De toneelmarathons van Peter Stein

Handelsreiziger in garen & band

Vorige zomer maakte regisseur Peter Stein met bijna dertig acteurs een voorstelling op basis van de roman Demonen van Dostojevski, een marathon. I Demoni wordt twee keer getoond op het Holland Festival.

‘AAN DE HOOGTE VAN HET HONORARIUM dat onze regievedetten tegenwoordig bedingen voor een enscenering aan een van onze Duitse stadstheaters’, zei Peter Stein in 1993 plagerig in een interview, 'kun je ongeveer aflezen hoe het staat met de verbouwing van hun Italiaanse landhuizen.’ Vijf jaar later had Peter Stein zijn eigen fattoria, in San Pancrazio, noordelijk van Rome. Een vruchtbaar stuk land, zo bleek. Tijdens de talrijke pauzes in zijn omvangrijke Faust-project op de Expo van Hannover (2000) werd de olijfolie van San Pancrazio verkocht. Wie op internet zoekt onder 'San Pancrazio’ en 'Peter Stein’ krijgt meteen de foto’s en de prijslijst van het landgoed. De voormalige kapel, de varkensstal en enkele boerenhoeven zijn verbouwd tot gastenverblijven. Stein en zijn Italiaanse vrouw, de actrice Maddalena Crippa, bewonen een middeleeuwse toren.
Een schuur op het terrein is een paar jaar geleden omgebouwd tot repetitieruimte annex teatro, met een speelvlak van zestien meter in het vierkant. Daar werd in de voorzomer van 2009 het resultaat getoond van maanden werken aan een toneelbewerking van Dostojevski’s roman Besy (1871), Boze geesten. Het project I Demoni lijkt alle kenmerken te vertonen van wat Peter Stein zonder voorbehoud in het theater blijft zoeken: een kristalheldere toneelspelerstoon en ensembleregie, een vrijwel kaalgeslagen vormgeving, een aanhoudend zoeken naar de noodzaak van de stof en de vertelling en een bijna ascetische trouw aan de tekst.
Peter Stein (Berlijn, 1937) studeerde germanistiek en kunstgeschiedenis in Frankfurt en München. In die laatste stad debuteerde hij in 1967 als toneelregisseur bij de Münchner Kammerspiele, het legendarische ensemble waar onze landgenoot Johan Simons binnenkort directeur wordt. Als gastregisseur in Bremen en Zürich maakte hij eind jaren zestig naam met fris gelezen en schoongemaakte versies van klassieke teksten, waaronder een legendarische visie op Goethe’s Torquato Tasso met Bruno Ganz in de titelrol. Hij formeerde er het ensemble van jonge toneelspelers waarmee hij in 1970 aantrad in Berlijn, bij de Schaubühne am Hallischen Ufer: onder hen Bruno Ganz, Otto Sander, Edith Clever, Michael König, Jutta Lampe, Tina Engel, Werner Rehm, toneelspelers die in het collectief werkende ensemble onder Stein naam maakten. Niet meer de gebruikelijke dertien premières per seizoen, er werd acht maanden gewerkt aan één voorstelling, die dan ook in een lange serie werd gespeeld. Gezamenlijke discussies en beslissingen kwamen er, over het repertoire en door het gehele collectief.
Voorstudievoorstellingen werden gemaakt, zoals Antikenprojekt I, Übungen für Schauspieler (1974) die uiteindelijk zouden leiden tot (soms) marathonvoorstellingen als Antikenprojekt II, de volledige Oresteia (1980). Peer Gynt van Ibsen (1971) werd verdeeld over twee avonden en zes Peer-vertolkers. Een Shakespeare-komedie (As You Like It, 1977), werd voorafgegaan door een studieproject over Shakespeare en zijn tijd, wat weer leidde tot de voorstelling Shakespeare Memory, een levende tentoonstelling over het Elisabethaanse Engeland en zijn literatuur, verdeeld over twee avonden in de UFA-filmstudio’s van Babelsberg nabij Berlijn (1976).
Overweldigende ensceneringen van 'Russen’ waren er bij de Schaubühne te zien, zoals Gorki’s Zomergasten (1974) en Tsjechovs Drie zusters (1984), naast het volledige 'jonge’ toneelwerk van Botho Strauss, die als dramaturg bij Peter Stein begon. En behalve Peter Stein opereerden de beste gastregisseurs die je kon bedenken, onder wie Klaus Michael Grüber en Robert Wilson. Zelfs de registraties die van een aantal van de Schaubühne-voorstellingen bestaan, getuigen van de absolute klasse.
Stein en de zijnen maakten ongeveer twintig jaar het beste toneel dat Duitsland tussen 1970 en 1990 te bieden had. Gerardjan Rijnders, die in de jaren zeventig een aantal keren verslag deed van de verrichtingen van de Berlijnse Schaubühne, sprak over 'engagement door kunst overwonnen’: 'De manier van spelen is sterk geworteld in het realisme. De stilering zit hem vooral in de vertraging. Alles na elkaar. Je kijkt als het ware door een microscoop. Iedere gedachte, iedere emotie wordt glashelder zichtbaar gemaakt. De toeschouwer leeft mee en dénkt tegelijkertijd. Te subtiel om het brechtiaans te noemen, te gedistantieerd om het met Stanislawski af te doen.’

PETER STEIN OVERLEEFDE de tweede seven year itch net niet en moest in het midden van de jaren tachtig in Berlijn het veld ruimen. De Schaubühne bleef verweesd achter en overleefde zijn vertrek eigenlijk pas sinds het jonge regietalent Thomas Ostermeier in 1999 als intendant aantrad. Peter Stein was ondertussen opera gaan doen in de luwte van Wales, studeerde zijn Oresteia in Moskou in met Russische acteurs en werd Schauspieldirecteur van de Salzburger Festspiele (1992-1997), waar hij nieuw regietalent naar zijn hart kon introduceren (Deborah Warner, Leander Haussmann).
In die periode maakte Stein ook zijn eerste grote Italiaanse enscenering, Tito Andronico van Shakespeare, een samenwerkingsproject van de Romeinse toneelschool Centro Teatro Ateneo en het Teatro di Genova. Die voorstelling hoort tot het beste werk dat hij ooit maakte. Stein brak met de traditie om Shakespeare’s gruwelstuk te spelen als grand guignol, het werd een vertelling over een wereld waarin de waanzin methode is geworden en wreedheid de gangbare code. Afzonderlijke scènes werden als het ware in het collectieve geheugen van de toeschouwers gebeiteld, de woede onder het stuk zocht een uitweg in bewegingen die echt pijn deden, een eenvoudige gestiek die groots was in haar eenvoud. Vanaf een bepaald moment is Stein alleen nog voorstellingen gaan maken uit materiaal dat hij nader wilde leren kennen, juist vanwege die ogenschijnlijke eenvoud. Daaronder een aantal Duitse klassiekers.
Toen Stein in 1993 in Amsterdam was om uit handen van koningin Beatrix de Erasmus Prijs te ontvangen, las hij in de overvolle Rode Zaal van de Brakke Grond ten overstaan van een ademloos publiek voor uit Faust I en II. Dat was het project dat hij ooit wilde realiseren, integraal, van versregel 1 tot en met versregel 12.111. Een kleine tien jaar heeft hij ermee geleurd, als een handelsreiziger in garen & band. En toen lukte het, dankzij de Deutsche Bank, DaimlerChrysler en nog wat sponsoren, de Bondsregering, twee steden (Berlijn en Wenen) en de Expo 2000 Hannover. Dertig miljoen (DM toen nog) heeft de onderneming gekost, een derde daarvan is opgebracht door het publiek (dat in 2000 en 2001 vrij massaal toestroomde) en uit de tv-rechten en de dvd-verkoop. 'De tragische kracht van Faust’, aldus Stein indertijd, 'bestaat erin dat op ieder menselijk handelen een ramp volgt, daarop de bestraffing, en daarop de vólgende menselijke handeling met weer een ramp tot resultaat. Zo ontstaat de tragische paradox dat leren niet mogelijk is, maar dat het zónder leren ook niet gaat, en er dus steeds opnieuw fouten moeten worden gemaakt.’
Het leek de korte samenvatting van de story of his life op dat moment. De Duitse pers maakte vrij genadeloos gehakt van de onderneming (dertien uur toneel verspreid over twee dagen voor vijfhonderd toeschouwers). Van dik hout zaagt men planken, vond ik, voor Stein was het business as usual: 'Ik lees al twintig jaar geen recensies meer. Wie me lof toezwaait beschouw ik als zwakzinnig, omdat ze niet hebben begrepen waar het me om begonnen is, en als ze me bekritiseren of het scheisse vinden, ben ik diep gewond.’
In 2007 kwam Stein met de volgende marathon, de zelden volledig gespeelde trilogie Wallenstein van Schiller over de Dertigjarige Oorlog in de zeventiende eeuw, gespeeld in de hal van bierbrouwer Kindl in de probleemwijk Neukölln, Berlijn-Zuidoost. Steins doel was drieledig: Bildung (ken je klassiekers), het brengen van een grote vertelling over de meest mensenverslindende oorlog die ooit op Duits grondgebied was uitgevochten, en het tonen van het keelsnoerende verhaal achter die oorlog. Titelrol: Klaus Maria Brandauer. De toneelpers vond het in meerderheid opnieuw niks, er moest weliswaar (net als bij Faust I en II) een hoop folkloristisch houtenklazentoneel worden weggeslikt (Stein is nogal hardleers in wat hij 'de traditie’ noemt), maar het geheel was een meer dan genietbare portie teksttheater van hoog niveau. De firma die Steins toneelondernemingen (co)produceert heet sindsdien Wallenstein Betriebs GmbH.

EN DAN NU I Demoni. Oorspronkelijk werd Stein gevraagd Camus’ bewerking Les possédés van Dostojevski’s roman Besy te ensceneren. Steins tegenvoorstel was een eigen 'vertelling’ van de integrale roman te maken. Oorspronkelijk zou die in april 2009 in première gaan bij Teatro Stabile in Turijn. Toen dat niet door kon gaan omdat het gezelschap werd getroffen door een subsidiekorting van twintig procent, besloot Stein tot een zomerse 'workshoppresentatie’ voor toneelintimi op zijn eigen landgoed en gedeeltelijk op eigen kosten. En dat leidde weer tot een wereldtournee, die het ensemble via Milaan, Napels, Wenen en eind deze week Amsterdam, voert naar Ravenna, Athene en New York.
De oude heksenmeester doet wat hij het best kan: op een kale speelvloer (wat meubels, een piano, eenvoudige kostumering, daglicht en invallende schemering) laat hij de toneelspelers een wereld creëren van kleinsteedse liberalen die hun kop in het zand steken, terwijl hun zonen en dochters anarchistisch-conspiratieve ideologieën en complotten smeden, die in de derde acte tot doodslag, zelfmoord en vernietiging leiden. Geconcentreerd toneelspelen, tot de essentie gereduceerd, ogenschijnlijk nonchalant, bijna filmisch acteren. Licht ironisch is de toon, soms zelfs hilarisch. Wat blijft is een groot verhaal met minimale middelen verteld, actueel zonder zich op te dringen. Nominale speeltijd: een uur of negen. Daarbij opgeteld: een paar uur, voor twee lichte maaltijden, en vier kleine pauzes voor een versnapering en een plas.
Na de voorstellingen in New York (Lincoln Centre, uitverkocht), reist Peter Stein af naar de Festspiele van zijn vertrouwde Salzburg, waar op 26 juli een nieuw project van hem in première gaat: Oidipous auf Kolonos in zijn eigen vertaling, titelrol: Klaus Maria Brandauer. 72 is Stein nu, een onvermoeibare nomade in zijn eigen taalgebied, door de 'feuilletonisten’ nagenoeg afgeschreven, in de ogen van jonge Duitse toneelmakers ofwel gezien als een kwaadsprekerige mopperkont die alle nieuwlichterij in het toneel ten diepste veracht, ofwel een lichtend voorbeeld, een goeroe, een Maestro. We zijn nog lang niet van Peter Stein af. En waarom zouden we dat ook willen?

I Demoni, Holland Festival, Westergasfabriek, Amsterdam. 12 en 13 juni, 11 uur (einde tegen middernacht). www.hollandfestival.nl. Materiaal van de Italiaanse tv over de 'workshoppresentatie’ van I Demoni op Peter Steins landgoed, zomer 2009: www.idemoni.org (video)