Hoe ik de lockdown tijdens het communisme heb overleefd #2: hamsteren

Hamsteren toen en nu

Roemenie, Boekarest, 13 mei 1990 Enkele maanden na het einde van het communisme en het afzetten van dictator Ceaucescu © Bert Verhoeff/Rights Managed

‘Feiten die een nadelig effect hebben op de bevoorrading van de bevolking worden bestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar.’ Zo luidde een decreet van dictator Ceaușescu in de jaren tachtig. Een feit dat nadrukkelijk werd genoemd: ‘het kopen en opslaan in hoeveelheden die de gezinsconsumptiebehoeften overschrijden’, iets wat we nu ‘hamsteren’ zouden noemen. Als je op hamsteren werd betrapt, kon je in het Roemenië van Ceaușescu straf tegemoet zien. Ceaușescu had namelijk besloten dat een Roemeen jaarlijks niet meer dan 39 kilo vlees, 78 liter melk en 166 kilo groente nodig had. En vier personen mochten samen niet meer dan twee broden per dag kopen.

Dus wat we vandaag de dag ‘hamsteren’ noemen, was in het Roemenië van de jaren tachtig een sisyfusstrijd om te overleven. Mensen met nostalgie naar de communistische tijd (‘vroeger was alles beter’) zeggen vaak dat er toen niemand van honger is doodgegaan. Maar gemakshalve vergeten ze dat heel het volk een soort circusdier was geworden, getraind om te overleven. Met de dictator als dompteur. Want we leefden om in rijen te staan, zelfs als we niet wisten wat we na twee uur in de rij zouden krijgen: melk of eieren of spijkers. Bijna alle Roemeense kinderen van mijn generatie (en de generatie daarvoor) zijn als het ware opgegroeid in de communistische rijen: vader ging om vier uur ‘s ochtends in de rij staan en om zeven uur, wanneer hij naar zijn werk moest, kwam moeder hem aflossen. En vanaf mijn zevende wisselde ik vervolgens voor enen van plek met mijn moeder. Wat we zouden krijgen was nooit duidelijk.

Het was vooral staan en wachten, en zorgen dat je je plek in de rij niet kwijtraakte. Een rij is namelijk een oncontroleerbaar verschijnsel en het kon gebeuren dat ineens duidelijk werd dat er die keer eieren te krijgen waren en dat de verkoop zou beginnen. En als de rij te snel ging en mijn moeder nog niet terug was, kreeg ik als zevenjarig kind geen ei. Zelfs als je als kind al twee uur in de rij had gestaan en je benen gevoelloos waren geworden. En wilde een verkoopster met een goed hart mij wel een ei verkopen, dan had ik geen geld. Het gebeurde soms ook dat je flauwviel, van honger en uitputting; dan droeg de rij je mee, zelfs als je niet bij bewustzijn was, alsof je op zee was, alsof je surfte op een golf. Zo’n rij leefde en had haar eigen natuurkundige wetten. Maar het geluk dat je voelde als je na drie uur staan een halve salami stevig in je handen hield, heeft weinig te maken met de voldoening waarmee sommigen van ons nu een kar vol wc-papier voortduwen bij de Albert Heijn en niet alleen omdat wc-papier geen levensmiddel is, maar een luxeproduct; immers, minstens de helft van de wereld wast zijn kont met water. Nee, de wc-papierkoorts is meer een teken dat we ons luxeleven niet willen opgeven. Tenminste, dat we dat we daar nog niet klaar voor zijn.

Als kind leerde ik te overleven met wat groeide op de velden. Ik wist wat eetbaar en lekker was, wat wel eetbaar was maar je een opgezwollen buik en krampen bezorgde, en wat níet eetbaar was – want er was geen dokter die je na het eten daarvan beter kon maken. Wat op de velden te eten was, deelden we met het varken of met de koe – wie een koe had tenminste. Ik weet nog steeds welk onkruid het varken het lekkerst vond, ik vond het ook heel lekker. Ik wist ook wat voor gras ik moest eten als ik een halve dag of langer geen water dronk, welke paddenstoel ik rauw kon eten, en welke bessen. Toen ik een maand geleden op een veld in het zuiden van Italië mosterdplanten ontdekte, kon ik mijn geluk niet op, een geluk dat vloeide door mijn cellen die de honger nooit zijn vergeten. Maar wat we nu in de supermarkten meemaken, heeft niets van doen met herinneringen aan honger, ook niet met de honger in Nederland 75 jaar geleden, nee, het is angst dat we onze manier van leven kwijtraken: we hamsteren, omdat we het kunnen.

Mijn honger van de jaren tachtig veranderde in de jaren negentig, na de val van de Muur, in boulimia. Ik at omdat er ineens zo veel te krijgen was. En na mijn verhuizing naar Nederland was het een van de zwaarste beproevingen om in een bakkerij mijn speekselklieren in bedwang te houden. In mijn eerste jaren in Nederland had ik in elk huis waar we woonden een kast vol blikken. Just in case de honger weer zou uitbreken. En eens in de twee jaar gooide ik ze weg en kocht ik nieuwe. De grote les van de honger in Roemenië en van de overvloed in Nederland was: leren minder te eten (lees: consumeren). Zonder de angst dat je verhongert.