Handen af van afrika

Het gaat slecht met Afrika. Gelukkig weten de Nederlandse media precies wat het gepijnigde continent nodig heeft: een ‘milde herkolonisatie’. Alsof er ooit sprake is geweest van een echte Afrikaanse dekolonisatie. Pleidooi voor een waarlijk Afrikaanse oplossing.

DE BERICHTGEVING over de Ruandese burgeroorlog heeft behalve veel medeleven ook meer belangstelling gewekt voor de achtergronden van de conflicten in Afrika. Getuige de vele opinierende artikelen die in de Nederlandse dag- en weekbladen verschenen, is menigeen het beu om het nieuws van de zoveelste humanitaire ramp in Afrika lijdzaam over zich heen te laten komen. De beelden uit de vluchtelingenkampen dwingen niet alleen tot grootschalige hulpverlening, maar ook tot bezinning op de gezamenlijke verantwoordelijkheid van westerlingen en Afrikanen voor de toekomst van het continent.
En daar beginnen meteen de problemen. Zoals uit de berichtgeving blijkt, is het onmogelijk om van een reusachtig gebied als Afrika een eenduidig beeld te schetsen, laat staan een eenvoudige oplossing voor de problemen. De verleiding is dan ook groot om terug te grijpen op het vertrouwde doemdenken over Afrika.
De basis voor het stereotiepe beeld van Afrika werd gelegd tijdens de Verlichting, toen het ‘wetenschappelijke’ rassenonderscheid gemeengoed werd. De idee van ongelijksoortige rassen met elk een eigen taak in de wereld paste ook uitstekend in het organische maatschappijbeeld van de negentiende- eeuwse romantici. De Afrikaan was in hun ogen 'de natuurlijke mens in zijn wilde en ongetemde toestand’, die niet in staat kon worden geacht op eigen kracht een bijdrage te leveren aan de beschaving. Het artikel dat de Amerikaan Robert Kaplan eerder dit jaar publiceerde in het tijdschrift Atlantic Monthly, waarin hij beweerde dat de Afrikanen door eigen toedoen zijn overgeleverd aan honger, anarchie en burgeroorlog, wijkt niet wezenlijk af van de koloniale traktaten van honderd jaar geleden. Alleen de terminologie is gesaneerd.
Toch valt het niet moeilijk om dit Afro-pessimisme te weerleggen. Tegenover de tragedie in Ruanda staan hoopvolle ontwikkelingen die aantonen dat Afrikanen wel degelijk hun lot in eigen handen kunnen nemen. Ten bewijze dat volkenmoord ook in Afrika niet altijd ongestraft blijft is in Ethiopie - waar in de jaren zeventig en tachtig een genocide plaatsvond die te vergelijken valt met die in Ruanda - een proces in voorbereiding tegen meer dan duizend militairen en ambtenaren die voor de terreur verantwoordelijk worden geacht. En getrouw aan een lange traditie van Afrikaanse vakbondsstrijd wordt momenteel in Nigeria massaal gestaakt met het doel om de democratie te herstellen.
Ondanks hardnekkige weerstand van de regerende generaal Sani Abacha en de olie maatschappij Shell trachten de vakbonden de vorig jaar gekozen president Mashoed Abiola uit de gevangenis te bevrijden en op zijn presidentszetel te zetten.
In 1989 werden 38 van de 46 zwarte Afrikaanse staten bestuurd door een dictator. Sindsdien hebben in zestien van die landen democratische verkiezingen en hervormingen plaatsgevonden. Ook Zuid-Afrika, jarenlang onderwerp van inktzwarte prognoses, geeft een positieve ontwikkeling te zien. De tegenstelling tussen het blanke apartheidsregime en de zwarte meerderheid bleek uiteindelijk in goed overleg te kunnen worden overbrugd. Na de geslaagde verkiezingen in Zuid-Afrika mag het ook voor de grootste pessimist duidelijk zijn dat het beeld van Afrika als een reddeloos continent aan herziening toe is.
HET AFRIKA-DEBAT in de vaderlandse pers geeft echter geen beeldenstorm te zien, al nemen er in Nederland woonachtige Afrikanen aan deel. In de Volkskrant werd de discussie geopend door de Nigeriaanse tijdschriftredacteur Femi Akomolafe. Zijn bijdrage, 'Afrikaan lacht om Europese domheid’, was een ietwat onbeholpen poging de rampscenario’s voor Afrika te weerleggen. Volgens Akomolafe zijn de Europeanen zo verblind door hun materialisme dat ze de zonzijde van het Afrikaanse leven niet zien. Op zijn reizen door West-Afrika had hij geen tekenen van een naderende zondvloed waargenomen: 'Ik heb geen mensen zien lijden. Ik heb geen mensen door pessimisme verteerd zien worden. Ik heb energieke mensen gezien, die gewoon hun uiterste best deden de problemen van alledag op te lossen. Overal waar ik kwam zag ik muziek, kleuren, dans en een brede glimlach.’
Akomolafe was bovendien zo brutaal om het Afro-pessimisme van de Europeanen te verklaren uit racisme: 'Jullie willen dat wij van de aarde verdwijnen en het enige wat jullie doen is nutteloze statistieken verzamelen ter ondersteuning van jullie wens.’ Dat kwam hem te staan op een strenge repliek van Volkskrant-redacteuren Paul Brill en Janny Groen, die tegenwierpen dat Afrika zijn rampspoed al te gemakkelijk aan het Westen wijt. Onder verwijzing naar rapporten en zegslieden van de Wereldbank verklaarden Brill en Groen dat Afrika er wel degelijk beroerd voor staat, en dat dat aan de Afrikanen zelf te wijten is: 'Feit is dat het continent als geheel er slechter aan toe is dan aan de vooravond van de grote golf van onafhankelijkheidsverklaringen.’
Waar Groen en Brill niet verder kwamen dan een oproep tot 'kritisch zelfonderzoek’ stootten Elsevier en HP/De Tijd de afgelopen weken meteen door naar de kern: het steeds vaker gehoorde pleidooi voor een 'milde herkolonisatie’ van Afrika. De teneur in beide bladen was dat Europa een gemeenschappelijk Afrika-beleid zou moeten ontwikkelen, gebaseerd op erkenning van de Afrikaanse onmacht en het inzicht dat een 'terugkeer naar overheersing hier en daar noodzakelijk is’.
Elsevier-redacteur Rene van Rijckevorsel legde in zijn bijdrage tenminste nog de vinger op de zere plek: het falen van de postkoloniale staatsvorming in Afrika. De staat heeft zijn legitimiteit verloren, het overheidsapparaat is in handen gevallen van militairen en gangsters en van de weeromstuit heeft de Afrikaanse bevolking alle burgerzin verloren. Maar vervolgens pleit hij voor een verregaande inmenging door de voormalige kolonisator. Volgens Van Rijckevorsel is Europa door geschiedenis en geografie voorbestemd om 'de natuurlijke leidsvrouw van Afrika’ te zijn.
Hoe nu? denkt de lezer: een leidsvrouw die in Joegoslavie al over de eigen benen struikelt zou heel Afrika bij de hand moeten nemen? Jazeker, zo laat de Britse historicus Paul Johnson in Elsevier weten: grote delen van Afrika hebben bewezen niet in staat te zijn zichzelf te besturen, zodat 'direct bestuur door beschaafde landen’ de enige oplossing is.
Ook de HP/De Tijd-redacteuren Bukman en Steenhuis gaan uitvoerig in op de suggestie om 'Afrika onder direct bestuur te plaatsen van beschaafde landen, min of meer zoals een eeuw geleden’. In hun ijver om het Afrikaanse onvermogen tot zelfbestuur te onderstrepen, maken zij het wel heel bont. De dekolonisatie van Afrika verliep in hun versie 'vrijwel geruisloos’, wat de zondeval van de Afrikaanse leiders nog schandelijker maakt: 'Bijna vanzelf nam in deze landen de zwarte elite het heft in handen. Om Afrika vervolgens te veranderen in een slagveld, alsof er een heuse oorlog had gewoed.’ De strijd van de nationalistische bewegingen - van de boerenopstanden en de Mau Mau-revolte in Kenia tot de bevrijdingsstrijd in Angola en Mozambique - was volgens HP/De Tijd kennelijk een collectieve hersenschim van twee generaties geschiedschrijvers.
In de hele discussie wreekt zich het feit dat Nederland geen recent koloniaal verleden in Afrika heeft. Nederlanders kunnen niet uit eigen ervaring meepraten over Afrikaanse vraagstukken, zoals ze dat wel kunnen met betrekking tot Indonesie. Als om dit tekort te illustreren laten Bukman en Steenhuis uitvoerig de socioloog en HP/De Tijd-columnist J. A. A. van Doorn aan het woord, die de onvermijdelijke vergelijking trekt met de Indonesische onafhankelijkheid: 'Die inlanders hadden al veel voor elkaar voordat wij daar arriveerden. Er was een zekere graad van civilisatie waarop later kon worden voortgebouwd. In Afrika is dat niveau nog lang niet bereikt.’
GELUKKIG PUBLICEERDE de Volkskrant temidden van dit omslachtig vertoon van vaderlands onvermogen een paginagroot interview met de Britse Afrika-kenner Basil Davidson, die het proces van dekolonisatie zelf meemaakte en meer dan dertig boeken en documentaires over Afrika op zijn naam heeft staan. Davidson maakt korte metten met de neokoloniale koortsdromen: 'Rekolonisatie betekent tienduizenden soldaten en ambtenaren voor lange tijd in Afrika stationeren om een administratie op te zetten. Ik zie dat belastingbetalers in Europa nog niet opbrengen. Een absurde gedachte die bovendien op geen enkele manier in het belang is van de landen die het op zich zouden moeten nemen. Een gedachte die bovendien ontkent dat de economische orde nog steeds de koloniale orde is.’
Daarmee raakt hij de achilleshiel van de Afro-pessimisten: het uitgangspunt dat Afrika de afgelopen dertig jaar werkelijk op eigen benen heeft gestaan, zonder noemenswaardige inmenging van buitenaf. Die inmenging begon vaak al op het moment dat de kolonisator zich terugtrok, in de vorm van militaire bases, invloedrijke adviseurs en bedrijven die hun hoofdzetel in het koloniale moederland hadden. Zo hielden de voormalige overheersers een grote, soms doorslaggevende invloed op het bestuur van de jonge Afrikaanse naties.
Tijdens de Koude Oorlog maakten bovendien zowel de Verenigde Staten als de Sovjetunie naarstig bondgenoten op het Afrikaanse continent in ruil voor economische steun en militaire hulp. Doordat de Amerikanen en Fransen bijvoorbeeld aan het begin van de jaren zestig in Zaire (voormalig Belgisch Kongo) de dictator Joseph Mobutu aan de macht hielpen en hem sindsdien door dik en dun steunden, blijft dat land nu al dertig jaar verstoken van een zelfstandige ontwikkeling.
Met het aantreden van de regering-Nixon in 1969 werd het zelfs officieel Amerikaans beleid om de blanke minderheidsregimes in Afrika te ondersteunen in het kader van de wereldwijde strategie tegen het communisme. Vrijwel meteen werd contact gelegd met het internationaal geisoleerde Pretoria, later gevolgd door een eenzijdige Amerikaanse doorbreking van het handelsembargo tegen het apartheidsregime. Het Portugese bestuur in Angola en Mozambique werd gesteund in zijn strijd tegen de bevrijdingsbewegingen en Portugese soldaten werden getraind in de Amerikaanse Jungle Warfare School in de Panamese Kanaalzone. Een veiligheidsmemorandum uit 1969 (Memorandum nr. 39, dat in 1975 uitlekte) formuleerde het aldus: 'De blanken zullen zich niet laten verdrijven en alleen door hun toedoen kan er constructieve verandering plaatsvinden. Er bestaat geen hoop voor de zwarten om de politieke rechten die ze nastreven te bereiken door middel van geweld, dat enkel zal leiden tot chaos en grotere kansen voor de communisten.’
Dat de communisten daar anders over dachten, bleek in de jaren zeventig, toen de Sovjetunie overeenkomstig de ambitieuze plannen van Leonid Breznjev een openlijke poging deed om de westerse hegemonie in Afrika aan te tasten. De Russen intervenieerden onder het mom van broederlijke samenwerking in Jemen, Ethiopie en Eritrea om de Hoorn van Afrika onder hun controle te brengen, en in de voormalige Portugese kolonien teneinde het strategisch gelegen en grondstoffenrijke Zuid-Afrika in te sluiten.
Zoals bekend maakten de Russen gebruik van Cubaanse en Oostduitse troepen en adviseurs. Minder bekend is dat Libie als draaischijf voor dit offensief fungeerde. Het duidelijkst werden Afrikanen tegen elkaar opgezet in Ethiopie en Eritrea, die op zeker moment beide door de Sovjetunie werden bewapend in afwachting van het moment dat een van de twee de beslissende overwinning zou boeken.
NOG ALTIJD DRAAGT Afrika de sporen van de verwoestingen die de grootmachten met dit schaakspel aanrichtten, temeer omdat van herstelbetalingen aan de hevigst getroffen landen zoals Angola en Ethiopie nog altijd geen sprake is. 'De oude koloniale mogendheden hadden tenminste de verantwoordelijkheid genomen voor wat zij gedaan en veroorzaakt hadden, maar dat scheen de twee grote mogendheden in dezen niet te kunnen schelen: zij leken zelfs niet te weten wat hun agenten van plan waren. Wat de toestand rond 1990 nog jammerlijker maakte, was dat het programma van de mogendheden voor die van buitenaf opgezette moordpartijen nog doorging, zelfs nadat zij hadden erkend dat de koude oorlog tussen hen voorbij was’, aldus Davidson in Afrika en de vloek van de natiestaat.
Het eigen vermogen tot regeneratie kon in de jaren tachtig nauwelijks worden aangesproken omdat de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds de Afrikaanse staten dwongen tot de 'Structurele Aanpassingsprogramma’s’, gebaseerd op overheidsbezuinigingen, privatisering van overheidsdiensten, aanpassing aan de wereldmarkt en openstelling van de nationale economieen voor investeringen uit het Westen. Van de beloofde volwaardige opname van Afrika in het wereldhandelssysteem is echter niets terechtgekomen.
De teloorgang van de postkoloniale staat in de jaren tachtig kan niet los worden gezien van deze gedwongen aanpassing: het overheidsapparaat kan de burger niet de minste bescherming meer bieden, de macht valt toe aan gangsters die de natuurlijke rijkdommen en het menselijk potentieel zoveel mogelijk te gelde maken. 'Zoals overal elders hebben de budgettaire doelstellingen van het IMF rampzalige gevolgen voor de werkgelegenheid, de gezondheid en het onderwijs, alsmede voor het economisch herstel waarop zij in principe toch gericht zijn’, aldus de Britse hulporganisatie Oxfam: 'Nergens in Afrika is het herstel in zicht. De structurele aanpassing loopt uit op een desindustrialisatie als gevolg van de hoge rente en de vrijhandelspolitiek.’
Het resultaat van dit alles is een terugval van delen van de bevolking in stamverbanden en traditionele vormen van bescherming en samenwerking die zich gemakkelijk voor politieke doeleinden laten misbruiken. Dat is bijvoorbeeld het geval in landen als Ruanda, Zaire en Angola, waar de heersende elites met buitenlandse steun hun toevlucht hebben genomen tot een zuiver etnische verdeel- en heerspolitiek die - zie Ruanda - gemakkelijk ontaardt in genocide. Rond de Zairese dictator Mubutu is zelfs een regionaal netwerk ontstaan van polit-gangsters die zich laten adviseren en bewapenen door Zuid-Afrika, Israel en Frankrijk en die hun beleid onderling coordineren. Mobutu, de leider van de Angolese terreurbeweging Unita Jonas Savimbi, de Zuidafrikaanse Zulu-leider Buthelezi en de leider van de Afrikaner Weerstandbeweging Eugene Terreblanche ontmoeten elkaar en maken afspraken over wapenleveranties, drugstransporten en uitwisseling van adviseurs en huurlingen. De Amerikaanse organisatie Human Rights Watch heeft bewijzen in handen dat de Ruandese regering aan de vooravond van de massamoord nog gauw voor zes miljoen dollar automatische geweren en handgranaten inkocht in Zuid-Afrika. De voorlaatste zending (onder meer uit helikopters en mortieren bestaand) was geleverd door de Fransen, die tevens voor de benodigde instructeurs zorgden.
WIE IN HET LICHT van zulke gegevens pleit voor een grotere bemoeienis van Europa met het lot van Afrika, moet wel ziende blind zijn. De inmenging van de grootmachten, de voormalige kolonisatoren en instellingen als de Verenigde Naties, het IMF en de Wereldbank heeft de wederopbouw van Afrika vooralsnog alleen maar in de weg gestaan.
In plaats van een 'milde herkolonisatie’ te overwegen, zou Europa eindelijk daadwerkelijke steun moeten geven aan de democratiseringsbewegingen in Afrika, waarover de westerse pers nooit bericht - zoals de oppositiebewegingen in Kameroen, Benin, Madagascar, Kongo of Mali die steunen op netwerken van vakbonden, cooperaties, vrouwenbonden, kerken en non-gouvernementele organisaties van Afrikaanse oorsprong. In de tweede plaats dient Europa de drugs- en wapenhandel richting Afrika onder controle te brengen en de oorzaken weg te nemen van de andere misstanden die voor Europese rekening komen.
Volgens de Franse Afrika-specialist en medewerker van Le Monde Diplomatique Gerard Prunier blijven internationale organisaties tot nog toe opzettelijk onwetend omtrent de ware oorzaken van veel conflicten in Afrika. Het aandeel van de machtigste lidstaten moet angstvallig verborgen blijven. 'Het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen beschikt niet over enig systeem om de politieke problemen in kaart te brengen die vluchtelingen ertoe brengen hun vaderland te verlaten’, aldus Prunier. 'Vluchtelingen zijn arme drommels waarover je je ontfermt zonder het fijne te willen weten van wat hen is overkomen.’