Handenschudden

Romans zijn geen filosofische verhandelingen, maar soms kunnen ze plots een inzicht formuleren waarop menig professioneel denker jaloers zou zijn. Wereldsystemen komen daar meestal niet aan te pas en ook niet het soort brede levenskennis dat zich alleen in het boek als geheel laat ervaren. Het zijn kleine observaties waarbij de schrijver zich de vrijheid gunt van een korte, indringende reflectie. Even doet hij een stapje terug en kijkt peinzend naar wat hij zojuist beschreven heeft, of laat dat een van zijn personages doen. Als het een goede schrijver is, hoef je het nauwelijks te merken.
In de schitterende roman De informanten van de Colombiaanse schrijver Juan Gabriel Vásquez gebeurt dat voortdurend. Of het nu gaat om de wroeging van iemand die een ander heeft gekwetst, de psychologische kracht van de bekentenis, de valsheid daarvan wanneer die publiekelijk wordt ondernomen onder de schijn van morele superioriteit, of de onwil van kinderen om hun ouders te geloven: steeds tikt Vásquez in het voorbijgaan een inzicht aan dat je bijblijft. Het besef daarvan was er daarvóór nog niet, maar zodra het geformuleerd is, weet iedereen hoe waar het is.
Zo schrijft Vásquez ook over het schudden van handen: een ritueel dat tot in zijn merg Angelsaksisch heet te zijn, ook al was zelfs dit minimale lichamelijke contact – zo heeft Cas Wouters in zijn studie Informalisering onlangs opnieuw benadrukt – de Victoriaanse Engelsman vaak al te intiem. Amerikanen, van hun kant, houden het sinds jaar en dag liever bij een stralend uitgesproken hi.
Voor de werkelijke geest van het handenschudden moet je eerder naar Frankrijk dan naar Engeland, en ook in Colombia wordt het gebaar kennelijk routinematig gesteld. Vásquez laat een van zijn hoofdpersonen vertellen hoe de verzoeningsontmoeting met een jeugdvriend die hem verried, vanaf het allereerste begin scheef liep. Een ‘valse start’: dat was nu juist het achterwege laten van het handenschudden, zo futiel als dat mag lijken en zo allesbepalend als het blijkt te zijn. ‘Het is merkwaardig hoe verzoenend het geven van een hand kan zijn, tegen wil en dank zelfs’, laat Vásquez hem zeggen. ‘Alsof je een bom onschadelijk maakt.’
En dan volgt een weergaloze kleine fenomenologie van de gegeven hand, in welgeteld dertien regels, ook al is het allerbelangrijkste dan misschien al gezegd. Want wat Vásquez deze Enrique hier terloops laat vaststellen is het gewicht van het feit en het gebaar, dat in de werkelijkheid zoveel méér betekenis heeft dan het loutere idee of het woord. Niet de betuiging van de vreugde van het weerzien maakt indruk op de ziel, maar de lichamelijke bekrachtiging ervan door de fysieke handeling. Daarin wordt de realiteit ervan pas werkelijk getoond en zelfs geschapen. Wat het woord zegt is er pas met het gebaar, dat dit woord méér maakt dan een holle klank. Minder dan de bekrachtiging van een al bestaande vreugde is het de verwerkelijking ervan.
Dat gebeurt zelfs wanneer de geste aanvankelijk alleen maar formeel was, of zelfs halfhartig: ‘tegen wil en dank’. Want tegen de kracht van het gebaar dat als feit zo onverzettelijk is kan het aarzelende gemoed niet op. Het laat zich onwillekeurig meeslepen door wat vanaf nu onmiskenbaar gebeurd is en zich niet meer laat loochenen. Het feit moet alleen nog gevuld worden met betekenis – maar wie zal op dát moment van de aarzeling nog de kwaadwilligheid hebben te kiezen voor een betekenis die zélf kwaadwilligheid belichaamt. We geven ons gewonnen en laten ons meeslepen. Nu ja, de hand is gegeven, nu de ziel nog, we zullen zien…
Dát is het geheim van het ritueel en de psychologie daarvan is het eerst (en misschien nog altijd wel het scherpst) uitgedrukt in de katholieke sacramentenleer. Want een sacrament is niets anders dan een handeling die vanuit zichzelf (ex opere operato noemde de scholastieke theologie dat) een nieuwe werkelijkheid in het leven roept. Wat daarbij gedacht of bedoeld wordt, doet nauwelijks terzake. De realiteit is sterker dan het denken, en het gemoed is ten diepste een realist. Het gelooft instinctmatig eerder in wat het zíet dan in wat het te horen krijgt.
Zo diep en breed laat Vásquez het er bij Enrique niet op aankomen – maar wat hij zegt is in wezen hetzelfde: ‘Waar je ook gaat of staat pak je de vingers van de ander vast, want het is alsof je daarmee wil zeggen: ik wil u geen pijn doen. […] In het begin is er op zijn minst een intentieverklaring. Dat helpt.’