Hanna Bervoets, Alles wat er was

Hallucinatoire trip

Het duurt even voor Alles wat er was, de nieuwe roman van Hanna Bervoets, je in zijn greep krijgt. Dat heeft veel te maken met het verhaal dat wordt verteld, of eigenlijk het verhaal dat níet wordt verteld. Om onduidelijke redenen is een groepje mensen afgesloten geraakt van de buitenwereld.

Hanna Bervoets, Alles wat er was, € 19,95

Medium hannabervoets

Ze bevinden zich in een verlaten schoolgebouw, niemand weet wat buiten is gebeurd. Het enige wat duidelijk is, is dat ze niet naar buiten mogen en dat zelfs de gordijnen gesloten moeten blijven. Bervoets maakt dit gegeven verteerbaar door zo weinig mogelijk woorden vuil te maken aan het hoe en waarom. Als lezer kun je dan ook weinig anders dan je na verloop van tijd gewonnen geven. Oké, het einde der tijden is gekomen of zoiets, deze mensen moeten het met elkaar doen en met een slinkende voorraad voedsel. De schrijver is er kennelijk op uit een laboratoriumsituatie uit te diepen: hoe houden mensen het met elkaar uit, hoe dik is de laag vernis.

Maar het duurt dus even voordat je deze sciencefiction­achtige situatie accepteert. Wat het daarbij niet makkelijker maakt, is de compositie. De roman bestaat uit de aantekeningen die een van de schoolbewoners maakt; daarboven noteert ze welke dag het is. Om de een of andere reden krijgen we die dagboekaantekeningen niet in chronologische volgorde opgediend. We beginnen met ‘dag 91’, gaan dan naar ‘dag 5’, springen naar ‘dag 95’ et cetera. Zowel van schrijver als van lezer vereist deze constructie nogal wat. Wil het geen kinderboek worden, dan mag de schrijver eigenlijk niet te veel uitleggen in haar aantekeningen. Want waarom zou ze iets noteren wat ze zelf weet (wie ze is bijvoorbeeld, wat haar achtergrond is, waarom ze dingen opschrijft; sowieso het probleem van dagboekschrijven: tegen wie heb je het eigenlijk?). Maar als ze niks uitlegt van de situatie krijgen we in feite een onleesbaar en onbegrijpelijk boek. Bervoets heeft hier iets slims op bedacht.

Allereerst roept ze een tamelijk logische figuur in het leven tot wie de verteller zich kan wenden. De keuze van die figuur, de implicatie dat deze dit ‘later’ zal lezen, legitimeert hetgeen ze zoal noteert, en ook dat ze dat toch een beetje naïevig doet. Voor een deel is dit ook uitleg van het leven dat geleid werd vóór deze noodsituatie ontstond. Bijvoorbeeld zo:

‘Mensen zeiden: op internet is alles te vinden. Maar dan moesten we het wel eerst zoeken. Nog liever dan zoeken keken we naar dingen waarvan anderen dachten dat wij ze wilden vinden. Foto’s van zichzelf waarop ze één arm uitstrekten om een foto van zichzelf te maken. Liedjes over relaties die net begonnen of beëindigd waren. Filmpjes waarin dieren of baby’s dingen deden.’

Op deze milde manier, niet moralistisch en ook niet hoogdravend, geeft Bervoets via haar personage commentaar op de mens anno nu, afhankelijk van telefoon en internet, belust op zichtbaarheid en roem. Voor een ander deel worden de aantekeningen gevuld met de besognes van de overlevers, die langzaam gek worden van de honger, van de verveling, en van elkaar. En dat dit alles niet chronologisch tot ons komt? Degene die de aantekeningen maakt doet dat in een agenda die ze in een van de lokalen vindt. Als ze na 105 dagen een beetje gekker is, en twijfelt aan haar geheugen, begint ze als een bezetene terug te bladeren in de agenda. Zo hardhandig dat de blaadjes loslaten, en omhoog schieten naar het plafond in een van de lokalen, en daar ‘als vaantjes’ blijven hangen. En dus kun je als lezer denken: wat je leest zijn de teruggevonden aantekeningen, de vaantjes die van het plafond zijn geplukt, en natuurlijk ligt de boel dan niet meer op volgorde.

Slim, dat is deze roman op de allereerste plaats. Net zoals de vorige roman van deze schrijfster, Lieve Céline, zo’n verrassend slimme roman was. Dat slimme en dat verrassende benoem ik niet omdat ik dacht dat Bervoets dom zou zijn – kijk naar de auteursfoto op de achterflap van deze roman, en je beseft dat we hier te maken hebben met iemand die niets aan het toeval overlaat – maar omdat zij het type schrijver is dat echt iets verzint, en het extreme daarin niet schuwt. En vervolgens aan het oplossen slaat. Zo had ze in Lieve Céline precies de juiste vorm gevonden om de toon te kunnen treffen van een ongeletterd meisje uit een lichtelijk asociaal milieu zonder dat dat debiel, ironisch of afstandelijk uitpakte. En kreeg ze het voor elkaar, door een ingenieuze mengeling van brief en verhaal, om een sterke spanning teweeg te brengen tussen wat de lezer wist van het hoofdpersonage en wat deze van zichzelf wist. Een oprecht ontroerend boek was het gevolg, dat ook – ja wederom – verrassend goed met een dramatische ontknoping voor de dag kon komen.

Alles wat er was is in die zin vergelijkbaar dat wederom iets in het leven wordt geroepen dat alleen maar met aandacht, liefde en precisie ook op een goeie manier kan worden afgewikkeld. Anders zit je met een kitschverhaal, iets onechts. Dat is Alles wat er was niet. Lijkt het er in het begin op dat de schrijfster er haar handboeken psychologie op heeft nageslagen om wisecracks te kunnen kraken over wat er gebeurt als mensen te lang te dicht op elkaar zitten, halverwege wordt de verteltoon eigener, en ontstaat er een drama, meedogenloos goor, en hard. De rustige en beschouwende verteltoon heeft zonder dat je dat echt in de gaten had, plaatsgemaakt voor een hallucinatoire trip. Mocht er al licht zijn aan het einde van de tunnel, dan is dat waarschijnlijk wishful thinking.
Eten of gegeten worden, dat is de grote vraag in dit compromisloze kunstwerk.


Hanna Bervoets
Alles wat er was
Atlas Contact, 288 blz., € 19,95