Anthony Burgess, 1985

Halve manen in de gure wind

Anthony Burgess schreef een reactie op ‹1984› van George Orwell, waarin hij zijn eigen visie op de toekomst van de westerse maatschappij vorm geeft. In ‹1985› drijft de maatschappij op Arabieren en hun geld.

De bekendste toekomstroman — de intellectuele variant van sciencefiction — aller tijden is Nineteen eighty-four van George Orwell, algemeen beschouwd als de meest verontrustende en scherpe visie op de toekomst van de westerse maatschappij. Orwell trok in 1984 enkele ontwikkelingen door die hij bepalend achtte voor de cultuur waarin hij in 1948 (het jaar van publicatie) leefde.

Wat een toekomstroman — of algemener: sciencefiction — meer of minder geslaagd maakt, is de overtuigingskracht waarmee elementen uit het heden worden uitvergroot en overgezet naar een toekomst, en daarmee iets weten te zeggen over het hier-en-nu van de auteur. Een beschrijving van een futuristische wereld ontleent haar succes aan de herkenbaarheid van decor, personages en verhaallijnen voor de lezer. Hoe extreem ook, als de gebeurtenissen en personages zijn te herleiden tot dingen en mensen die de lezer herkent in zijn eigen tijd, zal hij meegaan in de fictie.

Het is 25 jaar geleden dat Anthony Burgess 1985 publiceerde. Burgess (gestorven in 1993), vooral bekend van A Clock work Orange, is vermaard om zijn geestige, vaak wrange vertelstijl, zijn giftig-ironische visie op de wereld en zijn voorliefde voor provocerend (en extreem) geweld.

Toen het rampjaar 1984 naderde, verzocht Burgess’ uitgever hem een reactie te schrijven op Orwells «meesterwerk». Het werd 1985, dat bestaat uit twee delen, 1984 en 1985. De eerste helft bestaat uit een Catechismus — «Wanneer is de nachtmerrie van de twintigste eeuw begonnen? In 1945, toen veel mensen juist dachten dat er een einde aan gekomen was» —, een Intentieverklaring, een interview van de auteur met zichzelf – «Orwells boek is in wezen een humoristisch boek/ Wát?» —–, een analyse van 1984 en zijn hoofdpersonage Winston Smith, en een uiterst intelligente ontleding van de maatschappij zoals die in 1984 wordt verbeeld.

Orwells dystopische roman is een belangrijk boek, betoogt Burgess, maar op een andere manier dan altijd wordt aangenomen. Er zijn veel mensen die zonder dat ze de roman hebben gelezen toch termen kennen als doublethink (in de Nederlandse vertaling dubbeldunk), Newspeak (Nieuwspraak) en Big Brother (Grote Broer), en die — vóór alles — het jaartal 1984 associëren met een situatie waarin het individu al zijn rechten op morele keuze (dat betekent het woord «vrijheid») heeft verloren en onderworpen is aan de willekeur van een bestuurlijke instantie.

«1984» wordt gebruikt als een enigszins vage metafoor van maatschappelijke tirannie, en die vaagheid is betreurenswaardig, meent Burgess. «Het lijkt wel 1984, hè», was soms de reactie van Amerikaanse studenten als hun werd verzocht geen hasj te roken in de klas of wanneer hun vriendelijk werd aangeraden eens iets te lezen.

De taak die Burgess zichzelf stelt met 1985: «We moeten vaststellen welke factoren in de werkelijkheid hebben geleid tot Orwells boze droom. (…) We moeten nagaan waar hij in de fout ging en waar hij het waarschijnlijk bij het rechte eind had. En we moeten — met gebruikmaking van zijn eigen fictionele techniek — een alternatief beeld schetsen van de toestand waar de jaren zeventig naartoe op weg lijken en die best eens de realiteit zou kunnen zijn van 1984 — of, om plagiaat te vermijden, van 1985.»

Dat resulteert in het tweede deel, de briljante korte roman 1985, die veel meer is dan een reactie/antwoord/parodie op 1984. Anthony Burgess tekent de toekomstmaatschappij zoals die volgens hem zal (kunnen) ontstaan als de samenleving zich ontwikkelt langs de lijnen die de auteur ontwaart in de werkelijkheid. 1985 begint aldus:

«Het was de week voor Kerstmis, maandagmiddag, mild maar mat, en de moëddzins van West-Londen jodelden dat er geen God was dan Allah: ‹La ilaha illa’lah. La ilaha ill’lah.› Bev Jones baande zich een weg door de winkelende menigte mensen van allerlei ras, passeerde de krijsende Disktiek, de armoedig opgesmukte supermarkt en het vroegere café waar nu een reisbureau gevestigd was dat zich specialiseerde in reisjes naar Mekka, al stond het nog steeds bekend als Al-Bulnbush, verliet Tolpuddle Road bij de hoek met Martyr Street en kwam uit bij de Hogarth-torenflat.»

Voor zijn deur wordt Jones tegengehouden en lastiggevallen door een groep jongens. Die zijn altijd gevaarlijk, te meer omdat ze intelligent zijn — sterker nog, sommigen van hen zijn bepaald erudiet. Dat is de narigheid: als de staat kennisverwerving niet aanmoedigt, wordt kennis een asociaal verschijnsel. In een steeds oppervlakkiger en dommer wordende maatschappij is leren, kennis verwerven, subversief. Het grootste tuig verenigt zich in gangs en heeft, naast geweld en terreur uitoefenen, als hoogste doel: weten. De confrontatie:

«‹Festina lente,› glimlachte een chocola-kleurige jongeman in een sweater waarop met gebalde reuzenvuist Shakespeare stond afgebeeld, in een wapperende mantel, met als onderschrift: WILL POWER (WILLSKRACHT). Toen draaiden ze zijn armen op zijn rug. De jongen die Latijn sprak, doorzocht zijn zakken en zong in het Latijn: ‹Gaudeamus igitur, juvenes dum sumus.›»

Bev wordt beroofd. Zijn haar in brand gestoken. En weer gedoofd. Als hij — inmiddels ontslagen als geschiedenisleraar, uitgestoten uit de maatschappij, dakloos, zonder geld — de jongens later nog eens ontmoet, brengt hij ze allerlei kennis bij, waar ze kwijlend van genieten.

Waar de ideeën van Orwell een verlengstuk waren van het Engeland van 1948 — een staat waarin de regering vooral door een enorm uitdijende bureaucratie steeds meer macht naar zich toe trok —, daar zijn de Engelsen volgens Burgess veel meer dan van de bureaucratie slachtoffer van de vakbonden. Die hebben de macht. Ze oefenen enorme druk uit op de maatschappij door steeds hogere looneisen te stellen en voortdurend te staken. De economie lijdt daaronder. Dat ze niet helemaal naar de haaien gaat, is te danken aan Arabisch geld. Het Westen is verislamiseerd. Overal staan moskeeën.

Engeland, of eigenlijk TUCland: The Trades Union Congress of the United Kingdom, zoals het Verenigd Koninkrijk nu heet, zou niets beginnen zonder de Arabieren. De olie vloeit tegen een steeds buitensporiger prijs toe vanuit Islam, de verenigde olieproducerende landen, en houdt de industrie van Tucland draaiende. En Islam strekt zich niet alleen uit over de hete woestijn, maar ook over de koude oceaan, want de Noordzee-olie is in onderpand gegeven aan de Arabieren ten behoeve van een staatslening, nadat het Internationaal Monetair Fonds zijn geldkist voorgoed voor Engeland had gesloten; de lening werd ingevorderd en de hypotheek geëxecuteerd, en aan de boortorens wapperen de banieren met de halve manen in de gure wind.

De Arabieren zijn niet meer weg te denken uit Engeland. Ze zijn eigenaar van Al-Dorchester, Al-Klaridges, Al-Browns en van verscheidene Al-Hiltons en Al-Idayinns, waar aan de bar frisdranken worden geschonken en bij het ontbijt het spek ontbreekt. En in Great Smith Street zal binnenkort hét symbool van hun kracht staan: de Masjid-ul-Haram, de grote moskee van Londen. Het sterft al van de moslimgebouwen in de grote steden, maar dit nieuwe pronkstuk zal het definitieve bewijs zijn dat de islam heeft gezegevierd.

In de Epiloog, een vraaggesprek, zegt Burgess nog het volgende over de maatschappij van de toekomst zoals hij die voor zich ziet: «De christelijk-oecumenische beweging zal haar grens bereikt hebben, in die zin dat het katholicisme tot protestantisme en het protestantisme tot agnosticisme geworden zal zijn. De jongeren zullen nog steeds het bizarre en mystieke najagen, met nieuwe culten en onmogelijke Moon-achtige leiders. Maar de islam zal niets aan gestrengheid hebben ingeboet. G.K. Chesterton publiceerde aan het begin van deze eeuw de roman The Flying Inn, waarin hij een fantasie beschrijving geeft van een Engeland waar ster en halve maan wapperen, waar drank verboden is en waar twee mannen en een hond onder voortdurende bedreiging van de moslimpolitie een vat rum over de wegen rondrollen, in een poging de herinnering aan sterke drank levend te houden. Ik zie een duidelijke mogelijkheid tot vervulling van dat visioen, zeg rond 2100. Supernatura abhorret super vacuum. Na de dood van het institutionele christendom zal de verspreiding van de islam een aanvang nemen.»

Het tragische lot van Bev Jones — die zich op het dieptepunt van zijn leven aansluit bij een groep verstoten intellectuelen (verstoten omdát ze intellectuelen zijn: universitaire docenten, hoog leraren, wetenschappers en kunstenaars) die zich, «wonend» in een verlaten, vervallen fabriek, in leven moeten houden door te stelen — is een stuk interessanter, want minder voorspelbaar, dan dat van 1984-icoon Winston Smith. Iedere liefhebber van Orwells roman moet de sprankelende én duistere toekomstvisie van Anthony Burgess lezen, 1985, nu een kwart eeuw oud. Bijvoorbeeld om de ontwikkelingen net ónder de oppervlakte van zijn eigen tijd op te merken.

Anthony Burgess

1985

diverse edities (Little, Brown and Company, Hutchinson)

Nederlandse vertaling (1978) bij De Arbeiderspers