‘handen omhoog en hoofddoekjes af’

In Frankrijk is hulp aan illegale buitenlanders sinds kort strafbaar. En hoofddoekjes dragen op school is uit den boze. Keppeltjes en kruisjes mogen wel. De jacht op de islam is geopend.

PARIJS, NOVEMBER 1994. ‘Terroristen moet je terroriseren’, brieste Charles Pasqua na de arrestatie van militante Algerijnse moslims in Parijs. De Franse minister van Binnenlandse Zaken windt er geen doekjes om. Dagelijks voeren zwaar bewapende agenten razzia’s uit in de metro, Arabieren worden zonder pardon gefouilleerd en verhoord. Op het Stalingradplein houdt de CRS, de rellenbrigade, in een half uur tijd twintig Noordafrikaans uitziende automobilisten aan. De auto’s worden uitgekamd en via de portofoon trekt men de antecedenten van de bestuurders na. Gepantserde overvalwagens surveilleren nabij moskeeen. Frankrijk heeft de oorlog verklaard aan de fundamentalisten.
Present, het bulletin van het Front National, opent triomfantelijk met de kop: 'Nu ook racisme onder Noordafrikanen’. Drie jonge Tunesiers zijn tot celstraf veroordeeld wegens openlijk racistisch gedrag. 'Smerig Frans ras, we zullen jullie uitroeien, jullie vrouwen en kinderen naaien’, had het drietal tegen een groepje Fransen geroepen. De haat tegen Fransen groeit onder de Maghrebijnen, klaagt Present.
Hoe zou dat toch komen? Gelukkig blijken Arabieren ook menselijke trekken te hebben.
Niets blijft de Algerijn bespaard, in Frankrijk noch in Algerije. De treurigheid in wijken als Barbes en Belleville is dezelfde als in Algiers, op twee uur vliegen van Parijs en verder weg dan ooit. Op straat bedelen vrouwen in traditionele Berberkleding, tatoeages op gezicht en handen. In de kiosk worden Algerijnse dag- en weekbladen verkocht. Het dagblad El Watan (Het Vaderland) meldt droogjes dat een tandheelkundige, mevrouw Saadia Labou, in haar kliniek te Algiers is vermoord door fundamentalisten. De cafes rond metrostation Barbes zijn om tien uur ’s ochtends stampvol, net als in Algiers. Oude Algerijnen in regenjassen, afgedragen colberts, versleten stropdassen en overhemden van de Tati, Frankrijks goedkoopste textielketen. Net als in Algiers zijn de meeste stamgasten rond het middaguur dronken. De nieuwe Beaujolais valt zwaar.
Tussen de cafes, islamitische boekhandels en islamitische slagerijen, overal worden cassettes verkocht met de door de fundamentalisten zo verfoeide rai-muziek. De foto van de onlangs in Oran vermoorde zanger Cheb Hosni prijkt opzichtig achter de etalageruiten. De geur van couscous en merguez, verse munt en koriander. Op het trottoir worden schotelantennes verkocht, bestemd voor Algerije. En overal de gepantserde wagens van de rellenpolitie.
Brahim komt uit Oran en verblijft al een jaar illegaal in Frankrijk. Een vaste baan heeft hij niet. Overdag verkoopt hij glanzende trainingspakken op straat. De beginprijs is 150 frank, het laatste bod zeventig frank. Dan kan hij tenminste weer een nacht in zijn hotel betalen. Het hotel wordt bevolkt door illegale Algerijnen. Als een muis schuifelt Brahim over straat, de sporttas met de zwarte waar angstvallig in zijn handen geklemd. In cafes durft hij zich niet langer te vertonen.
Hij is doodsbang voor de agenten in burger die om de haverklap de bistro’s rond het metrostation binnenvallen. Het grootste deel van zijn familie woont in Frankrijk, naar Algerije wil hij nooit meer terug. Hij is misselijk van het geweld.
De bloedige strijd in Algerije drukt steeds zwaarder op de Franse samenleving. De Algerijnse speelfilm Bab el-Oued City, die onder meer de opkomst van het fundamentalisme in een volkswijk van Algiers tot onderwerp heeft, draait in maar liefst acht Parijse bioscopen. De Algerijnse gemeenschap in Frankrijk is zeer betrokken bij de gebeurtenissen. De meningen zijn verdeeld, een deel van de Franse Algerijnen is tegen het Fis, een deel is voor een islamitische staat.
Ook al zijn ze verdeeld over de politieke koers van Algerije, de meeste Algerijnen verwerpen de oorlog en het geweld. De onvoorwaardelijke steun van de Franse regering aan het militaire bewind in Algiers roept steeds meer aversie op bij de Franse Algerijnen. Die Franse steun aan de junta is verklaarbaar. De regering-Balladur is doodsbang voor een fundamentalistische coup in Algiers, die een massale uittocht van Algerijnen tot gevolg zal hebben: de keuze tussen de koffer of de doodskist, die 32 jaar geleden voor de Fransen in Algerije gold. De presidentsverkiezingen zijn in aantocht en een massale invasievan Algerijnen zou koren op de molen van het Front National zijn.
De immigratiewetgeving van Charles Pasqua wordt daarom voortdurend aangescherpt. Het gevaar dat potentiele kiezers overlopen naar extreem-rechts is groot. Hulp aan een buitenlander die zich onwettig in Frankrijk bevindt, is sinds kort strafbaar. Onderdak verlenen aan de talloze Algerijnen die hun land ontvlucht zijn en nu illegaal in Frankrijk verblijven, wordt nu als een delict beschouwd.
5 OKTOBER 1961. De Algerijnse burgeroorlog woedt in alle hevigheid. In Parijs heeft het Algerijnse Bevrijdingsfront elf agenten vermoord. Maurice Papon, hoofdcommissaris van de Parijse politie, kondigt een uitgaansverbod af voor de honderdvijftigduizend moslims in de stad. Tussen half negen ’s avonds en half zes ’s ochtends mogen zij zich niet op straat begeven en overdag heeft de politie het recht iedere 'Franse moslim’ aan te houden en te fouilleren. Het merendeel van de Parijse moslims is van Algerijnse afkomst en bezit een Frans identiteitsbewijs.
Prefect Maurice Papon heeft een prachtige staat van dienst. Tussen 1942 en 1944 was hij in de Gironde verantwoordelijk voor 'joodse aangelegenheden’. Onder zijn toezicht werden joden in het interneringskamp Drancy geplaatst en vervolgens naar Duitsland gedeporteerd. In 1956 werd hij door de socialistische regering van Guy Mollet benoemd tot inspecteur-generaal in Oost-Algerije. Papon, fel tegenstander van de Algerijnse onafhankelijkheid, voerde een schrikbewind. Toen generaal De Gaulle - 'Ik heb jullie begrepen’ - aan de macht kwam, verliet Papon zijn post en werd hij tot hoofdcommissaris van Parijs benoemd. Na zijn aanstelling in 1958 voerde hij een schrikbewind tegen de Parijse Algerijnen, met het uitgaansverbod tegen de Parijse moslims - het merendeel van Algerijnse afkomst - als gevolg.
De avond van 17 oktober 1961 gaan veertigduizend Algerijnen, mannen, vrouwen en kinderen, uit protest tegen het uitgaansverbod massaal de straat op. Zij worden ondersteund door arbeiders van Tunesische, Marokkaanse, Italiaanse en Spaanse afkomst. De Franse politie opent het vuur en doodt meer dan driehonderd demonstranten.
Drieendertig jaar later woedt er opnieuw een oorlog in Algerije en weer zijn Algerijnen in Frankrijk het doelwit van de gevreesde oproerpolitie. Door de arrestatie van een groep gewapende moslims zijn talloze onschuldige Noordafrikanen nu de dupe van een verhard politieoptreden. Ditmaal geldt er geen uitgaansverbod voor hen, maar de herinnering aan de zinloze slachting van destijds zal zeker worden opgerakeld.
HET ZWIJGEN van SOS Racisme is opmerkelijk. Juist nu zou deze organisatie zich duchtig moeten roeren. De telefoon op het kantoor wordt dagenlang niet opgenomen. Als ik uiteindelijk contact krijg met de persvoorlichter van SOS Racisme, is de reactie zeer terughoudend. Behoefte aan een toelichting op het harde politieoptreden tegen Noordafrikanen blijkt er nauwelijks.
Dan maar naar het kantoor van France Plus getogen. France Plus werd in 1985 opgericht door Arezki Dahmani, professor in de economie en Frans staatsburger met een Algerijnse achtergrond. France Plus profileert zich als een nationale beweging voor burgerrechten.
Voor Arezki Dahmani is de politieke integratie van de tweede generatie immigranten in Frankrijk het belangrijkste doel. Met SOS Racisme wil France Plus niets te maken hebben. Dahmani: 'Wij zijn geen antiracisme- of een migrantenbeweging; France Plus is een beweging voor burgerrechten. SOS heeft er jaren op gehamerd dat buitenlanders in Frankrijk het recht hebben om anders te zijn. Bedoelen ze daarmee het recht op een marginaal leven, het recht op slechtere huisvesting en slechtere scholing? SOS vindt het prachtig dat jongeren van Afrikaanse afkomst de hele dag op een tamtam zitten te trommelen, of dansen en rappen. Met andere woorden: ze hebben het recht om in een cultureel getto te leven. Wij vinden echter dat cultuur en traditie een priveaangelegenheid zijn. Migranten hebben het recht om gelijk te zijn. Tachtig procent van de tweede generatie Maghrebijnen is dienstplichtig in het Franse leger, hun toekomst ligt in Frankrijk. De jonge Noordafrikanen willen wonen zoals de andere Fransen, op dezelfde wijze sociale bescherming genieten. Ze eisen het recht op gelijkwaardigheid.’
VOLGENS DAHMANI vormen de anderhalf miljoen jonge Fransen met een buitenlandse achtergrond een machtig politiek blok. In totaal zijn er anderhalf miljoen stemgerechtigden met een Noordafrikaanse achtergrond. Het merendeel heeft de politiek lang genegeerd. Sinds de opkomst van het Front National is daar verandering in gekomen. Tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 1989 werden vijfhonderd aan France Plus verbonden jongeren van Noordafrikaanse origine gekozen. Het merendeel was lid van linkse partijen. In verschillende gemeenten was het stemgedrag van migranten van doorslaggevende betekenis. De band tussen Noordafrikaanse jongeren en de linkse politiek is echter niet vanzelfsprekend.
Dahmani: 'Lange tijd hebben we gedacht dat de linkse politiek onze natuurlijk bondgenoot zou zijn. Maar de reacties die wij krijgen van socialistische politici zijn vaak onvoorstelbaar. Eens stelden wij een jonge ingenieur van Algerijnse afkomst als kandidaat voor. Een afgevaardigde van de Socialistische Partij vroeg ons met oprechte verbazing of de kandidaat wel goed Frans sprak. Of ze stellen ons voor de islamitische naam van een kandidaat te verfransen - Mohammed of Ali ligt niet zo prettig in het gehoor bij de kiezers, Michel of Philippe klinkt beter. Een communistische burgemeester weigerde onlangs een zaal te verhuren voor een politieke bijeenkomst van jonge Maghrebijnen. Een week later verhuurde hij dezelfde zaal zonder problemen aan het Front National.’
France Plus IS niet alleen actief in de politiek. De organisatie is voor een dialoog tussen Franse joden en moslims. De rechten van vrouwen in de islamitische wereld krijgen de hoogste prioriteit. Ieder jaar organiseert France Plus de groene dagen, ter herinnering aan de Franse soldaten van buitenlandse origine die in de Tweede Wereldoorlog zijn gesneuveld. Afgelopen november werden in het Maures-massief duizenden bomen geplant ter nagedachtenis aan de soldaten uit de voormalige kolonien die omkwamen tijdens de landing in Normandie van juni 1944.
Dahmani is een republikein in hart en nieren. De Franse wetgeving is heilig voor hem. Maar hoe lang kan hij de wetgeving van Pasqua nog respecteren? Dahmani: 'Ik denk dat de recente rellen in Amiens het keerpunt vormden. De CRS, de oproerpolitie, heeft toen volkomen fout gehandeld. Er is voldoende bewijsmateriaal en de schuldigen moeten worden gestraft. Tot nu toe heeft justitie echter nog steeds niet gehandeld.’
Dahmani is een absoluut voorstander van de scheiding tussen kerk en staat en dus fel tegenstander van het dragen van hoofddoekjes op school. De maatregel die het dragen van duidelijke religieuze symbolen op school verbiedt, de circulaire-Bayrou, blijkt echter op verschillende wijzen te worden geinterpreteerd. De afgelopen weken zijn 78 islamitische meisjes van Franse scholen gestuurd omdat ze hoofddoekjes droegen. Tegelijkertijd verklaarde premier Edouard Balladur aan de joodse gemeenschap in Frankrijk dat het dragen van een keppel op school niet onder de circulaire-Bayrou valt. De keppel is wel degelijk een religieus symbool, maar voor veel Fransen wellicht minder bedreigend dan een hoofddoekje. Bovendien gaan veel verlichte Fransen er onmiddellijk van uit dat het hoofddoekje verplicht wordt gesteld door de ouders en een bij uitstek vrouwonvriendelijk symbool is. De keppel roept blijkbaar minder aversie op, ook al is dat wel eens anders geweest in de Franse geschiedenis.
De geruststellende woorden van Balladur aan de joodse gemeenschap kunnen wellicht in het licht van de naderende presidentsverkiezingen worden gezien, net als het op handen zijnde bezoek van Jacques Delors aan Israel. De politiek van Frankrijk ten aanzien van moslims, islamitische landen en het Midden-Oosten is zo helder als koffiedik. Vorige week verbood minister van Binnenlandse Zaken Pasqua een concert van de in ballingschap levende Iraanse zangeres Marzieh. De organisatoren hadden vermeld dat het concert diende ter bevordering van de Iraanse cultuur. Toen Pasqua vernam dat de beroemde zangeres een fel aanhangster was van de gewapende Iraanse oppositie, verbood hij het concert onmiddellijk. Hij wilde het bevriende bewind in Teheran niet voor het hoofd stoten. Bovendien vindt in Parijs het proces tegen de moordenaars van Shapour Bakhtiar, de laatste premier onder de sjah, plaats. De moordenaars zijn ongetwijfeld afkomstig uit de kringen van de Iraanse geheime dienst. Terwijl er in Frankrijk op initiatief van Pasqua een heksenjacht op moslims plaatsvindt, wordt er een knieval gemaakt voor het fundamentalistische regime in Teheran.
Het faillissement van Frankrijks politiek ten aanzien van moslims en de islamitische wereld heeft concreet gestalte gekregen in Parijs. Het Institut du Monde Arabe is doodziek. Het prestigieuze symbool van de Frans-Arabische vriendschap heeft een belastingschuld van 63 miljoen frank. De 21 landen van de Arabische Liga, die de helft van de kosten van het instituut zouden betalen, laten het afweten. De teloorgang van Mitterrands paradepaardje spreekt boekdelen.