Herinneringen aan Don Rua

Handen boven de dekens

Op het katholieke internaat Don Rua in ‘s Heerenberg werden tussen 1958 en 1971 ten minste zestien leerlingen misbruikt. Het systeem veroorzaakt en vraagt tegelijkertijd verzoening. 'Ik leerde dat het uitermate verstandig is om nooit alleen te zijn met een pater.’

Als het dafje van mijn vader op 17 augustus 1969 het grindparcours voor Huize Don Rua in ’s Heerenberg op tuft, zie ik vanachter het raampje het monsterlijk grote gebouw waar ik het komend jaar zal doorbrengen. Ik had me er niets bij voorgesteld en voel me geïmponeerd. Mijn twee broers en ik wurmen ons uit de auto, strekken de benen. Onmiddellijk komt iemand aanstormen om mijn vader de hand te schudden. Mijn vader houdt praatjes voor de ouders inzake de noodzakelijke extra fondswerving, mijn vader is een belangrijk man. Mijn broers zijn al binnen als ik bedrukt afscheid neem van mijn ouders en me door een groepsleider de weg laat wijzen naar de slaapzaal van mijn groep.
De weken daarna ervaar ik wat het betekent om op dit internaat te zitten. Weinig wordt aan het toeval overgelaten. Om zeven uur op, even ontbijten, dan een half uur studie en om 8.40 uur de klas in. Les tot een uur of drie, en dan naar buiten om te sporten. Avondeten, uurtje studie, avondgebed en om 20.30 uur naar bed. Dag in, dag uit. Vrijdagavond zang in plaats van studie, en een uurtje later naar bed. Zaterdag corvee en daarna vrij. Eindelijk even vrij. Zondag mis en studie, recreatie binnen de poorten.
Voor alles is er de ‘Godsvrucht’. De eerste regel van de reglementen: 'Vergeet niet, beste jongens, dat we op de wereld zijn om God, onze schepper, te beminnen, te verheerlijken en te dienen. Alle wetenschap, alle schatten ter wereld helpen ons niets als we Gods wil niet volbrengen. Daar hangt heel ons tijdelijk en eeuwig welzijn van af.’ De rest van de regels onder 'Godsvrucht’ diepen die devotie nog wat uit: gebed, kerkgang, nederigheid. Eerst komt God en daarna komt de studie die in het licht staat van de roeping om priester te worden. Dat aspect was wat verwaterd vanaf het midden van de jaren zestig en daarom had de nieuwe directeur het wenselijk geacht de 'roeping’ opnieuw onder de aandacht te brengen. In een brief aan de ouders van 7 augustus 1969 schrijft pater Asma, directeur: 'Ik kan u verzekeren, dat alle leiders in ons huis, die de zorg voor uw zoon op zich gaan nemen, hun beste krachten zullen geven. We zijn ons ervan bewust, dat u een deel van de opvoeding van uw zoon aan ons toevertrouwt. Dat geeft ons een hele verantwoordelijkheid, maar we nemen die graag op ons. Als religieus zullen we, zoals u begrijpt, biezondere aandacht schenken aan de godsdienstige opvoeding van uw zoon, in de hoop, dat hij te zijner tijd een taak in dienst van de kerk zal aanvaarden.’ Nee, in de dagelijkse gang van zaken werd daar niet over gesproken, maar alles was erop gericht van de leerlingen brave priesters te maken. En mocht dat niet lukken, dan moesten het toch in ieder geval brave katholieken worden.
Het geheim van het succes van de Salesianen van Don Bosco (Rua’s voorganger) bestond aanvankelijk uit de optimistische boodschap dat ook de arme medemens ertoe deed en dat die medemens verlost kon worden uit zijn miserabele toestand. Door educatie van de jeugd zou kinderen uit arbeiderswijken beschaving bijgebracht kunnen worden en een deugdzaam leven binnen de schoot van de Heilige Kerk. In de negentiende eeuw was die bekommernis om het arme volksdeel een bijna revolutionair streven dat werd gedeeld door de opkomende socialisten: de verheffing des volks. De schaduwkant van het succes was gelegen in de benauwenis van het katholieke kader. Geloof gaat boven emancipatie, eerbied gaat boven waarheid, het collectieve belang gaat boven het individuele belang. Tot op de dag van vandaag leven Salesianen - en in het kielzog een aantal van hun leerlingen - met deze beginselen; deze beginselen zijn de adem van de 'Salesiaanse beweging’.
In het Salesiaanse opvoedingssysteem zijn de middelen om jongeren te kneden niet straf en verdoemenis maar hartelijkheid en het smeden van een band tussen opvoeder en jongere. Don Bosco zelf gebruikte daarvoor de term 'amorevolezza’, liefdevolle welwillendheid. Die aanpak staat in zekere zin model voor veel pedagogische beginselen van later tijd. Maar er is een belangrijk verschil: deze pedagogiek staat in dienst van een gesloten systeem, het katholieke geloof. Binnen de hiërarchische structuur van kerk en orde verwordt een op zich integer uitgangspunt tot manipulatie, en in het ergste geval biedt het een vrijplaats voor seksueel misbruik. De 'persoonlijke band’ wordt als alibi gebruikt. Niet voor niets laten plegers onder de Salesianen weten dat ze het niet hebben ervaren als seksueel misbruik. Misschien zijn ze wat te ver gegaan maar schuld bekennen doen ze eigenlijk niet. De tranen van de plegers worden vergoten om het gevoel van schaamte dat hen heeft overvallen; ze zijn van hun voetstuk gevallen en begrijpen dat het nooit meer goed komt.

Als twaalfjarige jongen was ik me niet bewust van de manier waarop Salesianen hun leerlingen opvoeden. Voor een jongen van twaalf is er niets mooiers dan met een groep soortgenoten dag in, dag uit door te brengen, te voetballen, te rennen, elkaars kracht en uithoudingsvermogen te testen. Ik stortte me daar volledig in en wilde in alles de beste zijn.
Dat veranderde na een aantal maanden toen ik genoeg kreeg van het leven in groepsverband en in de spaarzame vrije uren op zoek ging naar contact met een enkeling. Die uitdagende enkeling vond ik in Henkie, een jongen die niet bij mij in de havo/vwo-klas zat maar op de lts (nu vmbo) in het dorp. Henkie had net een vriendschap moeten verbreken omdat de jongen in kwestie in een hogere groep zat en de vriendschap 'niet passend’ werd geacht. De jongens werd bevolen elkaar niet meer te zien. Met Henkie samen ging ik er op uit, hij zag de wereld anders, hij kwam uit een andere wereld. Hij was mijn vreemdeling. Het duurde even voordat ik begreep waarover hij sprak als hij het had over een 'box’ (een broek) en wat hij bedoelde als hij zei: 'Ik zuuk het nie’ (ik doe niet mee), maar voor de rest begreep ik hem al als ik naar hem keek. Behalve tafeltennissen en voetballen gingen we als het maar even kon het dorp in, op zoek naar de meisjes, stiekem sigaretten trekken uit de automaat, een frietje eten. Zonder het te beseffen had ik een van de belangrijkste regels van de Salesianen overtreden, ik had me buiten mijn groep geplaatst en nu moest het verloren schaap worden teruggebracht naar de kudde. Een van mijn groepsleiders nam die taak op zich, CD. De man had zich tot dan toe onderscheiden door zich ’s nachts aan mijn bed te melden als ik lag te woelen. 'Ga slapen!’ beet hij me dan toe. 'En handen boven de dekens!’ Hetgeen ik heel even deed om van het gezeik af te zijn, maar als hij de zaal had verlaten legde ik mijn hand weer gewoon op mijn buik. Vanwaar al die aandacht? Ik was blijkbaar zijn lievelingetje, hij meldde zich steeds weer in mijn nabijheid, en duidelijk was dat hij dacht dat hij mij in zijn macht had. Maar het was andersom, ik observeerde de man elke dag tijdens het avondgebed en zag hoe zijn hoofd steeds roder werd naarmate het gebed vorderde en in zijn broek zag ik een duidelijke bobbel verschijnen. Waarom dat zo was, ik wist het niet. Maar dat het zo was, maakte hem in mijn ogen zo miezerig dat ik de strijd met hem vol durfde aangaan.
Ik kende mijn pappenheimers; tot aan mijn verblijf op Don Rua had ik in Liesbos (Breda) naast het seminarie van de paters van het Heilig Hart gewoond, de paters kwamen over de vloer, en sommige paters hadden duidelijk geen goede bedoelingen met kinderen. Zo was er pater Verpalen. Aan het einde van de zomer van 1969 zag ik de man op de laatste strook geschoren gras naast het zwembad van de paters liggen dat achter ons bosje lag. Rondom rukte de natuur op, braamstruiken, brandnetels, kreupelhout. De kleedhokjes lagen er half vervallen bij. De meeste fraters waren vertrokken, uitgetreden, verhuisd; een aantal paters was gebleven, een beetje verweesd zo zonder leerlingen. Ik daalde af naar het zwembad en de man kwam overeind, wenkte mij. Ik liep naar hem toe en hij vroeg me hoe het ging, wat ik hier deed en plotseling pakte hij me bij mijn arm. En toen greep hij ook mijn andere arm. Hij trok mij naar zich toe en drukte mij tegen zich aan. Het was het lichaam van een vijftigjarige tegen dat van een twaalfjarige. Ik verzette me en hij duwde me tegen de grond, ik spartelde, schopte en hoorde de man zwaar hijgen. Ik zag hoe zijn zwembroek voller werd. Ik krabde, sloeg, kronkelde. Op de een of andere manier wist ik aan zijn greep te ontkomen. Het volgende moment was ik al meters van hem vandaan, happend naar lucht. Het voorval leerde me dat het uitermate verstandig was om nooit alleen te zijn met een pater.

Groepsleider CD begon me ook buiten de muren van het internaat te volgen, op zaterdag als Henkie en ik de wereld introkken om te ontsnappen aan de benauwenis van het internaat. We liepen dan soms het hele dorp door tot aan de bult waarachter Zeddam lag en doken daar de bosjes in om hem te zien aankomen. Een gigantische helm schoof brommend door het landschap, je zag de helm even optrekken, dan weer afremmen. Soms stond hij stil en speurde naar de op de vlucht geslagen gevangenen, dan weer reed hij weg om plotseling weer op te duiken. Dan liepen we via andere wegen terug naar de dorpskern en lieten ons daar door hem spotten. Pruttelend meldde hij zich dan, als een hondje dat zich meldt bij zijn baas. We lachten dan vriendelijk naar hem, in de geest van het schoolreglement. Reglement XI-9: 'Streef naar een blij Salesiaans karakter. Wees vriendelijk tegenover iedereen. Neem de goede gewoonte aan iedereen vriendelijk te groeten.’ De groepsleider blafte dan dat we niet te ver weg moesten gaan. We stelden de man vervolgens gerust.
Het was duidelijk dat CD de strijd op deze manier niet zou winnen. Hier moest een hogere autoriteit worden ingeschakeld om CD’s gezag te redden. De directeur van de school ontbood ons, het was vlak voor het slapengaan op een mooie dag in april. Hij gaf ons een preek over gehoorzaamheid en fair gedrag. Hij eiste van mij dat ik mij zou verzoenen met dhr. CD en dat het voor hem heel makkelijk was om mij zo vlak voor het einde van het jaar naar huis te sturen.
Ja, verzoenen… Daar zijn Salesianen dol op. Maar wat mij betreft viel er niets te verzoenen en dat vertelde ik de directeur. Woest stuurde hij ons naar boven. Henkie stormde de trappen op, ik hoorde hoe hij snikte, hij was gebroken. Hoewel we ook de laatste maanden vrienden bleven, was er iets kapotgegaan: de onschuld was weg. We waren getekenden, afvalligen, zondaars geworden. We hadden een plaats gekregen in hun systeem als verdoemden.
Verzoening… ook nu blijkt dat sommige paters en lekengroepsleiders zich schuldig hebben gemaakt aan seksueel misbruik wordt door sommige ex-leerlingen van Don Rua gevraagd om verzoening, in Salesiaanse zin. Op de site van oud-leerlingen staan naast berichten van oud-leerlingen die misbruikt zijn ook berichten van oud-leerlingen die bij hoog en laag beweren er niets van te weten. Ze hadden een prachtige tijd en dat zou moeten worden benadrukt. Iemand schrijft: 'Als oud-leerlingenbond kunnen we natuurlijk ook enige kritiek oefenen op de manier waarop men met die negatieve ervaringen in de publiciteit is getreden. Wie aankomt met een letselschadeadvocaat kan worden verwezen naar het OM, dat de aanklacht vervolgens wegens verjaring niet ontvankelijk verklaart. Wie een luisterend oor wil en herstel van verstoorde verhoudingen, die is in alle openheid en oprechtheid van harte welkom.’
Kijk, daar is die Salesiaanse verzoening: het instituut is zo nederig zich met het slachtoffer te verzoenen. Een luisterend oor, dat is wat het slachtoffer krijgen kan. Nee, niet de excuses voor het wangedrag, niet de mededeling dat het systeem verrot is, niet de smeekbede om vergeving… Een luisterend oor, dat is wat het slachtoffer geboden wordt. Maar dan dient het slachtoffer zich met zijn verkrachter te verzoenen en over de zaak verder te zwijgen, om wille van de eenheid van de gemeenschap. De brengers van een vervelende boodschap die blijven zeuren over tekortkomingen worden in diskrediet gebracht: ze zijn alleen uit op geld, het zijn ongelovigen, ze snappen niets van de 'Salesiaanse gedachte’. Niet bij alle leden van de Don Rua-bond valt die 'verzoening bij voorbaat’ goed. Een oud-leerling schrijft: 'Ik accepteer het eenvoudig niet dat we met onze kritiek maar rekening moeten houden met de tijdgeest van toen, of dat we moeten oppassen voor de schade aan maatschappelijke instellingen, zoals de kerk. De kerk zou eindelijk rekening moeten houden met de slachtoffers.’
Ondertussen laten ook de plegers van weleer zich horen; in Nova, Netwerk en via NRC Handelsblad laten ze het volk weten ontdaan te zijn. Sommigen bieden hakkelend hun excuses aan, maar altijd gebeurt dat in een schemerveld: ze hadden het zo niet bedoeld. In Nova van 9 maart zegt een ex-leraar van Don Rua: 'Ik vind het verschrikkelijk als het zo geweest is. Ik heb meegewerkt aan een stuk ongelukkig leven en dat is niet wat ik heb voorgestaan.’
Het laatste brugklasje van Don Rua, schooljaar 1969-1970, had elf leerlingen. Van ten minste één van die leerlingen staat vast dat hij is misbruikt. De persoonlijke band die sommige leerlingen hadden met een specifieke pater werd in de regel door de andere leerlingen gewantrouwd. De precieze aard van de relatie kon door ons als twaalfjarigen niet worden begrepen. Wel werd er over sommige leerlingen die nauwe banden onderhielden met paters of groepsleiders onderling geroddeld en die roddels waren wel degelijk ook seksueel getint. Dat het hier ging om misbruik dat diepgaande gevolgen zou hebben voor de levensloop van het slachtoffer wisten we nog niet. Maar wel voelden sommigen van ons dat er iets niet pluis was, er hing een dikke lucht in het gebouw, en waar die hing konden de ramen niet worden geopend. Achteraf blijkt mijn intuïtieve afkeer van groepsleider CD een juiste inschatting te zijn geweest. De man hield ervan met de jongens te stoeien en hen in het voorbijgaan in het kruis te tasten, zo blijkt uit correspondentie met ex-groepsleden; hij verdween geruisloos van het toneel toen Don Rua werd opgeheven en de jongens die nog wilden of moesten blijven elders werden gehuisvest.

behalve naar 'buiten’ vluchten was er voor mij nog een andere manier om te ontkomen aan de opvoedkundige dwang: ik zocht de piano op. Er waren twee piano’s in huis, een oude zwarte Duitse piano en een nieuwe, een Yamaha of Petroff. De laatste was onbereikbaar voor me, achter slot en grendel. De zwarte was vrij toegankelijk, ik vroeg dan ook geen toestemming. Het duurde niet lang of ik werd door pater-econoom M., tevens muziekleraar van ons klasje, uit het lokaal getrokken. Ik mocht alleen piano spelen als ik les had. Hij gaf les, wat een toeval toch, en ik mocht verhuizen naar het kamertje met de goede piano, ik kon altijd de sleutel ophalen. De pater zat steeds dicht naast me als ik speelde. Ik schoof dan stelselmatig iets op, totdat hij voor de piano zat en ik aan hem vroeg of hij niet liever iets spelen wilde. Nee, dat wilde hij nooit, en hij schoof wat van me af om plaats voor mij te maken. Na drie lessen kwam mijn pianoleraar tot de slotsom dat ik er niets van bakte. Dat klopte in zoverre dat ik nooit studeerde en ik mezelf als notenblind beschouwde. Ik improviseerde alleen maar, liet mijn vingers gaan, ging er totaal in op. Het was pure lust. Ook pater M. hoorde dat toen hij eens toevallig langs het pianokamertje liep. Hij opende de deur en sloeg zonder één woord te zeggen de klep dicht. Ik kon nog net mijn handen terugtrekken.
Het was diezelfde pater M. die klasgenoot Adri meenam naar zijn kamer en aanrandde. Het was diezelfde pater M. die Adri uitnodigde uitstapjes met de auto te maken en op een verborgen plek stopte, hem betastte en de jongen tegen zich aan duwde. Pater M. die tot op de dag van vandaag in het bestuur van Don Bosco Nederland zit, reageert op de beschuldiging zoals het een echte Salesiaan betaamt: 'Ik kan me er niets bij voorstellen. Misschien dat ik wel eens wat vrij ben geweest, maar het was nooit zo erg als beschreven wordt’ (NRC Handelsblad, 2 maart 2010).
Het wordt niks met die verzoening.


Irun Scheifes is schrijver en musicus. Van hem verschenen bij uitgeverij In de Knipscheer Charges, Onaffe dingen en Manisch dagboek