INTERVIEW MET HANIF KUREISHI

Handelaar in geheimen

De nieuwe roman van Hanif Kureishi gaat over spreken, over openhartigheid. Binnen onze multiculturele samenleving wordt te veel gezwegen. ‘We moeten spreken, we kunnen elkaar best de waarheid vertellen, zonder racistisch of beledigend te zijn.’

Of ik de avond ervoor voetbal heb gezien op de televisie. Geheel onverwacht komt deze vraag niet: voetbal komt regelmatig ter sprake in de nieuwe roman van Hanif Kureishi (1954), Something to Tell You, ook net in Nederlandse vertaling verschenen (Dit moet je weten). Zo refereert hij aan de karatetrap die de existentialistische Franse voetballer/filosoof Eric Cantona vijftien jaar geleden uitdeelde aan een racistische voetbalsupporter in Zuidoost-Londen, evenals aan de hype rond Manchester United, waarvan het zoontje van de hoofdpersoon supporter is. Hoewel ik op de hoogte ben van de uitslagen moet ik erkennen dat het hedendaagse voetbal me weinig boeit, om vervolgens te melden dat ik cricket interessanter vind.

‘Een Nederlander die van cricket houdt’, lacht Kureishi. Nadat ik hem heb bijgepraat over de Nederlandse cricketwereld, waar clubs als Asian, Jinnah en Gandhi actief zijn, vertelt hij dat zijn oom Omar een bekende cricketcommentator was in het Pakistaanse cricket. ‘De Stem van Aziatische sport’ luidde zelfs zijn bijnaam.

Op zijn beurt is Kureishi de stem van de Aziatische literatuur in het Verenigd Koninkrijk, een stem bovendien van een enfant terrible dat graag schrijft over kwesties als ras, seks, homoseksualiteit, popmuziek, drugs, psychoanalyse en politiek. In de jaren tachtig werd hij bekend door Stephen Frears’ verfilming van My Beautiful Laundrette, het verhaal van een homoseksuele relatie tussen een blanke skinhead en een Pakistaanse jongeman die in de wasserette van zijn oom werkt. Twee jaar later stond in Sammy and Rosie Get Laid wederom een interraciale relatie centraal, waarbij de chaos van thatcheriaans Londen nog nadrukkelijker aanwezig was.

‘Opeens werd duidelijk dat er een markt was voor zulke verhalen, voor films met een Aziatisch tintje’, blikt de schrijver terug. Zijn literaire debuut maakte Kureishi begin jaren negentig met The Buddha of Suburbia, een gedramatiseerde vertelling over zijn jeugd in een ingeslapen, Londense buitenwijk. Het leverde hem de Whitbread Prijs op en de bbc maakte er een televisieserie van. Controversieel was zijn seksueel getinte roman Intimacy, met name ook door de niets verhullende verfilming van Patrice Chereau. Ook het verfilmde drama The Mother, waarin een zeventigjarige vrouw de vriend van haar dochter verleidt, ging niet onopgemerkt voorbij. Voor zijn literaire verdiensten werd Kureishi onlangs geridderd tot Commander of the Order of the British Empire, een eerbetoon dat hij ondanks zijn afkeer van het koloniale verleden accepteerde.

In zijn jongste roman komen al zijn bekende thema’s en obsessies weer langs, maar meer op de reflecterende wijze van een man die zijn wilde haren kwijt is. Centraal staat de liefde tussen de filosofiestudenten Jamal en Ajita, een liefde die Jamal verleidt tot een bijzondere variant op de crime passionnel. De relatie loopt stuk, en de moord blijft zijn best bewaarde geheim. Drie decennia later komen ze elkaar weer tegen. Ajita is inmiddels ongelukkig getrouwd en Jamal heeft al een paar mislukte relaties achter de rug, en is inmiddels vader en een succesvol psychoanalyticus. De twee worden omringd door een kleurrijk ensemble van personages. Jamals oudere zus Mirjam is een alleenstaande, licht ontvlambare moeder op wier lichaam ‘meer plaatjes hangen dan in de Tate’. Mirjam heeft een relatie met een salonsocialistische toneelregisseur die teleurgesteld is in New Labour en zich opmaakt voor de ‘blessuretijd van zijn leven’. Zijn dochter Lisa zoekt naar de zin van het bestaan en is zo milieubewust dat zelfs haar dildo’s biologisch-dynamisch zijn. Uit Jamals huwelijk met de frigide Josephine is Rafi voortgekomen, een trendgevoelige puber wiens grote wens is dat pa en ma weer bijeenkomen. Ajita’s homoseksuele broer Mushtaq wordt een bekende zanger, wiens vriendje Alan wordt omschreven als een ‘Lady Bracknell aan de dope’. Voor al deze dolende personages geldt wat La Rochefoucauld eens opmerkte over spoken en liefde: iedereen heeft het erover, maar niemand heeft ze werkelijk gezien.

Het boek speelt zich ten dele af in Shepherd’s Bush, een West-Londense wijk die Kureishi in het boek omschrijft als ‘een rotonde met een hoop ellende rondom’. Kureishi houdt doorgaans audiëntie in zijn stamcafé aan Shepherd’s Bush Road, niet alleen voor journalisten maar ook voor zijn studenten creatief schrijven. En om de krant te lezen, getuige The Daily Mail die hij heeft meegebracht, de krant van wakker Engeland. Terwijl Kureishi een begin maakt met zijn verlate ontbijt, een croissant met brie, vertelt hij over Something to Tell You.

Hanif Kureishi: ‘Het boek gaat over spreken, over openhartigheid. Ik ben opgegroeid in een tijd en in een wereld waarin mensen niet vertelden over hun verlangens. In plaats daarvan kropten ze alles op. Zwijgen is onderdeel van Jamals beroep. Als psychoanalyticus, een handelaar in geheimen, luistert hij vooral en spreekt hij weinig, ook buiten de behandelruimte. Wanneer Ajita de waarheid uiteindelijk van een ander hoort, reageert ze opvallend toegeeflijk. Dan beseft Jamal dat hij het zelf gemakkelijk had kunnen vertellen. Binnen onze multiculturele samenleving geldt hetzelfde. We moeten spreken, we kunnen elkaar best de waarheid vertellen, zonder racistisch of beledigend te zijn.

Het is onzin om te zeggen dat multiculturalisme heeft geleid tot fundamentalisme. Wat heeft geleid tot fundamentalisme is kolonialisme. Westerse inmenging in Aziatische landen heeft volgens hem gezorgd voor een sterke identificatie met de islam. Het is een ideologie van bevrijding, gebaseerd op een socialistisch idee. Binnen de islam is iedereen gelijk. Nou ja, niet echt, maar dat is het idee.’

Wat Kureishi betreft is multiculturalisme een gegeven waar je niet voor of tegen kunt zijn. Voor hem is het echter niet een kwestie van leuke festivals, lekker eten en het vieren van elkanders cultuur: ‘Dat is betuttelend en banaal. We moeten op een volwassen manier met elkaar spreken, een dialoog voeren.’ Dat er wrijving bestaat tussen het (morele) conservatisme van de moslims en de vrijgevochten westerse waarden die door hem zijn omarmd, ontkent Kureishi niet. Echter, hij waakt voor wat hij ‘moreel imperialisme’ noemt. Het opdringen van de westerse cultuur helpt niet en werkt volgens hem eerder averechts: ‘De verandering moet geleidelijk van binnenuit komen, niet van buitenaf. Mensen moeten hun leven inrichten zoals ze dat zelf willen, zolang ze zich maar aan de wet houden. De overheid moet slechts zorgen voor een liberaal kader. Weet je wat trouwens ironisch is? De moslims zijn tegenwoordig de ware Engelsen: ze gaan naar de kerk, hechten waarde aan familieleven, hebben moeite met homoseksualiteit, gebruiken geen drugs, hebben respect voor autoriteit…’

Racisme is een term die gemakkelijk valt wanneer Kureishi aan het woord is. Hij heeft er genoeg mee te maken gehad en nog steeds voelt hij zich regelmatig geschoffeerd, vooral wanneer hij buiten het kosmopolitische Londen komt: ‘Ik was vorige week in Duitsland. Daar werd ik geïntroduceerd als “immigrant”, terwijl ik in Engeland ben geboren en gewoon een Engelsman ben. Dit was geen kwaadaardigheid, maar de immigranten bevinden zich duidelijk in de periferie van de Teutoonse cultuur. Het multiraciale idee is aan hen vooralsnog voorbij gegaan.’

Kureishi groeide op in Bromley, de belegen Londense buitenwijk waar ook de bekende schrijver H.G. Wells vandaan komt. Zijn vader Rafiushan, telg van de dichtbevolkte Kureishi-familie die in Madras tot de gegoede klasse behoorde, emigreerde na de Tweede Wereldoorlog naar Engeland om rechten te studeren. Daar kwam weinig van terecht. Hij vond een baan op de ambassade, trouwde een Engelse vrouw en schreef in zijn vrije tijd boeken, die nooit gepubliceerd zouden worden. Van de manuscripten zou zijn zoon gebruik maken in My Ear at His Heart. De welgestelde Kureishi’s werden vanwege hun huidskleur op z’n best argwanend bekeken in Bromley, en dat terwijl ze zo Engels mogelijk probeerden te leven, wat terugkomt in de beroemde openingszin van The Buddha of Suburbia: ‘My name is Karim Amir, and I am an Englishman born and bred, almost.’

De jonge Hanif ging naar dezelfde school als tijd- en plaatsgenoot David Bowie – wiens muziek als soundtrack diende voor The Buddha of Suburbia. De androgyne zanger zou altijd een van Kureishi’s helden blijven, te meer omdat Bowie eveneens moest vechten tegen de beklemmende sfeer in dit getto van gordijngluurders. Toen eind jaren zestig de grote immigratiestromen op gang kwamen, was het klimaat volgens hem openlijk vijandig. Hanif Kureishi: ‘Na de Rivers of Blood-speech van Enoch Powell en de opkomst van het National Front waren velen van ons echt bang dat we het land uit zouden worden gegooid.’

Deze vrees leefde vooral bij de Aziatische immigranten uit Oeganda die door Idi Amin over de grens waren gezet en in Engeland een nieuw leven wilden opbouwen. In het boek worden zij vertegenwoordigd door Ajita en haar familie. In hun geval kwam het gevaar echter niet alleen van ‘rechts’. Marxisten, veelal afkomstig uit de gegoede middenklasse, riepen immers op tot stakingen in het naaiatelier van Ajita’s vader. Hoewel economische motieven werden aangedragen, voelde Ajita dat racisme het ware motief was. De islamofobie na de zelfmoordaanslagen van 7 juli was voor haar een bevestiging. Het enige verschil was dat het scheldwoord ‘Paki’ was vervangen door ‘moslim’.

Na zijn ontgroening in Bromley ging Kureishi filosofie studeren aan King’s College. In Something to Tell You speelt het denken van Ludwig Wittgenstein, Sigmund Freud en Jacques Lacan op de achtergrond mee. En niet te vergeten Arthur Schopenhauer, wiens vermoeden dat seks de meest volmaakte uiting is van de wil tot leven een rode draad vormt in dit boek. Vanwaar die obsessie met de geslachtsgemeenschap in zijn werk? vraag ik Kureishi.

‘Vind je het gek? Ik ben opgegroeid ten tijde van de seksuele revolutie. Ik heb de omslag meegemaakt van een repressieve wereld naar een obscene, doorgedraaide samenleving zonder grenzen, waarin niets meer verborgen blijft. Herinner je je het hoofdstuk dat zich afspeelt in de striptent? Geen van de aanwezigen is meer verbaasd bij het zien van bloot. Het lichaam heeft geen betekenis meer, geen geheimen meer. Het is dood. Het idee was dat wanneer je onderdrukking verwijdert er geluk ontstaat. Echter, onderdrukking maakt verlangen mogelijk. Een vraag in mijn jongste boek is of wij dit allemaal hebben gewild, de wereld van exhibitionisme bij Big Brother.’

Waar de jaren zestig en zeventig een seksuele, morele revolutie lieten zien, daar volgde in de jaren tachtig een sociaal-economische. In Kureishi’s jongste boek merkt een personage ironisch op dat Margaret Thatcher het conservatisme juist heeft vernietigd. Er ontstond een wereld van soaps en sterren, de wereld waarin een van Jamals vriendinnen, de televisiepresentatrice Karen, floreert.

Hanif Kureishi: ‘Elke idioot kon opeens rijk worden en de hebberigheid heeft de sociale verbanden en waarden vernietigd. Het is interessant hoe het thatcheriaanse idee van de vrijheid heeft geleid tot conformiteit, tot de vernietiging van individualiteit. Hebben we meer keuzevrijheid behalve dan tussen twee grote supermarkten…?’

Kureishi was een van de eerste Engelse schrijvers die aandacht schonken aan de opkomst van moslimfundamentalisme. Het jaar 1989 was voor hem dan ook niet alleen het jaar van de Berlijnse Muur, maar óók van de fatwa tegen zijn vriend Salman Rushdie. In het verleden heeft Kureishi zich schamper uitgelaten over collega-schrijvers als Jeanette Winterson, Julian Barnes en Martin Amis, omdat ze geen van allen schreven over racisme, politiek en fundamentalisme. Hij lacht wanneer ik deze opmerking ter sprake breng: ‘Inmiddels schrijft Amis over niets anders meer. Hij werd op een dag wakker, na die elfde september, twintig jaar nadat de anderen wakker waren geworden. En ja, hij zag dat fundamentalisme geen goed idee was. Komisch. Ras en religie zijn de grote thema’s van vandaag de dag. Dat is door Europese schrijvers lang genegeerd. Nu beginnen we onze achterstand in te halen waar het gaat om rassenbewust zijn, de plaats van de islam in de samenleving.’

Dat is volgens Kureishi grotendeels te danken aan Rushdie, wiens Midnight’s Children de internationale roman naar het Verenigd Koninkrijk heeft gebracht en een hele generatie Brits-Aziatische schrijvers heeft beïnvloed op de manier waarop My Beautiful Laundrette dat deed in de bioscoop. Wanneer ik hem voorleg dat de Amerikaanse romancier John Updike heeft gezegd dat de Brits-Aziaten de Engelse romancultuur hebben gered, waarbij hij onder meer doelde op Kureishi’s The Body, kijkt hij glunderend op: ‘Heeft hij dat gezegd? Wat aardig.’

Uit Something to Tell You spreekt bezorgdheid over het hedendaagse Londen.

Hanif Kureishi: ‘Londen wordt een speeltuin voor een nieuw soort immigranten: rijke Arabieren, Amerikanen, Russen… Voor gewone mensen, ik doel op kunstenaars, verplegers, onderwijzers, wordt het bestaan hier steeds lastiger. Je moet of arm zijn of heel rijk. Mensen vluchten naar buitenwijken, waar ze een geïsoleerd bestaan leiden en hunkeren naar een dosis spiritualiteit.’

Het boeddhisme? suggereer ik, knipogend naar zijn debuut.

‘Ja’, gniffelt Kureishi. ‘Dat is de perfecte ideologie voor het kapitalisme: op jezelf gericht, geen kritisch zelfonderzoek, geen betrokkenheid bij de wereld om je heen en totale vergetelheid. Ik doel niet op het boeddhisme van de Tibetaanse monniken, maar op de vrijblijvende westerse variant. Ja, religie is inderdaad opium voor het volk.’

Hanif Kureishi, Dit moet je weten (Something to Tell You). Vertaald door Molly van Gelder, De Bezige Bij, 469 blz., € 19,90