Deze Hamlet is een ‘geactualiseerde’ versie. Dat ruikt naar: ergens iets uit halen wat er (nog) niet in zit. Die vier ouder-kindrelaties maken - ook bij herlezing van de tekst - geen deel uit van de plot. Je kunt ze er wel in proppen, maar daarmee rechtvaardig je nog geen opvoering. En dat is eigenlijk mijn grootste probleem met deze productie. De omgeving, het ‘maatschappelijk decor’ waartegen deze Hamlet zich afspeelt is die van verlicht despotisme, staatsterreur met een menselijk gezicht, een politieke cultuur die is omgeven door veiligheidsambtenaren en reality-tv. Maar kun je een tekst die werd geschreven in het begin van de zeventiende eeuw schaamteloos actueel maken door haar te projecteren in de arrogantie die het politieke bedrijf anno 1998 kenmerkt? Ik werd, kijkend naar deze Hamlet, geconfronteerd met een reeks voor de hand liggende buitenkanten van de toneeltekst, terwijl ik de ziel van het drama, haar geheimen, de onpeilbaarheid en de onoplosbaarheid van het verschijnsel twijfel, allengs meer begon te missen. Er werd te veel verklaard. Er bleef bijna niets te raden over.
Ik moet mezelf meteen tegenspreken, tenminste waar het de twee centrale personages betreft: Hamlet (Jacob Derwig) en Ophelia (Halina Reijn). Over de laatste schrijven de makers: ‘Zij kent de achterdeur van de twijfel niet. Machtige mannen gebruiken haar voor hun eigen intriges. Ze probeert lange tijd aan verschillende regisseurs tegelijk te voldoen. De conflicten die dit oplevert stapelen zich op en vinden geen uitweg. Ze pleegt bewust zelfmoord. Ze kiest voor de ultieme gewelddaad, die tegen zichzelf. Ze kiest ervoor “niet te zijn”.’ Dat is een kraakheldere formulering van de rol. De opdracht aan iedere actrice die Ophelia speelt is het om die gemoedsbewegingen niet door elkaar heen geklutst, maar juist achter elkaar geschakeld te laten zien, precies zoals Ophelia ze doormaakt. Halina Reijn doet dat prachtig, op een manier die pijn doet. Jacob Derwig speelt de Hamlet voornamelijk met zijn handen. Wat Derwig met die handen doet, is een studie waard. Zijn onverwachte lachen en zijn onaangekondigde woedeaanvallen zijn ook geweldig. Maar via die frummelende handen openbaart én verbergt Derwig alles wat er door deze eeuwig onervaren koningszoon schiet. Ik moest denken aan wat Bertolt Brecht ooit over Hamlet schreef: ‘We zien een jonge, al wat zwaarmoedige man het nieuwe verstand dat hij op de universiteit van Wittenberg heeft opgedaan, heel slecht gebruiken. Het zit hem dwars bij de feodale zaken waarin hij terugkeert. Tegenover die onverstandige praktijk is zijn verstand heel onpraktisch.’ Het mooie van Derwigs Hamlet is dat hij zijn ‘onpraktische verstand’ genadeloos vilt, fileert en laat bloeden. Wij kijken machteloos toe.
De raadselachtige nuances in de vertolker van de titelrol ontbreken in de figuren om hem heen: Anneke Blok (Gertrude) is een oninteressante trut, Jaap Spijkers (Claudius) speelt het cliché van een schurk uit een B-film, Harry van Rijthoven (Polonius) incasseert een paar rake grappen, maar blijft verder verborgen achter het drankdoorlopen mombakkes van een eeuwige meeloper - de boodschap is na twee opkomsten al duidelijk, verder gebeurt er niet veel meer. En misschien is dat wel mijn kernprobleem met deze voorstelling: het hart klopt hartstochtelijk, maar ik mis de ruggegraat.