Hoofdcommentaar

Halszaak Iran

Er was een tijd, nog niet zo lang geleden, dat Nederland zichzelf als «gidsland» zag. Nederlandse ministers waren in die jaren bereid de vooruitstrevende principes van de Nederlandse samenleving niet alleen in eigen kring te verdedigen, maar die ook in het buitenland actief uit te dragen. Daarvoor was enige ruggengraat nodig, en ook, af en toe, grote persoonlijke moed, zoals die keer dat minister van Buitenlandse Zaken Van der Stoel tegen elk protocol en ongetwijfeld tegen alle adviezen van zijn diplomatieke staf in de leider van Charta ’77 in diens voortuintje opzocht. In de huidige gespannen verhoudingen is het uitdragen van zulke principes – tolerantie, verdraagzaamheid, het belang van het democratisch proces – nog altijd aan de orde van de dag, althans in eigen land: eenmaal over de grenzen wordt het vaandel snel opgerold.

Premier Balkenende bezocht vorige week vrijdag in Jakarta een islamitische universiteit. Op de vraag van een student waarom het homohuwelijk in Nederland gelegaliseerd is, antwoordde de premier dat hij indertijd als Tweede-Kamerlid tegen had gestemd, maar helaas: de meerderheid van de Kamer was voorstander.

Het mag waar zijn dat Balkenende ooit tegenstemde, maar hij sprak daar in Indonesië niet meer als de bedeesde backbencher die hij ooit was; hij zat er als ambassadeur nummer 1 van de complete Nederlandse samenleving.

Met zijn publieke desavouering van het homohuwelijk tegenover een moslimgehoor zet de minister-president de Nederlandse wet en de Nederlandse homoseksuelen lelijk te kijk. Dat is meer dan zorgelijk. Berichten over de gewelddadige discriminatie van homo’s, bijvoorbeeld in het onderwijs, zijn aan de orde van de dag. Een doorsnee homoseksuele vmbo-leraar heeft het al lastig genoeg, met zijn mondige moslimleerlingetjes. Wat is zijn verweer als zij hem in het gezicht spuwen en roepen: «Man, lazer op, zelfs je eigen premier moet niets van je hebben!»

Het homobeleid van de regering is bleek. Als dat wordt veroorzaakt door het idee dat de emancipatie van homo’s in Nederland nu wel is voltooid, dan is dat gevaarlijk kortzichtig. Geweld tegen homo’s neemt toe. Er is geen preventief beleid tegen homodiscriminatie. Er zijn geen richtlijnen voor veiligheidsbeleid of bewustwordingscampagnes op scholen. Sekseducatie staat op een laag pitje. Trouwambtenaren mogen ondanks hun eed op de grondwet nog altijd weigeren homoparen te trouwen. Minister Bot zwijgt over onthutsende ontwikkelingen in Kenia, Kirgizië, Zimbabwe en elders – laat staan dat hij belasterde en bedreigde homo’s in Polen in hun voortuintje gaat opzoeken. Benedictus mocht er eens over mopperen!

Een lakmoesproef voor het morele kaliber van de regering – en de regeringspartijen – is het debat, deze week, in de vaste Kamercommissie Buitenlandse Zaken over het ambtsbericht inzake Iran en het daarop gebaseerde besluit van de minister voor Vreemdelingenzaken het moratorium op uitzetting van Iraanse homoseksuele (en christelijke) asielzoekers op te heffen en weer tot uitzetting over te gaan. Dat moratorium bestond sinds de executie, in 2005, van twee homoseksuele jongens in de stad Mashad. Het ambtsbericht waarop minister Verdonk haar beslissing baseerde werd (ook in De Groene Amsterdammer van 10 maart 2006) onmiddellijk onderuitgehaald. Het bericht vertrouwde eenzijdig op informatie van de Iraanse autoriteiten en maakte heel selectief gebruik van uitspraken van vooraanstaande woordvoerders van mensenrechtenorganisaties. Deze organisaties, Human Rights Watch voorop, reageerden woedend op de falsificatie van hun informatie.

Minister Verdonk heeft zich in de discussie hierover tot nog toe al even incoherent, slordig en bord-voor-de-koppig betoond als in de zaak van de Congolese en Syrische asielzoekers. Homo’s en christenen zouden in Iran kunnen «functioneren» als zij zich maar koest hielden. Dat is een bizarre logica: zo kan immers de vervolging van elke dissident ter wereld worden herleid tot «eigen schuld, dikke bult» – dan had hij of zij maar geen vakbond moeten oprichten, geen pamflet moeten schrijven, niet een bijbelkring moeten organiseren of zijn of haar geliefde in het openbaar moeten liefkozen. Het zou smakeloos zijn die Verdonkse logica eens los te laten op, zeg, de positie van Roma, homo’s of joden in Duitsland anno 1938, maar verleidelijk is het wel.

De risico’s voor homo’s in Iran zijn moeilijk te onderschatten. Je kunt afgaan op wat de Iraanse leiders zelf daarover zeggen – ayatollah Ahmad Jannati, bijvoorbeeld, lid van de Raad van Hoeders, liet zich onlangs over «het Westen» uit: «Jullie staan homoseksualiteit openlijk toe en hebben het gelegaliseerd. Ik spuug in jullie gezicht. De wereld zou zich voor jullie daden moeten schamen. De mensheid zou zich moeten schamen. Jullie schaamteloosheid laat de mensheid in zweet baden van schaamte. Een jongen die met een jongen trouwt…» Maar je zou ook kunnen afgaan op het Country Report on Human Rights Practices van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, voorwaar geen geitenwollensokkenorganisatie. Condoleezza Rice levert daarin harde kritiek op bondgenoten als Egypte, Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten, waar de chemische castratie van enkele tientallen homo’s door krachtig protest van minister Rice maar net kon worden voorkomen. Het rapport is even scherp over de schending van homorechten in Jamaica, Zimbabwe, Kameroen en Polen. Ook noemt het Iran en expliciet de executies in 2005.

Het debat over het ambtsbericht is om twee redenen van het grootste belang. Ten eerste zou de terugzending van homoseksuele asielzoekers naar Iran de betrokkenen in groot en acuut gevaar brengen. Nog afgezien van de dreiging van de doodstraf lopen de teruggekeerden het risico om op grond van hun homoseksualiteit te worden gevangengezet, gemarteld en mishandeld.

Ten tweede: of deze regering Nederland nu beschouwt als gidsland of niet, het moreel prestige van dit land in de wereld is nog altijd zeer groot. Als uitgerekend Nederland zou besluiten dat Iran een veilig land is voor homo’s verlaagt het de wereldwijde standaard waaraan mensenrechtenschenders dienen te worden gehouden. Het geeft daarmee een groot deel van zijn moreel gezag op.