Hamlet is als een spons

Veel Hamlet op de Nederlandse planken. Een spooky versie uit Hamburg in Amsterdam, een eigen interpretatie van de Utrechtse Spelen en een nieuwe versie door Toneelgroep Oostpool.

METEEN tijdens zijn eerste optreden maakt Hamlet in een dialoog met zijn moeder een opmerking over schijn en wezen, over toneel en werkelijkheid eigenlijk. Naar aanleiding van het overlijden van Koning Hamlet zegt ze: ‘Je weet, het is normaal: wat leeft gaat dood.’ Als Hamlet dat bevestigt ('Ja, doodnormaal’), vraagt de koningin: 'Waarom lijkt het jou dan zo abnormaal?’ Hamlet: 'Lijkt mevrouw, nee het is, ik ken geen lijkt/ Het is niet mijn inktzwarte mantel alleen/ en ook het rijkelijk stromend oogvocht niet/ en welke vorm of uiting van de smart/ die mij getrouw weergeven. Die lijken ja/ want dat zijn dingen die je spelen kunt/ Maar wat ik in me heb, vermomt zich niet.’ Verderop in het stuk zijn de toneelspelers gearriveerd. Nadat ze een scène voor Hamlet hebben gespeeld, verbaast hij zich erover dat de acteur een passie kan oproepen louter door zijn verbeeldingskracht. En dan: 'Wat zou hij doen/ Als hij míjn motief, míjn prikkel had voor hartstocht/ Hij zou de schuldigen tot waanzin drijven/ De schuldelozen en ontwetenden verbazen.’ Hamlet recenseert zichzelf hier als een slechte toneelspeler. Hij kan immers zichzelf niet spelen, hij wil sowieso niet spelen. Maar hij observeert zijn eigen waarheid als minder echt dan het net-echt van een toneelspeler in een tragische rol. Deze aanwijzingen die William Shakespeare in de tekst van Hamlet heeft 'verstopt’ verwijzen naar twee krachtlijnen in het centrale personage van het stuk der stukken. Ofwel prins Hamlet is een manisch-depressieve en schizofrene jongen. Ofwel hij is eenvoudigweg te ingewikkeld en te groot geworden voor plot en fabel van het stuk, hij valt in de loop van de handeling als het ware uit zijn eigen toneelverhaal. Beide interpretaties liggen ten grondslag aan twee recente versies van het stuk.
Hamlet als twijfelaar - een klassieke, goetheaans-romantische visie op de tekst - is al geruime tijd geleden bij het grof vuil gezet. Laurence Olivier kwam in zijn verfilming van het stuk (1948) nog wel weg met 'the man who could not make up his mind’, maar eigenlijk spraken de feiten uit het stuk dit beeld al lang glashard tegen. Hamlet wandelt koelbloedig achter een spook aan, hij houdt het complete Deense hof voor de gek, arrangeert een toneelvoorstelling die de koning tot kokende woede brengt, pleegt een moord in koelen bloede, is indirect verantwoordelijk voor de dood van zijn twee nepvrienden, springt in volle zee over op een schuit vol piraten, en hij gaat aan het slot een duel aan waarvan hij zeker weet dat hij het niet zal overleven. Exit Twijfelmans Hamlet.
Freudianen kwamen in het begin van de twintigste eeuw met de eerste psychopathologische interpretaties. En daar haalde Luk Perceval, de Vlaamse regisseur die al tien jaar in Duitse theaters werkt, de stof vandaan voor zijn eerste Hamlet, bij het Thalia Theater in Hamburg. Met als kern: het trauma van de jongen die zijn vader verliest. De schok van de dood splijt hem in tweeën. Eén deel van Hamlet is oud en rationeel genoeg om zich in toom te houden, zijn rol als kroonprins te spelen, aan de eisen van staatsraison te voldoen, de redelijkheid in acht te nemen. Maar binnen in hem schreeuwt een woede die ontembaar dreigt, als een ranselende furie. De wisselende stemmingen van Hamlet wijzen op wat tegenwoordig in de psychiatrie een bipolaire stoornis wordt genoemd. Hij is niet één meer, maar twéé, en Luk Perceval heeft hem in Hamburg ook dubbel bezet. Maar Perceval is geen psychiater, hij geeft geen college over een geval van borderline, hij maakt toneel, en hij zocht voor het jeugdtrauma van Hamlet een theatervorm die dicht op de huid van kinderen en jongeren is geschroefd: het circus, het wassenbeeldenkabinet, de grandguignol-poppenkast, het spookhuis.
De speelplek is een eenvoudige planken vloer, de bewegende achterwand herbergt de allergrootste verkleedkist die je bedenken kunt. Er zijn wel vier Ophelia’s, haar grote broertje Laertes loopt op stelten, Claudius & Gertrude vormen het harkerige dansduo van een fysiek misvormde griezel en een mollige matrone, Polonius is een enge tante in een rolstoel, Rosencrantz & Guildenstern zijn in één clown gepropt die aan zijn fysieke brille bijna ten onder gaat, de begrafenisondernemer is een zuipschuit die in zichzelf praat. En Hamlet is twee, is Laurel & Hardy, is Dick & Doof, is een bedachtzaam orakelende wijsneus (Josef Ostendorf, die het toneelpubliek nog kent van menig hilarisch Christoph Marthaler-stuk) en naast hem Jörg Pohl, een slank joch dat zich tijdens de ruzie met Ophelia uit de schoot van zijn evenknie losmaakt, naakt over het podium spookt en spukt, de razernij verbeeldt. Ze zijn siamees én eeneiig, deze twee inktzwarte Hamlets, zeldzaam ontroerend in de passages waarin de dikke de dunne de mond snoert, omdat het geschreeuw van het joch in Hamlet even niet goed uitkomt of geen pas geeft.
De hele voorstelling deed me terugdenken aan de waanzinnige kermis die het Duitse regisseursduo Karge & Langhoff dertig jaar geleden in Rotterdam van King Lear maakte, met John Kraaykamp in zijn eerste klassieke toneelrol. Het is ongetwijfeld niet dé ultieme Hamlet (die had Perceval al nooit gezien en niet durven dromen, en die bestaat natuurlijk ook helemaal niet), maar deze Hamburgse Hamlet is een zo vindingrijke, angstige, liefdevol gemaakte verbeelding van wat dit stuk zou kúnnen zijn dat mijn toneelhart er wagenwijd van opensprong. De bewerking bevat, zoals iedere hertaling van William Shakespeare, ongeveer nog vijftien procent van de Engelse bard, de rest is de verbeeldingskracht van het duo Feridun Zaimoglu en Günther Senkel, met wie Luk Perceval zeven jaar geleden in München, op het podium dat nu het koninkrijk van Johan Simons is, een (ook in deze krant) ruim bejubelde Othello maakte. Tóen ook al met de fenomenale muzikale begeleider Jens Thomas, die met zijn gitaar, de piano en zijn stem een onnavolgbaar klankdecor creëert. Hulde voor de intuïtie van de Amsterdamse schouwburg, die ervoor zorgde dat deze voorstelling al luttele weken na de Hamburgse première hier te bewonderen was.

'HAMLET is als een spons. Als men het niet gestileerd of antiek speelt, zuigt het meteen de gehele tegenwoordige tijd in zich op. Het is het eigenaardigste van alle stukken die ooit werden geschreven, juist vanwege de poreusheid en de open plekken.’ Hier is Jan Kott aan het woord, de Poolse Shakespeare-kenner, in zijn prachtige studie Shakespeare tijdgenoot uit 1963. In het essay over Hamlet in deze bundel citeert Jan Kott met instemming wat Brecht ooit over de Deense prins schreef: 'De jonge maar al wat zwaarmoedige man kan de gebeurtenissen in Elseneur met moeite bijbenen omdat hij de nieuwe rationele geest die hij op de universiteit van Wittenberg heeft opgedaan, op een wel zeer ineffectieve manier toepast. Dat zit hem dwars bij de feodale aangelegenheden waarin hij terechtkomt. Tegenover de irrationele praktijk is zijn ratio zeer onpraktisch.’
Hamlet is een kind van de oude wereld, maar hij past er met zijn nieuw opgedane inzichten niet meer in. Hamlet is een dualistisch toneelstuk. Om te beginnen is het een stuk uit twee tijden. De verhaalstof komt uit de feodale Middeleeuwen. Shakespeare kende de originele vertelling én minimaal één toneelbewerking, die al in de Elisabethaanse public theatres werd gespeeld toen hij als ongeletterde en niet universitair opgeleide middenstandszoon uit Warwickshire in het Londense theater belandde. Hij gaf een moderne slinger aan de oude stof. Dat deed hij gedeeltelijk door het stuk over toneel te laten gaan, over kijken vanuit het perspectief van de toneeltoeschouwer, over schijn en wezen, over seems en is. Hamlet is de enige in het stuk die zichzelf lijkt te bezien als speler, die afstandelijk en filosofisch kijkt, ook al zijn de inzichten die hij daarbij gebruikt nog zo 'onpraktisch’ (Brecht). Welk boek leest Hamlet trouwens als Polonius hem betrapt? De essays van Montaigne misschien? We weten dat Shakespeare Montaigne las, hij logeerde regelmatig in hetzelfde huis waar de eerste Engelse Montaigne-vertaler, John Florio, woonde. Jan Kott daarover: 'Met Montaigne in de hand maakt Hamlet jacht op middeleeuwse spoken. Nauwelijks is de geest van zijn vader verdwenen of Hamlet schrijft in het zand van de kantelen boven op Elseneur: iemand kan glimlachen en toch een schurk zijn. Shakespeare heeft de ijverigste Montaigne-lezer teruggezet in de feodale wereld en een val voor hem opgesteld. Een Muizenval. Een toneelval.’
Het toneelkarakter van de werkelijkheid - een thema in vrijwel alle grote stukken van William Shakespeare - lijkt ook een belangrijk onderwerp in de versie van Hamlet die het jonge gezelschap Toneelgroep Oostpool vanaf het komend weekend enkele maanden op de Nederlandse toneelplankieren zal spelen. Het is een prozabewerking door Joeri Vos, op basis van de vertaling van de Vlaming Frank Albers. De voorstelling, die is te zien als de Hamlet van een nieuwe generatie toneelmakers, wordt geregisseerd door Marcus Azzini (1971). Ze opent met een monoloog van Horatio, die in de voorstelling opereert als een soort 'master of ceremonies’: 'Wat wilt u graag zien? Iets droevigs of een ramp, zoek dan niet verder. Wees welkom in dit bloedrode uur. Leg de lijken voor iedereen goed zichtbaar op het podium. De wereld weet nog van niks. Laat me vertellen wat er is gebeurd. Over ontucht zal het gaan en over bloedvergieten. Over perverse daden, toevallige veroordelingen en terloopse slachtpartijen. Over moord door list en vergissingen. En over het resultaat: mislukte plannen die op de hoofden van de planners vielen.’ Hamlet als terugblik, gevat binnen de kaders van een coulissen-toneeldecor (ontwerp: Theun Mosk).
Ik zag afgelopen weekend de eerste try-out voor publiek, een in alle opzichten spannende toneelavond. Zeven toneelspelers nemen de vertelling voor hun rekening, ze spelen een spitsvondig spel met de karakters, het verhaal, de bekende en minder bekende passages en momenten uit het stuk. Zoals Shakespeare in de tekst talloze verwijzingen verstopte over het toneel van zijn dagen, zo knijpt ook deze voorstelling in de billen van de tijd en knipoogt ze naar de waan van de dag. Maar bovenal: dit is een voorstelling die Hamlet plaatst als de toneelspeler die niet op wil gaan in zijn rol, de Hamlet van 'Seems madam? Nay, it is. I know not seems.’ Vlak voor het fatale duel benadrukt hij dat nog één keer tegenover Laertes, met wie hij vechten en sterven zal: 'Was het Hamlet die Laertes kwetste? Hamlet nooit/ Als Hamlet van zichzelf wordt weggenomen/ en zichzelf niet meer is en Laertes onrecht doet/ dan doet Hamlet dat niet, Hamlet ontkent het/ Wie doet het dan? Zijn waanzin. Als dat zo is/ dan hoort Hamlet bij de kant die wordt gekwetst/ Zijn waanzin is de vijand van de arme Hamlet.’

Hamlet, Thalia Theater Hamburg, hele seizoen, www.thalia-theater.de; Hamlet, De Utrechtse Spelen, vanaf 27 okt. in het eigen theater, www.deutrechtsespelen.nl; Hamlet, Theater Oostpool, 9 okt. t/m 11 dec., www.toneelgroepoostpool.nl

De citaten uit Hamlet komen uit de vertaling van Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes