Halve duitser

‘NLD-TV’ heet het en Veronica maakte het samen met de Deutsche Welle. Op zoek naar beelden en oordelen die wij buren van en over elkaar hebben. Na de eerste aflevering heb ik schele koppijn, want het is over, en vooral voor jongeren en dat betekent dat alles ‘keihard’ moet bewegen; is het niet het gefilmde object dan toch wel de camera - maar meestal allebei. En natuurlijk moet het luid, ook figuurlijk: ‘De komende vier weken kom je alles te weten over…’ Proza van de handelsreiziger die twintig van buiten geleerde zinnen tot de ‘stand der wetenschap’ verheft.

Want natuurlijk kom je maar een schijntje te weten en wist je het meeste al. Maar toch zijn onderwerp en poging de moeite waard. Al was het maar om de paradox te tonen dat het zwaartepunt van Nederlands chauvinisme ligt in de gedachte dat Nederlanders niet chauvinistisch zijn; en om te laten zien dat Nederlands nationalisme zich het sterkst in negatieve vorm, want anti-Duits uit. Jan de Hartog zei het aan het eind van Hans Kellers indrukwekkende ‘Vrede, godverdomme, vrede’ ongeveer zo: 'Ze wilden de Duitsers niet haten, want dat hoorde niet; maar ze konden niet anders.’ Maar hij doelde met 'ze’ op de generatie die de oorlog aan den lijve ondervond en niet Veronica’s rollerskate-jongelui. Nagenoeg de eerste geinterviewde is een Duits meisje dat in Bergen NH de Internationale School bezoekt. Ze is hier geboren, spreekt de taal zoals u en ik, maar verzweeg altijd haar nationaliteit om buitensluiting te voorkomen. Nu wil ze dat niet langer, maar makkelijk blijkt het niet. Ze zou, zoals dat andere Duitse meisje dat werkt bij de Anne Frank Stichting, een individu willen zijn wier identiteit uit meerdere lagen bestaat; maar ze krijgt van haar Nederlandse omgeving een laag toegekend, die tegelijk stigmatiseert.
Waarom keek ik? Door lezing van Heimat in Holland van Barbara Henkes over Duitse dienstbodes, dat een voortreffelijk historisch proefschrift is en dat mij extra beroerde omdat ik de geschiedenis van mijn moeder voor het eerst in zeer brede context zag. Maar meer nog door een recent voorval. Op mijn Hogeschool kwam een groepje Duitse studenten, aankomend maatschappelijk werkers, op bezoek. Of ik hen wilde toespreken, omdat ik een programma over 'fascisme en extreem-rechts’ pleeg te geven. Eerst verontschuldigde ik me voor mijn steenkolen-Duits en realiseerde ik me hardop dat ik met een Franse of Engelse moeder vlekkeloos haar taal zou hebben gesproken naast Nederlands - waarmee een deel van de problematiek op tafel lag. Na uitleg over de inhoud van mijn programma ruimte voor dialoog. Zegt een jonge gaste hoe geschokt ze tijdens haar bezoek is over de Hollandse houding Duits = fout. 'Ja, onze “ultra-rechtse” voetbalsupporters hebben er een handje van “Nazi” te roepen tegen Duitsers’, beaam ik, in de week van Ajax-Bayern. 'Nee’, zegt ze, 'het waren linkse jongeren, antifascisten, die met iedereen tegen extreem-rechts wilden ageren maar niet met ons.’ Mijn klomp breekt en 'ik ben woedend’. Ach, halve Duitser moet u maar denken.