Ook in Nederland groeit de antiwetenschappelijke sfeer

Handelen in twijfel

In Amerika worden feiten steeds doeltreffender gedegradeerd tot meningen. De methode is afgekeken van de tabakslobby en wordt toegepast op het klimaat en tal van andere controversiële onderwerpen.

ER IS IETS VREEMDS aan de hand in de wereld van de wetenschap. De Verenigde Staten zijn op dat terrein veruit het belangrijkste land. Van de Nobelprijzen voor wetenschap ging dit jaar driekwart naar Amerikanen of naar onderzoekers die in Amerika werken, en zo gaat dat elk jaar. Van de eerste twintig universiteiten op de meest gebruikte academische ranglijst staan er drie buiten de VS. Die wetenschappelijke hegemonie levert ook regelmatig verbluffende resultaten op - van de maanlanding tot het internet en de atoombom tot mobiele telefonie - en wekt bewondering bij vriend en vijand. Volgens een onderzoek van Yale heeft driekwart van de Amerikanen ‘vertrouwen’ in wetenschappers, meer dan in welke andere groep of persoon dan ook. Volgens een ander onderzoek grenst de bewondering van Amerikanen voor wetenschappers aan 'verering’.
Paradoxaal genoeg groeit juist in de VS de scepsis en zelfs de afkeer van wetenschappers. Of om precies te zijn: van wetenschappers die onderzoek doen op controversieel terrein. De Amerikaanse vereniging van wetenschappers AAAS maakt zich zulke zorgen om het lastigvallen, de rechtszaken en zelfs doodsbedreigingen aan het adres van sommige wetenschappers, dat zij het onlangs nodig vond om in een verklaring te benadrukken dat 'de meeste wetenschappelijke meningsverschillen niets te maken hebben met fraude van welke soort dan ook’ en dat meningsverschillen 'een normaal en legitiem deel zijn van het wetenschappelijke proces’. Maar de scepsis over sommige takken van wetenschap is zo breed doorgedrongen dat de Republikeinse Partij, de grootste partij in het Amerikaanse parlement, volgens een van haar eigen presidentskandidaten een 'antiwetenschapspartij’ is geworden. Wie kans wil maken bij Republikeinse kiezers zal de evolutietheorie 'slechts een theorie’ moeten noemen en klimaatwetenschap 'één grote zwendel’.
Vroeger zou waarschijnlijk een socioloog zijn gepolst om uit te leggen hoe deze weerstand samenhangt met de tijdgeest. Of analisten zouden haar hebben gekoppeld aan de groeiende boosheid van burgers op iedereen. Maar in het geval van wetenschap is er iets anders aan de hand. De toenemende achterdocht tegen wetenschappers is niet een bijproduct van iets anders, maar het gevolg van georganiseerde, stelselmatige campagnes om wetenschappelijk bewezen feiten in twijfel te trekken - campagnes die groot succes hebben gehad en die daarom steeds meer navolging krijgen. De wetenschap staat er weerloos tegen.
Dat is in ieder geval de sombere strekking van Merchants of Doubt van de Amerikaanse wetenschapshistorici Naomi Oreskes en Erik Conway. Het is een journalistiek geschreven relaas, dat volgens de auteurs is gebaseerd op miljoenen pagina’s aan bewijsmateriaal die aan de rechter zijn gegeven tijdens de processen die de Amerikaanse overheid in de jaren negentig voerde tegen de Amerikaanse tabaksindustrie - miljoenen pagina’s die volgens de auteurs 'enkel door juristen en een handvol academici’ zijn gelezen. Oreskes en Conway destilleren er een verhaal uit over de ontdekking van een antiwetenschappelijke methode, een manier om twijfel te zaaien over feiten die voor allerlei doelen inzetbaar bleek.
Het verhaal van Oreskes en Conway is opgehangen aan twee wetenschappers die zich tijdens de Koude Oorlog evenzeer onderscheidden in wetenschappelijk talent als in politieke radicaliteit. Een ervan, Fred Seitz, bouwde nog mee aan de atoombom en werd hoofd van de Amerikaanse Academie van Wetenschappen. Fred Singer, de ander, speelde een grote rol bij de ontwikkeling van satellieten en diende in de regering-Reagan. Beiden omarmden vurig de oorlog in Vietnam, de bewapeningsrace met de Sovjet-Unie en andere conservatieve kruistochten, en verwijderden zich door hun radicaliteit van hun doorgaans apolitieke of progressieve collega’s. En beiden gingen werken voor de tabaksindustrie, die eind jaren zeventig tientallen miljoenen dollars vrijmaakte voor wetenschappelijk onderzoek. Daar vonden zij een methode uit die Oreskes en Conway de 'Tabaksstrategie’ noemen.
Het hart van de strategie is zo veel mogelijk artikelen, citaten of 'meningen van experts’ de media in krijgen die twijfel zaaien over de wetenschappelijke consensus op een bepaald gebied en over de motieven van wetenschappers die de consensus onderschrijven. Als zulke artikelen mensen al niet overtuigen, wekken ze in ieder geval de indruk dat er nog hevige meningsverschillen bestaan tussen wetenschappers over dat onderwerp, ook als dat helemaal niet zo is. De tabaksindustrie ontdekte dat het publiek veel sneller iets aanneemt van een wetenschapper dan van de industrie zelf.
Het is vaak niet moeilijk om zo'n 'tegengeluid’ de media in te krijgen, omdat het standaard media-format van onze tijd om twee visies vraagt die tegenover elkaar worden gezet. Dat houdt een automatische gelijkschakeling in, die vaak totaal tenietdoet met welke autoriteit beide partijen spreken. Het zaaien van twijfel is bovendien makkelijker dan het lijkt, want er zijn maar weinig feiten die wetenschappers met absolute zekerheid kunnen aantonen: meestal leggen zij een statistisch verband of claimen iets 'met grote waarschijnlijkheid’ te weten. Dat wetenschap opereert in een dimensie van absolute zekerheid waarin twijfel niet mogelijk is, is een misverstand dat door de tabaksindustrie en navolgers handig is uitgebuit.
In het geval van roken stelde dit een handvol wetenschappers in dienst van de tabaksindustrie in staat om decennialang, tegen de wetenschappelijke consensus in, te claimen dat er geen 'zekerheid’ was over het schadelijke effect van roken. Integendeel: er was twijfel! En het was toch zeker onwetenschappelijk om beleid te voeren op basis van twijfel en totalitair om wetenschappers te willen omzeilen die riepen dat de keizer geen kleren aan had? Wetenschappers die toch tot beleid opriepen, dienden kennelijk andere belangen. Door dergelijke verdachtmakingen kregen die wetenschappers de bewijsplicht, en de schijn, tegen zich.

DE TABAKSINDUSTRIE moest uiteindelijk overstag en schikte in 1998 haar schadeclaims voor ruim tweehonderd miljard dollar. Maar de methode leefde voort. 'Fred Singer en Fred Seitz vochten de wetenschappelijke consensus aan om redenen die niet wetenschappelijk van aard waren, maar politiek en ideologisch’, schrijft Naomi Oreskes, co-auteur van Merchants of Doubt, als antwoord op schriftelijke vragen. 'Toen de tabaksindustrie overstag ging, gingen Singer en Seitz in zee met groepen die een politiek of financieel belang hadden bij het aanvallen van de wetenschappelijke consensus op een bepaald gebied. Ze namen hun technieken mee om twijfel te zaaien en de wetenschappers die zich daarvoor leenden. En ze ontwikkelden ook technieken om eigen “experts” te vinden, door eenlingen binnen een vakgebied te zoeken of eigen wetenschappers op te leiden.’
Eerst richtten zij zich op 'Star Wars’, Reagans idee om kernraketten neer te schieten vanuit de ruimte. Er was vrijwel wetenschappelijke unanimiteit over de onhaalbaarheid van dat plan, maar de beide Freds verdraaiden dat kundig tot een 'ideologisch gemotiveerd’ standpunt. Daarna volgden onder meer zure regen (niet veroorzaakt door milieuvervuiling maar door vulkanen) en het gat in de ozonlaag (niet te wijten aan drijfgassen maar weer aan vulkanen). Ten slotte sloten zij zich aan bij het brede front dat werd opgetrokken tegen de klimaatwetenschap.
De antiwetenschappelijke methode was toen al breed verspreid geraakt. De tabaksindustrie was als geldschieter aangevuld door een steeds uitdijende groep bedrijven en denktanks. Die laatste zijn driedubbel nuttig: ze maskeren de geldstromen van bedrijven naar neponderzoek of twijfelcampagnes (de meeste denktanks houden hun boekhouding geheim), ze zijn vrijgesteld van belasting en het is makkelijk om ze naar publiek en media als heel wetenschappelijk te presenteren. De staf krijgt titels als senior fellow of director of research, de denktank krijgt een ernstig klinkende naam, zoals het Discovery Institute. De tabaksindustrie wees de weg met het Center for Indoor Air Research en de Council for Tobacco Research. Navolgers zijn bijvoorbeeld het Center for Consumer Freedom (alcohol- en horeca-industrie) of de Water Environment Federation van de rioolzuiveringsindustrie. Alleen al in de VS zijn er tientallen.
Daarnaast zijn er nepinstituten, opgezet door pr-firma’s die vervolgens hun 'instituten’ inzetten voor bedrijven in een bepaalde branche (zoals het Alliance for Better Foods, werkend voor biotech- en chemiebedrijven). Soms wordt de aldus gecreëerde ruis in het wetenschappelijke debat versterkt door de oprichting van nepverenigingen van 'bezorgde burgers’ die zich tegen regulering op basis van 'bevooroordeeld onderzoek’ verzetten. De tabaksindustrie had zijn Parents for Priorities, ouders die veel zaken belangrijker vonden dan tabaksregulering. Navolgers zijn Citizens for Recycling First (kolenindustrie), Wise Use Movement (houtkapindustrie) en Americans for Medical Progress (farmaceutische industrie).
Niet alle door het bedrijfsleven gesteunde organisaties zijn overigens cynische Potemkin-instituten; bij sommige vinden serieus onderzoek en nuttige conferenties plaats. Maar daar schuilt een eigen gevaar in. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) werkte bijvoorbeeld soms samen met het door de voedselindustrie betaalde International Life Sciences Institute, maar beëindigde dat uit voorzorg om bedrijfsbelangen achter het instituut niet te laten doorsijpelen naar het eigen werk. Lang niet alle universiteiten en wetenschappelijke organisaties kunnen zich zo'n onafhankelijke houding permitteren. Of beter gezegd: vele zijn steeds desperater op zoek naar een 'derde geldstoom’ die niet noodzakelijk belangenverstrengeling impliceert, maar wel het gevaar daarvan creëert.

ZO SUBTIEL gaat het er in ieder geval zelden aan toe bij de grootste antiwetenschappelijke campagne van dit moment: die tegen klimaatwetenschap. 'Opwarming van de aarde is van een heel andere orde dan onderzoek naar roken of luchtvervuiling’, zegt Chris Mooney, auteur van Unscientific America en The Republican War on Science. 'Om te beginnen zijn er enorme bedrijfsbelangen mee gemoeid in een heel scala aan sectoren, omdat opwarming van de aarde impliciet oproept tot minder consumptie en groei. Maar bovendien bedreigt opwarming van de aarde het hele wereldbeeld van conservatieve Amerikanen: hun geloof dat ons economische systeem, individualisme en het nastreven van eigenbelang uiteindelijk goed is voor iedereen. Het stelt limieten aan consumentisme en onze levensstijl; de blik op onze aarde als een fragiel ecosysteem dat we moeten beheren in plaats van een door God gegeven hulpbron. Het is te veel voor ze om te accepteren. Er treedt een psychologisch verdedigingsmechanisme op waardoor ook heel slimme mensen goede redenen bedenken om hier niet in te hoeven geloven. Ze verdedigen hun wereldvisie heel agressief.’
Alle bekende methoden werden hiervoor ingezet: nepdenktanks met namen als Global Climate Coalition, nepconferenties zoals International Conference on Climate Change, neponderzoeksbedrijven zoals New Hope Environmental Services, neprapporten zoals het World Climate Report. Conservatieven van allerlei pluimage schaarden zich achter de aanval op klimaatwetenschap. Er kwam een wonderlijke overlap in de wereld van nepwetenschap, van instituten die elk hun eigen stokpaardje bereden plús klimaatscepsis: het Science and Environmental Policy Project van Fred Singer keerde zich tegen klimaathysterie en tegen de gevaren van meeroken, het Heartland Institute tegen klimaathysterie en hoge belastingen. Dergelijke denktanks worden gesteund door een rijtje usual suspects met bovenaan Exxon en Koch Industries, het conglomeraat van twee broers dat ook de grootste financier is van de vele Tea Party-organisaties.
'Er zit geen geheime samenzwering achter’, zegt Chris Mooney, 'maar wel een heel brede conservatief-ideologische beweging die methoden van elkaar afkijkt om twijfel te zaaien over klimaatwetenschap. Het is de best georganiseerde en best gefinancierde antiwetenschappelijke campagne ooit. En die heeft een enorm succes gehad. Niet alleen ging de Republikeinse Partij mee, maar zelfs de regering. Tussen 2000 en 2008 hadden we in de VS de eerste antiwetenschapsregering ooit. Op tal van zaken, van stamcelonderzoek tot evolutie, klimaat, dierpopulaties en ga maar door, stelde de regering zich vijandig tegen wetenschappers op. Het is geen wonder dat ook gewone Amerikanen dat dan doen. De haat tegen wetenschappers die gewoon hun onderzoek denken te doen is onvoorstelbaar.’
Alle initiatieven wekten inderdaad de indruk van enorme verdeeldheid onder klimaatwetenschappers. In 2008 leek er zelfs sprake te zijn van een mondiale doofpot om klimaatcritici het zwijgen op te leggen toen e-mails van een Britse klimaatwetenschapper uitlekten, met de onmiddellijk als 'Climategate’ gedoopte affaire als resultaat. Het zorgde voor een golf aan media-aandacht voor 'klimaatsceptici’. Met resultaat: amper de helft van de Amerikanen geeft nog aan te geloven dat de aarde opwarmt. 'Wekelijks, of zelfs dagelijks, komen er wetenschappers uit de kast die het idee van door mensen veroorzaakte klimaatverandering verwerpen’, zei de Republikeinse presidentskandidaat Rick Perry deze zomer.
In werkelijkheid is er de afgelopen jaren onder wetenschappers juist een steeds sterkere consensus ontstaan over klimaatverandering. Alle grote wetenschappelijke verenigingen hebben in die periode verklaard dat opwarming van de aarde plaatsvindt, waarschijnlijk door menselijk handelen: de Amerikaanse AAAS, de Nasa, de Britse Royal Academy, onze eigen KNAW en ga zo maar door. Maar het rookgordijn is kennelijk al te dik. Enkele weken geleden maakte ook het Berkeley Earth Project zijn resultaten bekend. Het project was een met wetenschappelijke zwaargewichten volgestouwde onderzoeksgroep die na Climategate was opgezet. De groep stond kritisch tegenover eerder onderzoek naar het klimaat, hanteerde een nieuwe methode en kreeg geld van organisaties die tegen 'klimaathysterie’ lobbyen. De hoop bij klimaatsceptici was hoog. Maar helaas: de conclusie van het Berkeley Earth Project was dat de klimaatmodellen van de Nasa en andere organisaties kloppen als een bus: de aarde warmt echt snel op.

HET VERSCHIJNSEL van de georganiseerde antiwetenschap heeft grote vormen aangenomen in de VS, maar is ook de oceaan overgestoken. In zijn vroegere vorm van bedrijven die individuele wetenschappers proberen te beïnvloeden, was het er al lang. In 1999 schreef emeritus-hoogleraar antropologie André Köbben De onwelkome boodschap, over hoe wetenschappers soms onder druk komen om gewenste resultaten te bereiken. 'Het begint doorgaans heel vriendelijk’, zegt hij in een telefonisch gesprek. 'Als er bijvoorbeeld een wetenschapper is die tegen bijeffecten van een medicijn waarschuwt, kan er iemand van de farmaceutische industrie langskomen die zegt: “Wat gek dat u een ander resultaat hebt gevonden, wij hebben er elf jaar onderzoek in zitten. Komt u eens langs om met onze onderzoekers te praten.” Dan volgt een luxe reis naar de VS, een tour door het bedrijfslab en gesprekken met bedrijfsonderzoekers die zeggen: “Heus, u vergist zich.” Veel wetenschappers gaan dan twijfelen. Die twijfel is volgens een onderzoek van The Lancet de grootste reden dat kritisch onderzoek binnenskamers blijft.’
'Als een wetenschapper voet bij stuk houdt’, aldus Köbben, 'is een typische stap dat de bedrijfsvertegenwoordiger zegt: “Wat onaangenaam dat u zich zo opstelt, wij zullen helaas een advocaat moeten inschakelen.” En zo'n advocaat is doorgaans van de allerhoogste categorie. Als een wetenschapper dan nog niet terugschrikt, komen er rechtszaken en schadeclaims die een wetenschapper kunnen ruïneren. Het ís voor een bedrijf trouwens ook heel vervelend als een wetenschapper een product dreigt te torpederen waar veel ontwikkelingskosten in zitten. Daarom wordt het in het ergste geval erg grimmig: campagnes om de reputatie van een onderzoeker kapot te maken of om diens ontslag te bereiken.’
Het belangrijkste wapen om een wetenschapper aan te pakken, is volgens Köbben twijfel. 'Er zit in een wetenschappelijk onderzoek altijd wel een aanknopingspunt voor een aanval, iets waarover de onderzoeker niet honderd procent zeker is. Het zit ook in de natuur van wetenschappers om altijd een voorbehoud te maken. Dat recht op twijfel plus de terughoudendheid om je eigen resultaten te robuust te presenteren, is de achilleshiel van de wetenschap geworden. Bedrijven gebruiken het om ze aan te klagen voor het onterecht zwartmaken van hun product.’
Vergeleken met de VS is het beïnvloeden van de publieke opinie tegen de wetenschappelijke consensus in Europa echter een bescheiden fenomeen gebleven. De meeste Europese samenlevingen zijn minder gepolariseerd dan de VS, en er is vaak grotere achterdocht tegen bedrijven die zich met meningsvorming bezighouden. Dat reflecteert in de geheimzinnigheid van sommige denktanks die dat toch doen. De Britse Global Warming Policy Foundation eist bijvoorbeeld 'openheid en transparantie’ van wetenschappers, maar houdt haar donateurs geheim omdat het 'begrijpelijk is dat donors niet publiekelijk betrokken willen zijn in controverse’.
In Nederland zijn er geen door bedrijven betaalde denktanks die op eenzelfde manier het publieke debat over wetenschappelijke onderwerpen proberen te sturen als in de VS en Groot-Brittannië. In Brussel zijn ze wel op bescheiden schaal neergestreken. 'Het Centre for the New Europe, dat waarschijnlijk dreef op donaties van Exxon en Pfizer, was onder meer opgericht om het klimaatdebat te beïnvloeden en de Europese steun voor het Kyoto-protocol te ondergraven. Na kritiek dat het te veel een vehikel voor bedrijfsbelangen was, zijn de activiteiten uitgedoofd’, zegt Olivier Hoedeman, onderzoeker bij de ngo Corporate Europe Observatory. 'De International Council for Capital Formation kwam uit dezelfde koker. Het was waarschijnlijk een mantelorganisatie van Exxon en had EU-besluitvorming omtrent het klimaat als hoofddoel. Het gaf rapporten uit met extreme cijfers over de te verwachten schade aan de Europese economie en bood workshops aan waar ook Europarlementariërs op afkwamen. Na kritiek dat het geen Europese denktank was maar een uit de VS gefinancierde organisatie, kwam ook de Council in de problemen. Het klimaatdebat is een veel lastiger onderwerp in Europa dan in de VS: er is breed gedragen steun voor klimaatmaatregelen.’
Wat wel overwaait uit de VS is de antiwetenschappelijke en opgefokte sfeer van de klimaatsceptische denktanks uit de VS en de neiging om elk flintertje debat onder klimaatwetenschappers - over de mate van zeespiegelstijging, opwarmingsmetingen of wat dan ook - niet uit te leggen als bewijs van een gezonde wetenschappelijke dialoog maar als nieuw bewijs van de reusachtige zwendel waar bijna de hele 'wetenschappelijke elite’ bij betrokken is, met als doel te verbergen dat klimaatverandering een onbewezen maar lucratief verzinsel is.
Zo is de vertolker van het 'klimaatsceptische’ geluid in de politiek de PVV, of preciezer Richard de Mos. Hij verwijst in zijn Kamervragen en mediaquotes vaak naar de site climategate.nl. Dat is een gewoon particulier blog, maar het linkt wel door en verwijst naar Amerikaanse denktanks die worden betaald door bedrijven met een belang in ruis; het neemt automatisch nieuws over van de Europese vestiging van het onder andere door Exxon en Chevron gefinancierde Committee For A Constructive Tomorrow, of neemt content over van het door de tabaksindustrie betaalde Competitive Enterprise Institute. De antiwetenschappelijke houding van die denktanks, gehuld in de vermomming van 'echte wetenschap’, valt bij De Mos in vruchtbare aarde. Zo wilde hij bijvoorbeeld van de minister weten of het KNMI zich niet had gediskwalificeerd omdat het instituut 'partij had gekozen in het klimaatdebat’. Want wacht even: er is nog volop controverse, minister. Een met overheidsgeld betaald instituut kan dan toch niet zomaar een kant kiezen?
De wetenschap lijkt weerloos te staan tegen deze methode. Chris Mooney, van Unscientific America, bepleit mediatraining voor wetenschappers ('Ik geef dat zelf’), maar het ligt voor de hand dat dat als 'indoctrinatietraining’ kan worden weggezet. Ook Naomi Oreskes, van Merchants of Doubt, heeft geen oplossing: 'Ik weet ook niet hoe we het tegen moeten gaan, behalve wellicht door er steeds op te hameren dat mensen een realistische verwachting van wetenschap moeten hebben. In wetenschap zal altijd een mate van onzekerheid zitten. Zo is het leven en dat moeten we accepteren. Ik had eens een idee voor een boek dat ik misschien maar eens moet schrijven: Living with Uncertainty. Als we hebben geleerd om met onzekerheid te leven in alle andere aspecten van het leven, waarom dan niet in wetenschap?’