Perquin

Hand

Ineens zie ik hem lopen - hooguit twintig meter voor me, naast een mooie, heupwiegende vrouw. Ze lopen hand in hand en steken het plein over, in de richting van een hotel. Ik ken die hand, denk ik. En ik ken dat hotel. Ik ben er geweest. De kamer waar we sliepen kan ik, tien jaar later, nóg uittekenen. Een donkere doos met slechts één raam dat uitzicht bood op een groezelige binnenplaats. Het bed met de oudroze sprei vulde bijna de hele kamer: er was nog net ruimte voor twee stoeltjes en een kledingkast. Je moest de hangertjes schuin draaien voor je de schuifdeur sloot, anders ging hij niet dicht. We sliepen pal boven de hotelkeuken: in de benauwde badkamer rook het ’s ochtends naar toast en gebakken eieren. De douche was zo klein dat je het gevoel kreeg een rechtopstaande doodskist in te stappen. Het hotel zat vol hoestende, huilende en gillende mensen maar was zó goedkoop dat we er de hele week bleven: wij konden zonder nachtrust, roomservice en uitzicht op zee. We hadden genoeg aan de zomer. Overdag maakten we lange wandelingen, stommelden rond in antiekwinkeltjes, kochten onzindingen voor later, maakten foto’s van elkaar. We poseerden naast standbeelden, urinoirs met vreemde opschriften, spiegelende etalageruiten. ’s Avonds gingen we terug naar het hotel, namen een douche in de betegelde kist en gingen terug naar buiten, de warme stad in. Dan brandden overal lichtjes en was er levende muziek op het plein. We passeerden eindeloze rijen restaurants, waar mannen met snorren ons probeerden binnen te praten en gingen steeds naar hetzelfde eethuis, aan de rand van de stad. Ik dronk wijn, hij bestelde exotische gerechten. Soms pakte hij mijn hand en keek ernaar alsof het de mooiste hand was die hij ooit had gezien. Een onvergetelijke hand. Een hand om nooit meer los te laten. Nu is hij, met zijn vriendin, uit het zicht verdwenen. Ze zijn het hotel ingegaan. Ik blijf even staan en kijk op naar de gevel. Het heet anders nu. Ikzelf trouwens ook. Verder is alles, geloof ik, volkomen hetzelfde gebleven.