Hameren in de ziel

Twee persoonlijke boeken over priesters die van hun geloof vielen, komen op het juiste moment: ze laten zien dat het katholicisme toch meer is dan seksueel misbruik, machtspolitiek en hypocrisie.

Dries Oomen in 1933 naast missionarissen op de boot naar Celebes/Sulawesi in de haven van Marseille © Familiearchief Mar Oomen

‘Een plant die de eigenaardigheid heeft concentrisch aan de buitenzijde aan te groeien en in het hart te verrotten.’ Aldus beschreef socioloog Frederik van Heek in het midden van de jaren vijftig de katholieke kerk: als een heksenkrans.

Dat was goed gezien, zij het dat destijds slechts weinigen tot zoveel scherpte in staat waren. De katholieke kerk leek ruim zestig jaar geleden te bloeien als nooit tevoren. Vandaar dat precies op dat moment, naar aanleiding van de herdenking van het Herstel van de Bisschoppelijke Hiërarchie in 1853, het standaardwerk verscheen over de katholieke emancipatie van Lodewijk Rogier, hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Nijmegen. Dat gebeurde in twee versies, respectievelijk getiteld In vrijheid herboren en Katholieke herleving.

Het zegt genoeg. Aan het succes zou voorlopig ook geen eind komen. Dit blijkt er alleen al uit dat sinds de Tweede Wereldoorlog, helemaal tot aan Paars (1994), er geen kabinet is geweest zonder de kvp en dat de eerste twee premiers na de fusie van de christelijke partijen tot het cda katholieken waren. Maar wie, zoals Van Heek, goed keek, kon dus al in de jaren vijftig zien wat met de jaren almaar onmiskenbaarder werd: het bolwerk rotte van binnenuit.

Een fascinerende, persoonlijke illustratie hiervan weerspiegelt zich in het levensverhaal van Rogiers zoon Jan, journalist bij Vrij Nederland en in de jaren zestig en zeventig een radicaal criticus van alles wat katholiek en zeker katholieke politiek was. Steeds weer hamerde hij op dat rot aan de binnenkant. Tegelijkertijd waren er anderen, Michel van der Plas met name, die met nostalgie terugkeken naar tijden dat het rot er nog niet was, of niet zichtbaar.

Maar hoe je ook keek en hoe je het ook beoordeelde, vanaf het midden van de jaren zestig kon niemand meer ontkennen dat de grootsheid van de Nederlandse katholieke kerk, zo niet van heel het Nederlands katholicisme vooral herinnering was. Degenen die met die herinnering nog een vleugje ervaring koesteren, zal het vermoedelijk vergaan zoals mij: weerzin wordt afgewisseld met verbazing en beide emoties worden getemperd door de wetenschap dat er, althans in aanleg, ook een andere kant aan het verhaal is. Maar het is niet meer dan begrijpelijk dat deze kant onder alle recente onthullingen over seksueel misbruik, machtspolitiek en hypocrisie nog maar zelden aandacht krijgt. Wat blijft is verbazing – en weerzin.

Des te belangrijker daarom zijn de twee persoonlijke boeken die onlangs verschenen over de achtergronden en gevolgen van de breuk die een halve eeuw geleden de katholieke wereld trof. Het ene boek concentreert zich op de missie, in het bijzonder op de grootvader en vader van Mar Oomen, het andere op monnikenleven en priesterschap, in het bijzonder die van de vader van Katja Kreukels. Beide dochters, respectievelijk geboren in 1961 en 1974, zijn opgegroeid in een wereld waarin het katholicisme nauwelijks tot geen rol meer speelde, al zal dat in hun ooit diep-katholieke families minder sterk het geval zijn geweest dan daarbuiten. Vandaar hun beider vraag: hoe was het voorheen? Wat dachten mijn ouders, in dit geval in het bijzonder de vaders? Waarom dachten zij zo? Wat bracht hen ertoe van mening te veranderen en wat betekende dat voor hen, wat betekent het voor mij?

In beide gevallen kregen de vaders hun overtuiging met de paplepel ingegeven. De grootvader van Kreukels wilde niets liever dan priester worden, maar was daarvoor ongeschikt. Hij trouwde, werd vader en projecteerde zijn droom op zijn oudste zoon. Grootvader Oomen ambieerde het priesterschap niet, maar dat maakte zijn katholieke bevlogenheid niet minder. Geïnspireerd door Albert Schweitzer droomde hij van de katholieke missie en vertrok hij met vrouw en kinderen naar Celebes, het huidige Sulawesi. Dat gebeurde in 1933.

Velen, onder wie ik, hebben hun katholieke verleden diep weggestopt. Het is tijd het weer af te stoffen. Deze boeken zijn een mooi begin

De bedoeling was daar als zogenoemde missie-arts aan het werk te gaan, dat wil zeggen te zorgen én te bekeren. Het een was onlosmakelijk verbonden met het ander. Dat had zijn logica. Nadat de Nederlandse katholieken zich binnen de landsgrenzen geëmancipeerd hadden, moesten zij de achterstand op de protestanten ook daarbuiten zien in te halen. Vandaar de enorme populariteit van ‘de missie’. Terwijl er vlak vóór de Eerste Wereldoorlog nog maar zo’n 350 Nederlandse missionarissen actief waren, waren dat er in 1919 al 2300 en in 1933, het jaar dat de grootouders van Oomen naar de Oost gingen, 5000. Op datzelfde moment, langzaam, ontstond het fenomeen tropenarts, een variant van de lekenapostel. Grootvader Oomen zou op dit gebied een briljante carrière maken, ziekenhuizen stichten en beheren, zich specialiseren tot voedingsarts, hoge functies bekleden in de World Health Organization en bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen, veel onderzoeken, veel publiceren en het uiteindelijk ook brengen tot hoogleraar Voedingsleer aan de UvA.

Maar hoe belangrijk de paplepel ook geweest mag zijn, de boeken van de dochters gaan uiteindelijk over de vaders en in mindere mate over de moeders. In tegenstelling tot grootvader bleek vader Kreukels wél geschikt voor het priesterambt en werd hij in 1965 ook gewijd. Een slechter moment was nauwelijks denkbaar. Niet alleen stond de wereld, Nederland bij uitstek, moreel op z’n kop, ook de katholieke kerk onderging als gevolg van het kort tevoren gehouden Tweede Vaticaans Concilie niets minder dan een revolutie. Toen vader Kreukels vervolgens ook nog naar, of all places, IJsland werd gestuurd om zich daar te midden van de katholieke gemeenschap van vier honden en een paardenkop stierlijk te vervelen, was het pleit spoedig beslecht. Vier jaar na zijn intrede trad hij weer uit, een van de 244 Nederlandse priesters die dat in 1969 deden.

Hij was nog relatief jong, een jaar of dertig, en dus in staat een heel ander leven te beginnen. Zo gebeurde. Hij trouwde, ontwikkelde zich tot archivaris, kreeg twee kinderen en… zweeg over zijn (priester)verleden. De eerste keer dat hij erover vertelde, was in het jaar dat zijn oudste kind eindexamen deed. ‘Ik dacht dat mijn vader een grap maakte’, schrijft Katja op een van de eerste pagina’s van haar boek. Niet dus. Het duurde lang tot de dochter besloot uit te zoeken en op te schrijven wat verborgen was gebleven. Daartoe sprak ze veel met haar vader, las ze veel en bezocht ze allerlei plekken. Vreemd genoeg, schrijft ze aan het einde van haar boek, kwam daarbij nooit ter sprake hoe zijzelf dacht. Geloven doet zij niet, net zomin als de over-, overgrote meerderheid van kinderen uit katholieke gezinnen. Tegelijkertijd weet en vooral voelt zij dat er iets is blijven hangen, al is het alleen maar een sterke belangstelling voor religies en andere vormen van denken.

‘Als kind stelde je me gerust dat we voor de eeuwigheid met elkaar verbonden zouden zijn’, schrijft zij in de laatste regels met woorden aan haar vader gericht. ‘Voor jou is dat in de hemel. Voor mij is dat op papier.’

Mar Oomen, een halve generatie ouder, zal iets dergelijks hebben ervaren – al zegt zij dat niet met zoveel woorden. Haar verhaal is in die zin spannender dat er gewoon meer te vertellen valt, meer materiaal is. Het is ook dramatischer omdat haar vader op ongeveer vijftigjarige leeftijd, rond 1980, het spoor kwijtraakte en verdwaalde, in de wereld en in zichzelf. Wat een carrière had moeten worden van eenzelfde glans als die van zijn vader, ontspoorde. Want na medicijnen gestudeerd te hebben, vertrok ook vader Oomen eind jaren vijftig naar verre oorden, in dit geval naar Tanzania. Later werkte hij elders in Afrika, in Ethiopië met name. In Afrika werden ook zijn kinderen, onder wie Mar, geboren. Maar net als in het geval van vader Kreukels vond ondertussen ook bij hem en in zijn omgeving een radicale verandering plaats.

Die verandering deed hem twijfelen aan alles waarvoor hij als kind en jonge man had gestaan, vooral aan de grondslag van dat alles: het geloof. In zijn geval begon de twijfel met de vraag of je eigenlijk wel arts kon zijn in dienst van de kerk – een dubbelrol vervullen dus waarbij de kerk en het geloof uiteindelijk voorrang hadden. Eenmaal gesteld lag het antwoord halverwege de jaren zestig voor het oprapen: ‘Nee!’ Daarmee was ook de uitkomst duidelijk. In de woorden van de dochter: ‘De missiearts maakte plaats voor de tropenarts.’ Ofwel: missie werd ontwikkelingswerk. Maar eenmaal zover was heel het bouwwerk op drift. Want als ‘wij’ – westerlingen, katholieken – op het ene gebied niet langer de wijsheid in pacht hebben, wie zegt dan dat we het op ander gebied wel hebben? Wie zijn ‘wij’ om te weten wat ontwikkeling is?

Begin jaren zeventig keerde het gezin Oomen naar Nederland terug en kwam vader dankzij de prestigieuze grootvader in het ontwikkelingswerk-wereldje terecht. Dat ging niet goed. Hij werd depressief, had opwellingen, scheidde, verdwaalde en… zweeg. ‘Het was niet “zomaar” dat er bij ons thuis, en eigenlijk in de hele familie liever niet over vroeger gesproken werd’, schrijft de dochter op een van de laatste pagina’s. Onverstandig en jammer, bedoelt ze. Katja Kreukels stelt met andere woorden hetzelfde.

Beide boeken hamerden bij het lezen regelmatig in mijn ziel. De verklaring is eenvoudig: velen, onder wie ik, hebben hun katholieke verleden diep weggestopt, verzwegen. Maar ergens schuilt het nog wel. Tijd voor een grote, grote schoonmaak. Deze twee boeken zijn een mooi begin.

Help ons groene.nl te vernieuwen.

Doe mee aan onze enquête

Het invullen neemt zo’n 5 minuten in beslag. U kunt niets winnen, maar wij zijn u zeer erkentelijk als u meedoet aan de enquête.