Halte beethovenstraat en andere goldbergvariaties

Routineus zette ik ‘s morgens vroeg Radio(4 aan, de klassieke zender van Hilversum, en viel midden in het oeverloze gelul waarmee je daar van zeven tot negen wordt lastiggevallen. Een stortvloed van musicologische weetjes uit het XYZ der Muziek, waarvoor ik plotseling geen geduld meer had.

Weg ermee. Ik schakelde over op BBC(3, de klassieke zender van Londen. Daar weten ze hoe het hoort. De clavecimbelklanken van Bachs Goldbergvariaties ruisten mij tegemoet.
Er is typische ochtend-, middag- en avondmuziek. Bach is echter op elk moment van de dag inzetbaar, met Mozart als alleszins aanvaardbaar alternatief.
Niks Bloch, Brahms of Beethoven boven de ochtendbrinta. Dat is allemaal veel te heftig. Bach moet het zijn. Volgend jaar, in 2000, viert hij zijn tweehonderdvijftigste sterfdag. Heren te Hilversum, mogen wij alstublieft elke dag, ’s morgens om zeven uur, de Goldbergvariaties, met zijn Welgestemde Klavier als eventueel alternatief?
(Een paar uur later rommelden wij, mijn vriendin X en ik, wat in de bak met pianoconcerten van Mozart, toen de bejaarde dame de platenzaak betrad. Zij was onmiddellijk zéér aanwezig. Dood- en doodmoe was zij; ze moest werkelijk even zitten. Dus nam zij zuchtend en steunend plaats op de stoel bezijden het pinapparaat en bestelde op de toon van iemand die gewend is de dienst uit te maken een cd van een zekere Milva.
Het was zo te horen muziek van Oost-Europese herkomst. ‘Harder! Harder!’ snerpte de dame, die een beetje hardhorend was. 'Harder! Nee, slaat u dit nummer maar over. De volgende! Nee, niet die! De daarop volgende! En een beetje harder! U bent toch niet doof?’
De keuze was gelukkig snel gemaakt. Zij haalde een betaalpasje uit de handtas en begon met het pinapparaat te stuntelen.
'Het lukt niet, mevrouw’, zei de verkoopster. 'Uw kaart geeft geen signaal.’
'Dat kan niet!’ snauwde de bejaarde dame. 'Ik heb hem een uur geleden nog bij de drogist gebruikt. Het moet aan uw apparaat liggen.’
De verkoopster begon braaf uit te leggen dat zij die dag tot dusverre geen problemen had gehad, maar de bejaarde dame bleef mopperen, op God en de wereld. Mijn vriendin X, die een grote mond paart aan veel goedhartigheid, zei: 'Laat ik u even helpen, mevrouw.’ Zij wreef de magneetstrip van het pasje schoon over haar mouw en probeerde het nogmaals. 'Het nummer van mijn pas? Waar hebt u het nummer van mijn pas voor nodig?’ sprak de bejaarde dame argwanend. Het was andermaal allemaal tevergeefs.
'Dat kan niet! Ik heb nog geen drie kwartier geleden bij de drogist…! Ik ben moe. Ik ben het hele eind komen lopen. En nu heb ik geen contant geld bij me. Zet het maar weg voor me. De naam is Goldberg. Ik ben hier wel eens eerder geweest. Dat zult u zich wel herinneren. En laat dat apparaat van u zo gauw mogelijk nakijken!’
De bejaarde dame wankelde de Weteringschans op. Mijn vriendin X keek mij veelbetekenend aan. Haastig, om een van haar favoriete antisemitische, niet kwaad bedoelde wisecracks te voorkomen, legde ik uit dat dit nu een van die beroemde bewoonsters van de Beethovenstraat en omgeving was, die bij de comestibleszaak Eichholt een half onsje rookvlees ('Maar dun gesneden, denk daaraan!’) plegen te bestellen en helaas niet te verdragen zijn in hun luidruchtigheid en opdringerigheid, maar met tolerantie moeten worden bezien, omdat de nazi’s… 'Toch blijft het een klerewijf’, sprak mijn vriendin X resoluut.
Een straathoek verder tref ik mijn vriend Y, cultuurdrager in ruste. Ken ik die mop over die jood en die Chinees in New York? 'Ze lopen zij aan zij over Fifth Avenue als die jood die Chinees plotseling vol op zijn bek slaat. Hier, dat is voor Pearl Harbour’, zegt de jood. You bloody fucking fool! zegt de Chinees. Dat waren wij niet. Dat waren de Jappen! Zwijgend wandelen beide mannen verder. Dan geeft de Chinees die jood op zijn beurt een mep. Alsjeblieft, dat zal je leren, Goldberg! zegt die Chinees. Maar ik heet helemaal geen Goldberg, zegt de jood. Ik heet… Zegt die Chinees: Goldberg, Goldstein, Goldfisch… Who the hell cares?’
Het schandaal van het Holland Festival, zo'n dertig jaar geleden, was het Nederlands Kamerorkest. Dat kon er niks van, althans dat werd ons door de kranten wijsgemaakt. Na afloop van de diverse concerten en toneelvoorstellingen werd je geacht naar het gebouw in het Vondelpark te gaan waar thans het Filmmuseum gevestigd is.
De gastheer was Henri Knap, de kunstlievende huismoralist van Het Parool. Schuw zat ik op mijn barkruk. Knap gaf ons een opdracht: wij moesten een limerick maken die op dit Holland Festival betrekking had. De winnaar had het navolgende bijeengerijmd: 'Een bejaarde behanger te Best/ zegt dat ons slechts de ondergang rest/ na het eten van mest/ na een golf van de pest/ of het Nederlands Kamerorkest.’ Het was geen grote poëzie. Niettemin nam de winnaar (ik) buigend de huldeblijken in ontvangst. De dirigent van dit Nederlands Kamerorkest was trouwens de violist Szymon Goldberg, die (als het waar is) beter met de strijkstok dan met de baton uit de voeten kon.
Alle Turken heten Ali. Alle joden heten blijkbaar Goldberg.
’s Avonds in bed lees ik George Tabori’s toneelstuk Goldbergvariaties. Geniaal, zoals alles van die man.
Het draait om een toneelgezelschap in Jeruzalem dat een nieuwe productie repeteert. Het is een dramatisering van de belangrijkste bijbelfragmenten, van Genesis tot Golgotha. God hoogstpersoonlijk is de regisseur. Zijn zoon, de karakterspeler Goldberg, hangt aan het kruis in afwachting van het moment dat het voordoek van de tempel scheuren zal.
Een collega-acteur, die de rol van Romeins soldaat is toebedeeld, vraagt de regisseur om nadere instructies.
'U komt zo dadelijk met uw paard aangegaloppeerd’, zegt God. 'Met gestrekte lans waarop een spons met een verdovend middel. Die brengt u Mijn zoon naar de lippen. Maar Hij weigert - en steunt. Dan vraagt u of Hij veel pijn heeft. En dan zegt Hij: Alleen als ik lach.’
'Moet dat echt?’ vraagt de acteur licht ontsteld. 'Is dat niet tamelijk smakeloos, als ik zo vrij mag zijn?’
'De waarheid is altijd smakeloos’, zegt God.