EVELINE VREEBURG, ONDER PSEUDONIEM

Hallo meneer

Alle mannen in dit boek zijn karikaturen. Dat is historisch zo gegroeid.
Renate Dorrestein schreef deze twee zinnen voor in Het perpetuum mobile van de liefde, dat alweer 23 jaar oud is. Eén jaar jonger dan Eefje, het hoofdpersonage in de debuutroman Onder pseudoniem van Eveline Vreeburg (1984). Een merkwaardig genadeloze roman, vermomd als een naïef meisjesboek, dat me nu al weken bezighoudt.

Medium thumb.php

De waarschuwende ironische zinnen van Dorrestein hadden hier voorin ook niet misstaan, zij het dat Dorrestein strijdlustig is en Vreeburg gelaten. De sardonische blik op mannen en de nihilistische visie op alles wat met de liefde (bij Dorrestein consequent aangeduid als de lie-hiefde) te maken heeft, zijn echter verrassend identiek. Daarbij wordt in beide romans een gevecht geleverd met de demon van een dode zus.
Vreeburg doet dat in Onder pseudoniem in geheel eigen stijl. Met een eigenzinnige openingszin - ‘Salim, de eerste met wie ik het bed deelde, had billen die bij zijn naam pasten’ - dendert ze met ongemakkelijke observaties, gevat in koele kinderlijke zinnen, bij de lezer naar binnen. Over die Salim: 'Ik was dertien en dacht dat we elkaar wel weer tegen zouden komen. Als hij wat wijzer was geworden, ik misschien wat ouder. Vooral moest hij zijn vrouw bevruchten.’
Salim is de eerste in een stoet van mannen/jongens, die allemaal zo hun hebbelijkheden en gebruiksaanwijzingen hebben. De een praat continu, de ander heeft zijn kleren angstwekkend netjes opgevouwen op bed liggen, eentje gebruikt zijn penis als buikspreker en weer een ander heeft het over zichzelf in de derde persoon. 'Gast moet ervandoor.’
Of Eefje nu wel of niet een betrekking met ze aanknoopt - eufemisme voor: met ze in bed belandt - valt niet echt te voorspellen. Meestal is het gewoon de makkelijkste weg, terwijl instinctief haar neiging is: wegwezen. Dat ze na gedane zaken dan ook nog eens aan iemand blijft kleven, zet haar hele persoon in een eenzaam licht. Net zoals het feit dat ze precies weet wat mannen willen: borsten die ieder moment uit een shirt lijken te kunnen floepen, kreunen op het juiste moment en niet te hard.
Algeheel credo van Eefje: 'Het was beter dan niets. Niets was er al genoeg.’
Dit nihilisme weet Vreeburg overtuigend over het voetlicht te krijgen. Dat heeft veel te maken met de afwezigheid van de oudere zus, over wie vanaf de tweede bladzijde een immens treurig waas hangt.
'We zouden een paar dagen naar Euro Disney gaan omdat mijn zus die maand jarig was. Ze werd vierentwintig. Dat moest gevierd worden. Mijn zus kwam ook later. (…) Dat “later” bleef maar komen, maar mijn zus niet. We gingen alvast naar dat pretpark zonder haar. Daarna gingen we alvast naar huis.’
Juist het feit dat Vreeburg nergens precies het drama benoemt, maar zich bepaalt tot het klunzige gehannes van tastende ouders en het desolate dolen van de achtergebleven zus, maakt het gebeuren des te naarder. De paar intieme herinneringen aan de zus, en de duistere scènes in opeenvolgende huizen, zeggen genoeg.
Het is jammer dat Vreeburg haar stijl, die zich kenmerkt door een grote afgewogenheid, niet het hele boek volhoudt. Soms wordt de simpelheid té, en daarmee een stijltje. Alsof als je gewoon maar de meest banale zaken ('De trein stond klaar op het perron’) in een slome monotonie blijft opsommen ('Aan het raam was een plek’) er vanzelf een vervreemdend effect ontstaat. Ook zijn er een paar hoofdstukken die er net even te moeizaam uitgeperst lijken, alles om het magische aantal van 24 hoofdstukken te halen.
Dat is iets wat pas bij tweede lezing opvalt: de hechte manier waarop dit ogenschijnlijk eruptieve relaas is geconstrueerd. Tegen het eind zijn we terug op de camping van het begin, waar het grote wachten op de zus z'n aanvang heeft genomen.
Ga maar ’s kijken of ze er al is.
Misschien heeft ze een bericht achtergelaten.
Ze zal er wel zijn als we terug zijn.
Zul je zien dat ze thuis is.
Zul je net zien.
In een reeks van repetitieve mantra’s wordt het lot van de zus bezworen, wat niet kan verhinderen dat op een avond de agenten op de stoep staan met het verpletterende nieuws. Let wel: ik benadruk nu iets dat in de roman zorgvuldig is omwikkeld met allemaal andere verhaallijnen die met gekke details de aandacht trekken. Bijvoorbeeld de pogingen van Eefje om actrice te worden. Haar afkeer van penissen die in haar rug prikken. De constatering dat ze zelf 24 was geworden, en, 'voor zover ze wist’, nog leefde. Haar anorexia. Het ostentatief níet-denken aan de zus, wat het beste lukt als ze zich laat penetreren door welke sukkel dan ook. Sowieso de seks: 'We neuken niet echt.’ Als een bedgenoot haar overdraagt aan een vriend: 'Ga je gang, maar het is wel een gedoe.’ Om dan uiteindelijk toch de hamvraag te stellen aan een van hen, die met de pratende penis. 'Denk je wel eens aan me?’
Waarmee we in de slotapotheose terug zijn bij de lie-hiefde van Dorrestein. Want wat is liefde, besluit Eefje? Een vinger in je reet. Een hap lauwwarm zaad. 'Het grootste misverstand, de verslaving waar je uiteindelijk je verstand door verloor, waaraan je stierf.’
En dat is dan het verschil tussen Vreeburg en Dorrestein, of het is het verschil tussen 1988 en 2011: waar Dorrestein eindigt met het zetten van een kopje thee voor de gekke buurvrouw die is blijven hangen aan een imaginaire minnaar, neemt Eefje met geheven hoofd toch maar weer die penis ter hand. 'Vlak voor mijn lippen hield ik hem, alsof het een klein microfoontje was. “Hallo meneer,” fluisterde ik. “Ik ben Eefje. Wil je met me spelen?”’ Gevaarlijke schrijfster, die Eveline Vreeburg.

EVELINE VREEBURG
ONDER PSEUDONIEM
Prometheus, 192 blz., € 17,95