Hamer van schuimplastic

Ik zou Joost Zwagerman wel eens in debat willen zien met AFTh. Of Thomese met Jan Siebelink. Of Marjolijn Februari met Arnon Grunberg.

Het moet dan gaan over de actualiteit. Wat vinden ze van de allochtonen in Nederland, van de islam, van de vrijheid van meningsuiting, van nationaliteit, van de toekomst van de wereld, van de kunst in ons land, van de literatuur, kortom: ik zou graag de mening van deze schrijvers willen horen. Over alles.

Wil ik dat echt?

Het verbaast mij dat ik dat niet wil. En ik wil het niet, omdat ik vrees dat er niets uitkomt. Zwagerman bemoeit zich met het publieke debat en dat doet hij steeds beter, maar als tegenstander heeft hij nooit een andere schrijver.

In Schrijversland is geëngageerdheid niet het getuigen waard; en misschien tekent dat wel de positie van de Nederlandse auteur.

Nederlandse schrijvers zijn vriendelijke mensen die zich op gezette tijden kwaad maken. Een beetje links, beetje intellectueel, beetje zout, beetje peper, op een laag pitje zetten en af en toe roeren.

Laatst las ik een woedend stukje van Tommy Wieringa tegen de _Buitenhof-_columns van Max Pam - Max werd vooral kwalijk genomen dat hij een hersenbloeding had gehad en daardoor wel eens een woord dat hij net had gelezen herhaalde. En Wieringa vergat te melden dat Pam zijn boek had gekraakt waardoor het niet meer dan een persoonlijke afrekening werd. Ook leuk, maar toch een plastic omelet van kunsteieren. Het was niet het debat waarop ik nou zat te wachten, bedoel ik.

Het wapen waarmee auteurs onder elkaar het meest duelleren, is het doodzwijgen van de ander. Aan de ander juist geen woorden vuil maken. Als polemiek een leeg velletje inleveren.

Liever toert men door het land met voorleesbeurten waar men vijftienhonderd euro voor krijgt. Doe je er honderd per jaar, dan kun je een flink tijdje vooruit. Zelfs met vijftig spreekbeurten kun je een prettig leven leiden.

Maar daardoor is er geen tijd om een Sartre te zijn. Of een Peter Sloterdijk. Of een Bernard-Henry Lévy.

‘Dames en heren, vanavond een heerlijke avond met…’ Volgen de namen van succesauteurs die allemaal hun leukste passages voorlezen. Om te lachen. Ik stikte van de jaloezie.

Lachen is natuurlijk heel belangrijk.
En huilen.

De ontroering komt van Kluun, de poëzie van Nico Dijkshoorn, de polemiek van Jan Mulder en Prem. Allemaal aardige jongens waren we en wijs zijn we geworden.

En we geven voorstellingen. Wie het meest optreedt, heeft ook het meeste succes. Kijk, mamma, ik sta op mijn hoofd en de mensen lachen, en ik kan ook heel goed een aap nadoen.

De auteur als persoonlijkheid is verdwenen.

Het zijn lieve kinderen. Met een gereformeerde jeugd waar je U tegen zegt, met een vader die aan hun pikkie of borsten heeft gezeten.

Misschien moeten schrijvers wel die rol spelen; die van de artificiële dorpsgek. Niet de echte dorpsgek - die is rechts, stemt Wilders, is ordinair, angstig, grof, agressief en woedend, maar de kunstmatige leukerd, als de net te opzichtige oorbellen van onze decadente beschaving.

Timmeren doen we met een hamer van schuimplastic.

Even denk ik aan een volstrekt dronken Bob den Uyl. Dertig jaar geleden. Hij durfde het toneel niet op. 'Kom op, Bob, je moet’, zeiden we. Bob ging het toneel op, maar kon niet spreken van dronkenschap. Het publiek joelde hem uit.

Terug achter het toneel sprak hij: 'Heb ik ze mooi in de maling genomen.’

Kijk, dat was leuk.

De belastingdienst is hier de enige die Nederlandse auteurs nog serieus neemt.