zei in een debat heel stellig: “Natuurlijk is Europa de toekomst.” In haar eigen land heerst een totale monocultuur, daar is verscheidenheid gevaarlijk en daar worden dus ook geen oplossingen voor de vragen van nu geformuleerd. Of tenminste, niet het soort oplossingen waar we gelukkig van worden. In Europa is niemand het met elkaar eens en is niemand hetzelfde, maar juist daarom is volgens haar het antwoord dat in Europa gevonden wordt van groot belang voor de toekomst van de rest van de wereld. Dat vond ik heel verhelderend.’

Moeten we niet oppassen dat we die verscheidenheid in Europa gaan romantiseren?

‘Ja natuurlijk. Als Afrikaanse immigrant onderdeel van die melting pot uitmaken is niet het leukste. Maar het grote probleem is dat we nu helemaal geen toekomst hebben. Terwijl, met gezamenlijke plannen zijn veranderingen voor mensen die de nadelige kanten van Europa ondervinden een stuk makkelijker te dragen. In Rotterdam bijvoorbeeld zijn we bang voor arbeidsmigranten uit Roemenië en Bulgarije. De grenzen zijn open, dat zal in bepaalde wijken problemen opleveren en mensen worden daar misschien heel boos over. Maar op het moment dat je meer van elkaar weet, dat je weet dat we ook samen ergens in geloven, is het feit dat er zo veel in je directe omgeving verandert, beter te accepteren.’

Vóór zijn functie bij het IFFR was Wolfson directeur van Stichting Beeldende Kunst Middelburg. De kunstwereld mist hij niet. Iedereen mag er dan ‘tien keer beter gekleed’ zijn dan in de filmwereld, in de kunstwereld draait alles om reputatie en symbolisch kapitaal, waardoor de onderlinge verhoudingen zijn gebaseerd op onzekerheid, en afgunst. Film is veel meer een industrie, een complex product dat vaak met eigen geld door de makers wordt gerealiseerd. In de filmwereld zijn kwaliteit en succes bovendien meetbaar: het gaat uiteindelijk toch om de box office. In 2003 stelde Wolfson de bundel Kunst in crisis samen, een verzameling essays over de crisis die hem nog altijd bezighoudt. ‘Je ziet heel sterk dat kunst lifestyle is geworden. Meer dan je zou willen zelfs, ben ik bang. Je wilt toch dat kunst een beetje de wereld gaat verbeteren.’

Dat wilt u vooral graag hè?

‘Wat wil jij dan? Dat kunst mooi is of zo?’ Wolfson lacht, ietwat verongelijkt. ‘Ik ben al tijden op zoek naar de maatschappelijke positie van kunst. Ik weet niet of ik dit beeld romantiseer, maar ik heb altijd het idee dat kunst in de jaren twintig en zestig van grote invloed was op de samenleving. Dat de ideeën van de artistieke intellectuele elite toen werden overgenomen door het politieke veld. Een tentoonstelling als Op losse schroeven (1969) in het Stedelijk Museum bijvoorbeeld zette Nederland gewoon echt even op z’n kop. In de burgerlijke samenleving kwamen ineens heel maffe kunstenaars een nieuwe vorm van vrijheid verkondigen.’

Wat kan zo’n tentoonstelling dan precies teweegbrengen?

‘Misschien bood kunst een alternatief voor het wereldbeeld zoals dat toen gold. Dat was toch een benauwd bestaan van wederopbouw, deugdzaamheid, spaarzaamheid en conformisme. Met die tentoonstelling was daar ineens individualisme en creativiteit.’

De film Another Hungary portretteert de gevierde kunstenaar Imre Bukta in zijn atelier op het Hongaarse platteland. Dorpsgenoten noemen hem ‘de Kunstenaar’, maar hij houdt zijn werk voor hen verborgen. Bij veel Europeanen roept kunst ook weerstand op.

‘Dat is zo. En het helpt niet dat de kunstwereld totaal vercommercialiseert om de verzamelaars maar te behagen. Misschien dat mensen kunst dan niet meer als iets gevaarlijks zien, maar dan heb je weer ongevaarlijke kunst. En dat levert niets op.’

Veel films op het festival hebben een documentair karakter. Vraagt een maatschappelijk thema om deze vorm?

‘We wisten van tevoren dat dat zou gebeuren. Binnen die selectie zijn we wel op zoek gegaan naar een “typisch” Engelse film en typisch Italiaanse producties. Gare du Nord van Claire Simon bijvoorbeeld is een fictieve film over een sociologische studie naar het station in Parijs, maar ook een liefdesaffaire. Very French.’

De hoofdpersoon uit Gare du Nord noemt zijn onderzoek Gare du Nord: A Global Village Square_. Zijn professor geeft echter de voorkeur aan_: Local Mobilities and Global Migrations: New Practices and Representations of Transport in the Gare du Nord. Is deze botsing van perspectieven het probleem van Europa in een notendop?

‘Jazeker. De Europacorrespondent komt niet op een filmfestival en de filmcriticus schrijft liever niet inhoudelijk over Europa. Terwijl ik denk: engagéér je daar nou eens mee. Het IFFR wil echt als een openbare ruimte functioneren, als een plek zijn waar mensen elkaar ontmoeten en gesprekken voeren. Want waar kan dat anders? In de media? Mwah. In de politiek? Nou, nee. En de wetenschap, die is ook niet voor iedereen toegankelijk. Een cultureel evenement kan dat platform wel bieden. Het is overigens niet zo dat het thema volgend jaar het zoveelste maatschappelijke vraagstuk zal zijn, daar is het festival ook weer niet voor bedoeld.’

Heeft u de politiek kunnen bereiken?

‘De ambitie was om met cultuur de politiek te informeren en te inspireren. Anders blijven we zo met elkaar in dat culturele veld zitten, terwijl je het gesprek breder wilt trekken. “The State of Europe” heeft veel losgemaakt. Er kwam een e-mail van een CDA-Europarlementariër en ik zag berichten voorbijkomen op Twitter. Dat is al het bewijs dat je cultuur kunt gebruiken om zo’n onderwerp te agenderen. Politici zullen het misschien niet snel toegeven, maar die hebben ook geen antwoorden op het Europese vraagstuk. Misschien zijn ze wel heel benieuwd naar het antwoord uit de cultuur.’ Wolfson denkt na. ‘Laat ik het positief formuleren: ik denk dat politici het fijn vinden dat de complexiteit van hun opgave onderkend wordt. En natuurlijk zijn dat een beetje zachte criteria en is het uiteindelijke bereik moeilijk te meten. Maar er is hier ook geen sprake van de box office, en ik ben er gelukkig mee.’


Beeld: Rutger Wolfson (Daniël Baggerman).