Het beste van het Idfa: Haanstra, Van der Horst en anderen

Handen uit de mouwen

Tussen 1945 en 1965 kende de Nederlandse documentaire haar bloeitijd. De films van Bert Haanstra, Herman van der Horst en anderen, die aan de lopende band prijzen wonnen tijdens grote festivals, lieten zien hoe de Nederlanders de handen uit de mouwen staken voor de wederopbouw.

Als er iets is waar Nederland op filmgebied in het buitenland om bekend staat, dan is het wel de documentaire. Toen de Nederlandse speelfilm in de jaren vijftig internationaal helemaal níets voorstelde, werden op grote festivals al wél prijzen verleend aan cineasten als Bert Haanstra, Herman van der Horst en Joris Ivens. Het heeft ongetwijfeld te maken met onze volksaard, en onze schilderkunstige traditie, waarin het gedetailleerd naar de werkelijkheid kijken en daar op originele en virtuoze wijze vorm aan geven altijd de voorkeur heeft gekregen boven het grote, dramatische gebaar.

Tijdens het Idfa wordt dit jaar bijzondere aandacht besteed aan de Nederlandse documentaire uit de periode 1945-1965, naar aanleiding van de presentatie van een boek over dit tijdvak van filmhistoricus Bert Hogenkamp, hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht en verbonden aan het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid. Bij dat instituut zijn speciaal voor het Idfa-programma 39 titels uit deze periode geselecteerd en geconserveerd en zijn er nieuwe vertoningskopieën vervaardigd. Daarmee wordt een unieke mogelijkheid geboden een goed beeld te krijgen van wat deze documentaires uit de zogenaamde «Hollandse School» nu zo bijzonder maakte en bijvoorbeeld een film als Glas nog eens te zien, waar Bert Haanstra in 1958 tot ieders verrassing een Oscar voor kreeg. Al in 1950 won Haanstra op het festival van Cannes de Grand Prix voor zijn slechts elf minuten durende Spiegel van Holland, waarin ons land uitsluitend wordt getoond via de reflectie in het water.

Water is, hoe kan het anders, een constante factor in de Nederlandse documentaire uit de periode 1945-1965. Van Haanstra draait in het programma tevens En de zee was niet meer uit 1955, over de drooglegging van de Zuiderzee en maar 23 minuten lang. Door de virtuoze montage en de wijze waarop een afgerond verhaal wordt verteld is deze film nog alleszins de moeite van het kijken waard en steekt kwalitatief gunstig af bij het nu wat oubollig aandoende Amsterdam, stad van het water van Max de Haas uit 1957. Juist een dwingende structuur, die Haanstra altijd zo bedreven wist aan te brengen, lijkt hier volkomen te ontbreken. Er komt een hoop stadsschoon voorbij, en uit historisch oogpunt is Amsterdam zeker interessant, maar deze veertien minuten durende film bestaat voornamelijk uit shots die nergens vandaan komen en, te snel afgebroken, ook nergens naartoe gaan.

Illustratief in dit geval, ook binnen het kader van de actuele discussie over het gehalte aan gemanipuleerde werkelijkheid dat je als documentairemaker mag toelaten, is een «speelfilm»-achtig fragment dat zich afspeelt bij het indertijd in de Schreierstoren gevestigde Gemeentelijk Havenbureau. Daar komt een «dronken» zeeman vragen waar zijn schip ook al weer ligt. Een medewerker komt naar buiten en wijst vaag in de richting van het Westelijk Havengebied. Het is een beetje volkstoneel, en de scène doet potsierlijk aan, maar wat vooral verbaast is dat er geen vervolg aan wordt gegeven, zodat alles in de lucht blijft hangen.

Een andere constante factor in deze periode werd gevormd door de «opdrachtfilm», een genre dat vrijwel in onbruik is geraakt. Soms van de overheid, maar meestal vanuit het bedrijfsleven kreeg een vooraanstaand cineast de opdracht een film te maken over bijvoorbeeld een landstreek die in ontwikkeling was gebracht of over de vervaardiging van een bepaald product. Zo volgde op Glas van Bert Haanstra oorspronkelijk de opdrachtfilm Over glas gesproken, en zit er in het programma een film uit 1963 die Bouwspelement heet, van Charles Huguenot van der Linden, waarbij de opdrachtgever de Organisatie van Werkgevers en Werknemers in het Bouwbedrijf was. Naar verluidt was deze organisatie maar matig tevreden over de film, die indertijd op het festival van Berlijn veel succes had. Men vond dat het zicht op de dagelijkse gang van zaken in het bouwbedrijf ernstig was versluierd door de toepassing van allerlei «filmtrucs» door de cineast.

Zo’n verschil van inzicht geeft al aan waarom de «opdrachtfilm» na de jaren zestig een natuurlijke dood is gestorven. Geen cineast was meer bereid zijn artistieke visie aan te passen aan de wensen van de opdrachtgever. En het bedrijfsleven vond de weg naar de video- en diapresentatie. Het genre had zichzelf overleefd. Overigens was ook Amsterdam, stad van het water een opdrachtfilm, van de gemeente Amsterdam. Een ander voorbeeld is ABC van John Fernhout uit 1958, over de Nederlandse Antillen, in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Echte aanraders in het programma zijn De werkelijkheid van Karel Appel uit 1961 van Jan Vrijman, die aan de wieg stond van het Idfa, Even stilte en Blind kind van Johan van der Keuken, De lage landen uit 1961 van George Sluizer en Houen zo uit 1952 van Herman van der Horst, over het Rotterdam van kort na de oorlog.

__________________________

De camera onthult

Shadow Festival Van 20 tot 27 november

Naast het Idfa vindt ook dit jaar, alweer voor de vierde keer, het Shadow Festival plaats. In de Melkweg en Boom Chicago zullen films te zien zijn die om de een of andere reden de selectie van het Idfa niet gehaald hebben. Soms lopen programma’s naadloos in elkaar over. Zo is één van de gasten op het Idfa dit jaar Ulrich Seidl (van onder andere Hunds tage en Tierische Liebe), die zijn persoonlijke toptien van documentaires samenstelde. Op 27 november is hij op het Shadow Festival te gast op de Kring, waar hij een gesprek heeft met filmjournalist Jos van de Burg.

De Kring is ook de plek waar filmmaker Kees Hin op 24 november zijn voordracht en workshop zal geven over het concept van de documentaire. Het media art-karakter van het festival komt tot uitdrukking in vertoningen in de Web Gallery van de Melkweg en in Montevideo/Time Based Arts aan de Keizersgracht. Het blijkt ook uit het Zwitserse project Secrets for Sale, een video-installatie waarin mensen, soms vermomd, de intiemste geheimen aan de camera prijsgeven. Ook in de verwante Zwitserse film Break the Silence van Paul Riniker vertellen allerlei mensen volgens hetzelfde procédé dingen die ze kennelijk nodig kwijt moesten.

Veel onrecht is te zien in de toegankelijke BBC-productie Calais, The Last Border van Marc Isaacs (Lift), over het vluchtelingendrama dat zich dagelijks afspeelt in Calais. Het opvangkamp dat de Franse overheid er had ingericht is onder Britse druk ontmanteld, zodat de wanhopige mensen voor wie het Verenigd Koninkrijk kennelijk het Beloofde Land vertegenwoordigt, dag en nacht op straat en in de haven rondhangen. Indrukwekkend is een man uit Kaboel, die in een soort ouderwets koloniaal Engels met een verontschuldigend lachje uitlegt dat hij tijdens de laatste oorlog in Afghanistan zijn ouders, broer en zus verloor en nu niemand meer heeft. Van een hulpverleningsinstantie heeft hij een winterjas en een warme muts gekregen. De dagelijkse gesprekjes met de filmmaker vormen zijn enige menselijke contact. Dat maakt zijn blik in de camera aan het eind, als hij opnieuw gaat proberen het Kanaal over te komen, aangrijpend.

Even onvergetelijk is een zeer dikke Britse dame die met haar kleding en uiterlijk iets van een stripfiguur heeft. Ze spreekt keurig upper class-Engels, maar blijkt, als zakenvrouw vastgelopen in Calais en met een enorme schuld bij de bank, al even wanhopig te zijn als de rest. Als klein meisje was ze tijdens de Tweede Wereldoorlog geïnterneerd in een kamp in Spanje, waar ze beide ouders verloor. Dat is de reden waarom ze nooit kinderen heeft willen hebben, vertelt ze huilend voor de camera. Toch heeft deze vrouw in al haar kwetsbaarheid iets onverwoestbaars.

_________________________

Georgische stroom

Paul Devlin

Power Trip

Te zien op 23, 25 en 28 november

Power Trip van de Amerikaanse regisseur Paul Devlin is zo’n film waarvan de titel op verscheidene manieren de inhoud dekt. De documentaire toont de pogingen van het Amerikaanse energiebedrijf Applied Energy Services, de grootste stroomleverancier ter wereld, om het energienet van de voormalige sovjetrepubliek Georgië, gekocht in 1999 voor 35 miljoen dollar, te moderniseren en winstgevend te maken, en legt daarbij bloot hoezeer mensen aan alle kanten gedurende dat proces op een «powertrip» zijn, waarbij het verwerven en behouden van macht het uiteindelijke hoofddoel is. De van betaalbare energie beroofde bevolking van Georgië is hierbij uiteraard het slachtoffer.

De filmmaker, die zelf de mini-DV-camera hanteerde en de montage deed, vermeed in zijn film partij te kiezen, wat Power Trip een prettig objectief en boeiend werkstuk maakt. Topman Dennis Baake van AES komt naar voren als een tamelijk idealistische en naïeve man, die oprecht lijkt te geloven dat met een frisse Amerikaanse aanpak de Georgische bevolking gauw verlost zal zijn van het nog uit de sovjettijd daterende, verouderde energiesysteem en het tijdperk van de onbeperkte, betaalbare stroomvoorziening zal kunnen binnentreden. Baake moet zich daarbij verweren tegen de sceptische aandeelhouders, die willen dat hij zich uit het Georgische moeras terugtrekt omdat de verliezen inmiddels zijn opgelopen tot 120.000 dollar per dag.

Want de Georgische werkelijkheid blijkt weerbarstiger dan zelfs de grootste pessimist voor mogelijk had gehouden. Toen het communisme nog aan de macht was, werd Georgië wel het «Italië van de Sovjet-Unie» genoemd, en na het zien van de film begrijp je ook waarom. Niet alleen blijkt men er een groot talent voor levensvreugde te bezitten, de behoefte aan chaotisering van het dagelijks leven, gelardeerd met stevige scheuten corruptie en nepotisme, en nu en dan een politieke moord, is minstens even omvangrijk. Daarop zijn de Amerikanen stuk gelopen. Onder de sovjets was men eraan gewend voor de gesubsidieerde elektriciteit maar weinig te betalen, zodat zuinig omgaan met energie er volkomen onbekend was.

Nadat Georgië in 1991 onafhankelijk is geworden, doet het verzelfstandigde energiebedrijf Telasi een poging voor de geleverde elektriciteit ook inderdaad een marktgerelateerde prijs te bedingen. Het resultaat is dat slechts tien procent van de rekeningen wordt voldaan en er een enorme wildgroei ontstaat van illegaal afgetapte stroom. Er is bijna geen flatcomplex zonder een woud van leidingen die links en rechts de woningen binnengevoerd worden. Dat dit tot levensgevaarlijke situaties leidt, blijkt uit de geëlektrocuteerde lijken die af en toe in de hoogspanningskasten worden aangetroffen. Zelfs de nationale luchthaven van Tblisi weigert de rekeningen te voldoen, met als gevolg dat het op een dag, met volop internationaal luchtverkeer stand-by boven het vliegveld, bijna geheel in duisternis wordt gehuld. Naar verluidt werd na een order van de familie Sjevardnadze, die daar een belang in heeft, de rekening op het laatste moment toch betaald. Uiteindelijk geeft AES er de brui aan. En nemen de Russen de boel weer over…