Handboek vol pijn

David Foster Wallace schreef als een duivel tegen zijn depressies in. Hij maakte er een eind aan toen hij merkte dat ook antidepressiva niet meer hielpen. Zijn Infinite Jest is een indrukwekkende kroniek van een aangekondigde dood.

Medium david foster wallace

Misschien wel het sympathiekste en gulste In Memoriam dat ik las over de zelfgekozen dood van David Foster Wallace, op 13 september 2008, kwam van Benjamin Kunkel, samen met Keith Gessen de drijvende kracht achter het zeer Amerikaanse en literair onafhankelijk opererende blad n+1. Met één woord was die necrologie samen te vatten: schatplichtigheid. De invloed van Foster Wallace op veel jonge en serieuze Amerikaanse schrijvers moet niet worden onderschat. In zijn romandebuut Al die droevige jonge literaire mannen – de titel is een knipoog naar een verhaal van F. Scott Fitzgerald – vallen vele schrijversnamen, onder anderen Ralph Waldo Emerson, Henry James, Isaak Babel, Franz Kafka, John Cheever en Philip Roth. Dat krijg je als je drie literair-politieke personages schept die artistiek ambitieus zijn maar die hun werkdrift negatief laten beïnvloeden door amoureuze en politieke perikelen. Van één schrijver noemt hij, als hommage, alleen een titel: Infinite Jest (1996). Meer was ook niet nodig. De titel kan het al jaren stellen zonder auteursnaam.

De afgelopen maanden herlas ik Inifinite Jest als eerbetoon aan de dwarse literaire geest die in 1987 – het jaar waarin hij 25 werd – zijn romandebuut The Broom of the System publiceerde. Infinite Jest is David Foster Wallace’s meesterwerk en meteen een van de belangwekkendste Amerikaanse romans van na 1945. Het boek is van dezelfde omvang en diepgang als The Recognitions (1955) van William Gaddis, Gravity’s Rainbow (1973) van Thomas Pynchon en de megaromans van William T. Vollmann. Wallace’s boek gaat over verweesdheid, verslaving, verdoving, vergetelheid, verdringing en verloedering rond het fenomeen Amusement (film en tennis). Infinite Jest – las ik in mijn aantekeningen uit 1997 – is een handboek vol pijn en suïcidaal gedrag en blijkt een voorbeeldige farmacie- en filmkundehandleiding.
David Foster Wallace schreef als een duivel tegen zijn diepe depressies in. Hij maakte er een eind aan toen hij merkte dat ook antidepressiva niet meer hielpen. Er is bij herlezing geen ontkomen aan: Infinite Jest is een indrukwekkende kroniek van een aangekondigde dood.

Onlangs kondigde The New Yorker voor 2010 een postume roman aan van David Foster Wallace: The Pale King. Wie de Amerikaanse literatuur een beetje volgt weet dat The New Yorker en Harper’s Magazine al fragmenten publiceerden uit dit boek over leegheid en lamlendigheid op een belastingkantoor rond de figuur Lane Dean Jr. Dit voorjaar komt er nóg een boek van Wallace uit, een bundel lezingen over levenskunst en literatuur onder de titel This is Water.
Over dat water wil ik het eerst hebben, als inleiding op mijn interpretatie van Infinite Jest.

Vlak na zijn dood publiceerde The Guardian een lezing van David Foster Wallace waaruit blijkt waarom This is Water een rake titel is. Hij houdt ogenschijnlijk een luchtig praatje over dagelijkse beslommeringen, over verbijsterende vanzelfsprekendheden die we daarom over het hoofd zien en over rabiaat egocentrisme. Hij opent met een miniparabel: zijn er twee jonge vissen aan het zwemmen, komen ze een oudere vis tegen die de andere kant opgaat, hen toeknikt en zegt: ‘Morgen, jongens, hoe is het water?’, waarna de twee jonge vissen een tijdje doorzwemmen en dan de ene vis de andere verbaasd aankijkt: ‘Wat is verdomme water?’ Wallace wilde niet de wijze vis uithangen of de wijsvinger opheffen tegen egocentrisme. Hem ging het om dat wat de mensen gemakkelijk over het hoofd zien, waardoor de werkelijkheid vertroebeld raakt. Heel veel mensen gaan zozeer in zichzelf op dat hun blik op de omgeving verandert en ‘alles door die lens van het zelf wordt gezien en geïnterpreteerd’. Het ‘zelf’ is het eigen wezen of identiteit. Dieptepsychologisch of jungiaans gezegd: de onderbewuste kern van de ziel. En die essentie is, net als water, ongrijpbaar. Die kun je niet zomaar vastgrijpen en omschrijven, die glipt maar al te vaak door je vingers.

In Infinite Jest gaat het om de eindeloze oorlog tegen het complexe zelf, waaraan je niet kunt ontsnappen. Dat is het dilemma. Overstijgt vaderlandsliefde het ‘zelf’? Het toekomstbeeld dat Wallace in 1996 schetst van Amerika (het boek speelt zich af in 2009 en het Vrijheidsbeeld is gehuld in een reuzenluier!) is niet al te florissant. Wat dan? Je verliezen in drank, drugs, sport, verslavende tv-series of fascinerende films is mogelijk maar slopend. Tennis bijvoorbeeld (Wallace was in zijn jeugd een zeer verdienstelijk tennisser), de sport die centraal staat in Infinite Jest. ‘En dan nog, wat is het verschil tussen tennis en zelfmoord, leven en dood, het spel en het doel ervan?’ Wie speelt om te winnen ziet zich met de beperkingen van het beproefde ‘zelf’ geconfronteerd. De speler gaat vooral de strijd aan met zijn eigen grenzen. De topsporter gaat geconcentreerd op in de wedstrijd en moet wel diep gaan om aan de hooggespannen verwachtingen te voldoen. Tennis is een aardige vorm van amusement maar ook een tragische en chaotische activiteit. Maar roem (in de sport, in de literatuur) is niet de uitgang uit de kooi van het zelf. ‘Al het leven is hetzelfde voor burgers van de menselijke Staat: de bezielde beperkingen zitten vanbinnen, om steeds opnieuw gedood en beweend te worden.’ En het najagen van geluk in het incontinente vaderland van 2009, het gesponsorde jaar van de luier voor volwassenen, kent ook zijn grenzen: maximaliseer het plezier, minimaliseer het ongemak. De Verenigde Staten als een land vol ‘mindless pleasures’, om met Wallace’s literaire voorbeeld Thomas Pynchon te spreken. De samenleving die Amerika heet heeft geen volmaakt systeem. ‘There is greed, there is crime, there are drugs and cruelty and ruin and infidelity and divorce and suicide. Murder.’

Is Infinite Jest (werktitel: A Failed Entertainment) een door en door somber boek? Nee, de verbrokkelde en dartele vertelling – eigenlijk honderden verhalen losjes verbonden door een flexibel plotje rond de dodelijk verslavende film Infinite Jest – is zowel stilistisch als inhoudelijk een bloedserieus, zwarthumoristisch literair spel van verdoving en verstrooiing waarin het gezin Incandenza een hoofdrol speelt. Noem Infinite Jest een tragikomische familieroman.
Het boek opent met de jongste zoon: Hal. Hij is achttien en zit op de Enfield Tennis Academy (ETA) in Boston. Hij kent vele lemma’s uit de Oxford Dictionary uit zijn hoofd, is drugsverslaafd en lichtelijk contactgestoord. Toen hij dertien was trof hij zijn vader Jim, ETA-oprichter en alcoholische avant-gardefilmer, op 1 april dood aan in huis: hij had zijn hoofd in de magnetron gestopt en die aangezet. Zijn dominante moeder heet Avril (Incandenza-)Mondragon, afkomstig uit Quebec. Hij heeft twee broers, Mario en Orin. Mario, lichamelijk gehandicapt, hanteert de filmcamera en was vroeger assistent van zijn in zichzelf gekeerde vader. Orin is geen tennisser meer maar rugbyspeler en vrouwenliefhebber. Hij had een band met de Iers-Nederlandse suïcidale schoonheid Joelle van Dyne, bijnaam Madame Psychosis, die een rol speelt in een van de Infinite Jest-films van vader Incandenza, met wie zij geen relatie had (voetnoot 80 van de 388). Op Thanksgiving Day gooit Joelle’s moeder per ongeluk een bijtende vloeistof in haar gezicht, waarna de moeder zelfmoord pleegt en Joelle zich gesluierd door de wereld beweegt. De familie Incandenza communiceert moeizaam en indirect. Het is de vraag of zij elkaar en hun gevoelens over de verrassende zelfmoord van vader Jim kennen. Het is Hal, lexicaal weeskind, eenzame tv-kijker en tennisproefkonijn, die een paar rake existentiële gedachten formuleert: ‘We hebben er alles voor over om ons leven aan iets op te offeren, misschien. God of Satan, de politiek of de grammatica, topologie of filatelie – het onderwerp lijkt toeval bij deze drang jezelf helemaal uit te leveren. Aan spelletjes of naalden, aan een ander. Kleeft iets pathetisch aan. Een vlucht – in de vorm van duiken – in. Vlucht waarvandaan?’ Waarna Hal de oorspronkelijke betekenis van addiction (verslaving) onthult: toewijding. En het moet gezegd, de toewijding van schrijver en personages is volledig: het zich verliezen in verhalen over moord en doodslag, over doodgeboren kindjes die je met je meezeult, over incest tussen vader en zoon, over verslaving en afkicken. De lezer zapt als het ware door of langs al die vertellingen vol pijn en ellende. Want zo is Infinite Jest opgebouwd: een feuilleton of verslavende tv-serie à la M*A*S*H met als vaste tune: suicide is painless, it brings on many changes…

Het Ennet House in Boston is het afkickcentrum voor alcohol- en drugsverslaafden. Wallace leeft zich uit in vileine vertellingen over de ‘hugs not drugs’-praatgroepen. De zeer aanwezige Ennet House-bewoner Don Gately heeft een strafblad en is een afkickende Demerol-verslaafde. De verhalen over zijn jeugd hakken erin, bijvoorbeeld over wat er met zijn moeder gebeurt tussen haar achtste en tiende Heineken. Tussen hem en Joelle van Dyne lijkt er later in Infinite Jest iets te ontluiken, ware het niet dat Gately verlamd en stom is geraakt. Het woord waar alles om draait in Ennet House is anhedonia, niet toevallig ook de werktitel voor Woody Allens film Annie Hall. Anhedonia is de dood in het leven, crisis in het hoofd, het onvermogen plezier te beleven aan eten, sporten, menselijk contact, seks. Als die storing niet kan worden verholpen door medicijnen ontstaat een levensgroot probleem. De suïcidale Ennet House-bewoonster Kate Gompert (de ‘echte’ Kate Gompert heeft Wallace daarover een proces aangedaan) beschrijft haar depressie als het zich voortslepen van moment naar moment, jarenlang, om het hoofd te kunnen bieden aan een donkere stortzee die haar vanuit een donkere hoek van haar geest blijft overspoelen. Dan is het bestaan inderdaad een levenslange zoektocht naar een asbak om jezelf uit te kunnen drukken als een sigaret. Doodgaan is dan een bevrijding van die ondraaglijke situatie. De waarheid is, staat in een essayistisch fragment rond Joelle van Dyne, dat een zelfmoordenaar vlak voor zijn dood niet altruïstisch en opgetogen is maar een extreme eigenwaan koestert.

Geheel in de traditie van Pynchon, Don DeLillo en John Calvin Batchelor – maar origineel en geestig – is Infinite Jest ook een spionageroman, of een pastiche daarop. De zogenaamde rolstoelmoordenaar René Marathe is op jacht naar de filmcassette Infinite Jest, die letterlijk dodelijk amusant is. Hij blijkt op z’n eenvoudigst een dubbelspion. Noord-Amerika bestaat in 2009 uit de VS, Canada en Mexico (Onan). Het zuidoosten van Canada en het noordoosten van de VS is een soort waste land. De filmcassette moet een terroristisch wapen worden voor de rolstoelmoordenaarsclub, die Canada los wil weken van de Onan. Marathe dringt door in Ennet House, vermomd als Zwitserse verslaafde. Zijn werkelijke drijfveer is medische zorg voor zijn vrouw, die zonder schedel is geboren.
Het spionagemotief dat David Foster Wallace in Infinite Jest verweeft geeft de roman relatieve samenhang, terwijl de lezer weet dat de personages stuk voor stuk de handen vol hebben aan zichzelf, zo erg dat ze niet toekomen aan een gevoel van altruïsme of saamhorigheid of aan een natiegevoel. De mensen in Infinite Jest zijn uit elkaar gevallen, gewond of verminkt, brokstukken die wel kunnen navigeren maar geen vaste locatie kennen in een wereld vol verleiding, versluiering, verstrooiing en vertekening.

David Foster Wallace is nooit een vrijblijvende postmodernist geweest – laat noch vroeg – in de zin van Anything Can Happen, de titel van een interviewbundel uit 1984 van Tom LeClair en Larry McCaffery. Dat kan ik het beste uitleggen aan de hand van het zinsfragment ‘maskers van ennui en uitgeputte ironie’ (blz. 694) die de kneedbare jeugd al leert dragen, waarna hardnekkig cynisme een schild vormt tegen sentiment en naïviteit. Het gaat mij om de term ironie, waar Foster al aan voorbij was toen Dave Eggers nog moest debuteren.
In A Supposedly Fun Thing I’ll Never Do Again (1997) – een bundeling essayerende vertellingen over tennis, cruises, tv-kijken en films – formuleert hij zijn bewondering voor filmer David Lynch. Voor Wallace is lynchiaans een soort ironie waarbij het sinistere, macabere of lugubere (de zwarte stortzee in het hoofd van Kate Gompert!) én het wereldse zo in elkaar opgaan dat het lugubere permanent het wereldse ondermijnt, met alle ongemakkelijke gevolgen van dien voor de kijkers. Een bioscoopbezoeker zei na het zien van Blue Velvet: ‘Misschien ben ik niet goed bij m’n hoofd, maar ik wil hem nog een keer zien.’ Dat levert dan ‘een vreemde ironie van het banale’ op. In de zelfbewuste ironie komen tv en literatuur, beelden en woorden, samen. Gemeenschappelijke beelden blijken belangrijker dan gemeenschappelijke gedachten. De tv, die per dag smakelozer en ordinairder wordt, schakelt zijn criticasters uit – zoals het kapitalisme zijn eigen kinderen opvrat – door de artistieke technieken van de tegenstanders over te nemen. (Infinite Jest: ‘Entertainment is blind.’) Wat moet de literatuur dan nog doen?
Voor David Foster Wallace is een ironiserende literatuur effectief als zo’n aanpak tegelijkertijd een spreekbuis is voor existentiële wanhoop (de despair van Kate Gompert) en weet te formuleren waarom de Amerikaanse cultuur rondwentelt in haar eigen afval. De vertrouwde beeldenstroom weer vreemd maken. Wallace noemt dat image fiction. Die fictie is geen redder in de nood, want ironie is een besmettelijke ziekte. Ironie was een maatschappijkritische avant-gardehouding en is nu massacultuur. Wat te doen als de schrijver die termen als barmhartigheid, saamhorigheid en solidariteit niet lacherig terzijde schuift? Nooit meer kijken? Reactionair worden en in een hoekje schelden op het domme volk? Een schrijversbende vormen met Vollmann, Franzen, Moody, Eggers, Foer en Powers?

Infinite Jest is een roman over de terreur van amusement en verslaving. Bij herlezing wordt de roman een nog indringender spel, inclusief voetnoten om de lezer te plagen, met de Amerikaanse cultuur. Wat een virtuoze exercitie in verhalen vertellen, therapeutische sessies, essays, hallucinaties, soaps, familiedrama’s en destructiedrift. Het is ook nog een geschiedenis van het amusement in Amerika, een psychologisch portret van een tennisser, een handboek voor verdovende middelen van Heineken tot cocaïne en – ik kom er niet onderuit – een handboek voor zelfmoord. Maar dankzij Infinite Jest is de literaire geest van David Foster Wallace nog springlevend.


Beeld: David Foster Wallace. Bloomington, Illinois, 1996 (GAry HAnnABArGer / CorBIs)