Sport

Hamer

Het moment dat het op is. Dat het niet meer gaat. Dat het licht uitgaat. Dat je de man met de hamer tegenkomt. De pijp aan Maarten geeft. De bezemwagen opzoekt.

Het moment dat de motor leeg is. Dat de boel is verzuurd. Dat je je ene been niet meer voor het andere kunt krijgen. Dat je niet meer uit je ogen kunt kijken van moeheid. Dat je doodgaat. Tien keer sterft en dan nog tien keer. Het moment dat je niet meer weet waar je het zoeken moet. Dat de moed in de vorm van lood in je schoenen zit. Dat het zwart wordt. Dat je zou willen dat je ‘afgepeigerd’ was, omdat dat een stuk minder moe is dan je je nu voelt. Of ‘afgemat’. Uitgewoond. Ingestort. Opgebrand. Afgeknoedeld. Doorgedraaid.

Ook sporters lijken daar wel eens last van te hebben, van zo’n moment dat het niet meer gaat. Een hoi-moment, een moment dat Het Op Is.

Alsof je door stroop zwemt. Alsof je tegen een muur op fietst. Alsof je door water loopt. Alsof er beton in je benen zakt. Zodat je het snot voor je ogen hebt. Zodat je niet meer weet hoe je heet. Zodat je van achteren niet meer weet dat je van voren leeft.

Enkele Nederlandse schaatsers en vooral schaatssters lieten dit weekend op de duizend meter zien hoe dat gaat: de man met de hamer tegenkomen. Het waren sprinters, maar ze oogden als bejaarde kleipoppen in slowmotion toen ze de laatste bocht door worstelden. He-le-maal kapot. Alsof ze op gesmolten asfalt schaatsten. En toch moesten ze verder, naar de finish. En allemaal haalden ze de finish, al moest het vallend. Ze waren kapot. Het kwam uit de tenen.

Misschien doen alle sporters, dus niet alleen topsporters, het daar wel voor, voor dat moment. Dat je dubbelgeklapt, kotsend over je eigen schoenen probeert je adem terug te krijgen. Snakkend naar zuurstof, lucht, wat dan ook. Dat je zwarte vlekken voor je ogen hebt. Dat je sterretjes ziet. Dat je spraakvermogen uitvalt. Dat het je dun door de broek loopt.

Je hebt dan wél het gevoel dat je leeft. Als elke cel in je lichaam pijn doet, dan besef je wel dat je een lichaam hébt. En dat het er ís. Ik besta, want ik doe pijn. Alles bonst in mijn hoofd, het suist in mijn oren en er schieten lichtflitsen heen en weer voor mijn ogen – ik leef!

Ga maar eens hardlopen tot je niet meer kunt. En merk dan dat je best nog wel verder kunt. En als het moet kun je nóg wel even. (Ondertussen denk je aan de middelbare school, toen de leraar wiskunde uitlegde waarom de verzameling natuurlijke getallen oneindig is: je kunt bij het grootste getal altijd 1 optellen.) Als je uitgeput bent, blijk je steeds weer in staat er nog een schepje, hoe klein ook, bovenop te doen.

Hoe moe is moe? Hoe uitgeput ben je als je uitgeput bent? Jezelf leeg lopen. Jezelf helemaal kapot rennen. Tien keer doodgaan. En dan toch nog blijken te leven. Je ingewanden uit je lijf, de schijterij over je schoenen en de zeik in je sokken – kapotter heb je je nooit gevoeld. En meer levend heb je je nog nooit gevoeld.

Wat je van ver haalt is lekker. Wat je van onder uit je tenen moet trekken is nog beter. Uit je laatste reserves putten. Je ultieme restjes energie aanspreken. Jezelf leegschrapen voor nog één flintertje kracht. Jezelf leegeten, jezelf opeten.

Wat ik me al jaren afvraag: om zich te kunnen inspannen verbrandt het lichaam stoffen die energie kunnen leveren, in de vorm van calorieën. Als je lang sport, verbrand je veel calorieën. Als je nog langer sport, nog meer. Als je je voelt alsof er niks meer om te verbranden is, dan kan je lichaam toch verder gaan, soms.

Koolhydraten zijn de belangrijkste bron van energie bij sporten: een gram koolhydraten levert vier kilocalorieën. Verbranding van koolhydraten kan met en zonder zuurstof, aëroob en anaëroob. (Bij de sprint wordt anaëroob verbrand, met als reststof melkzuur, dat pijn doet.) Bij langer durende inspanningen vindt aërobe verbranding plaats: glucose wordt met behulp van zuurstof omgezet in energie. Koolhydraten geven meer energie dan vetten, die ook minder snel en efficiënt verbranden. Maar koolhydraten raken een keer op. Glucose ook. Als dat gebeurt, en het lichaam kan of mag van zijn eigenaar niet rusten, gaat het over op het verbranden van de energie in de vetreserves, en eiwitten. Berg je dan maar. De spieren kunnen maar een deel van hun maximale vermogen leveren, de krachten nemen snel af. Het lichaam transpireert extra, krijgt honger en coördineert slecht.

Als je dan toch verder gaat, wat gebeurt er dan? Wat wordt er dan verbrand? Gaat het lichaam energie onttrekken aan kalkbeen of bindweefsel? Aan nagels en haar? Botten misschien? Ergens moeten er nog restjes bruikbaar materiaal te vinden zijn om te verbranden. Word je dan steeds kleiner en dunner als het zo ver is? En voel je dan nóg meer dat je leeft? Misschien krijg je daar dan weer nieuwe energie van.