Handenwringend wanhopig

Iedere regisseur kent het moment dat hij van een voorstelling “afscheid” moet nemen. Het speelveld is uitgezet, de kaders aangegeven. De voorstelling is van de acteurs geworden. Komt de regisseur in deze fase na afloop met een notitieblokje in de kleedkamers, dan zal hij op zijn best beleefd worden aanhoord, maar de meeste acteurs zullen denken: weg jij, wij moeten het nu doen! Waneer het speelveld en de kaders van de regie helder zijn, kan dit proces van loslaten en afscheid nemen met wederzijds goedvinden gebeuren. Een voorstelling zal er zelden onder lijden. Maar als er in de “chemie” tussen regie en spelers iets niet helder is geweest, wanneer er ergens schroeven en moeren niet zijn vastgedraaid, dan kan de fase waarin de acteurs de voorstelling tot iets van henzelf maken, haar als het ware gaan annexeren, ook een gevaarlijk stadium zijn.

Dat schoot door mijn hoofd toen ik naar Ivanov, een vroeg stuk van Tsjechov keek (Toneelgroep Amsterdam, regie: Jurgen Gosch). Ik zag de voorstelling meteen na de premiere (vaak een rampavond), ik vond haar slordig, besloot terug te gaan. Die tweede keer kreeg ik dezelfde slordigheden te zien. De vertoning interesseerde me eigenlijk maar matig. Om mij heen walmde het van publieksenthousiasme. En ik dacht: wat is hier aan de hand?
Wat me in de voorstelling van Ivanov vooral tegenstaat, is de gewilde overdrijving, de overdaad. Dronken is hier ook meteen heel erg boekaniers- toeterbezopen. Melancholie is klef en natgehuild, wanhoop is handenwringerig en melodramatisch. Ik voelde me toegesproken als een debiel: snap je nog niet wat hier aan de hand is? Dan smeren we er nog een laag emotie overheen!
Die overdrijving en theatrale overkill vielen goed te bestuderen aan de hand van het spel van Joop Admiraal, hier een verlopen graaf met permanente geldzorgen en een hoop schuldgevoelens. Met die Sjabeljski is van alles aan de hand. Zijn grootste probleem is dat hij te veel tegelijk wil zijn. Daarover heeft Tsjechov een bekwaam en klinisch geschreven doktersrapport afgeleverd. Joop Admiraal maakt er een kermisattractie van - een nicht uit Wassenaar die almaar bang is dat iemand erachter komt. Overdreven, gemaniereerd, bekakt gespeeld - het personage wordt ons ongeveer per vierkante meter in het gezicht gemasseerd.
De Ivanov van Pierre Bokma is ook al zo'n druktemaker. Dat maait met de armen, dat schreeuwt en tiert! Ivanov van Tsjechov is een vastgeroest creatuur, als Oblomov bij Gontsjarov. Maar Ivanov lijkt verslaafd aan pepmiddelen om zijn mentale immobiliteit te verbergen. Dat levert in dit karakter op papier mooie tegenstellingen op. Ivanov handelt niet, hij helpt niemand, hij grijpt niet in. Daar heeft hij schuldgevoelens over. Want hij doet er mensen pijn mee. En eenmaal schuldig, belandt hij in drukdoenerij, soms in een staat van contemplatie, wat ook weer niks oplevert. Bij Pierre Bokma is van dit psychopathologisch labyrint weinig meer te zien. Zijn Ivanov is een soort ongeleid projectiel. Hij overschreeuwt zichzelf, hij mist doel.
En dan Ivanovs kwelgeest: de huisarts van zijn doodzieke vrouw, Ljvov. Iedereen noemt hem “integer”, en iedereen die dat woord uitspreekt, krijgt prompt braakneigingen. Iedereen ziet dat hij eigenlijk op Ivanovs stervende vrouw verliefd is. Ljvov is in Tsjechovs tekst zo correct en hij heeft ook zo gelijk - een mens zou het er benauwd van krijgen. Het lijkt me dan lekker als zo iemand een geheim met zich meetorst, waardoor je als toeschouwer denkt: met die correctheid is iets niet helemaal in orde. Hein van der Heijden speelt echter niet het geheim van de huisarts Ljvov, hij speelt de voorspelbaarheid van een EO-hypocriet. De confrontaties tussen Ivanov en Ljvov ontberen spanning. Je ziet alle zetten op het schaakbord van kilometers aankomen.
Het mooist zijn nog de vrouwen van Ivanov: de stervende echtgenote (Anna) en Ivanovs jonge vriendin (Sasja). Wat Marieke Heebink en Roos Ouwehand in de voorstelling doen, dat ontroert me. Waarom eigenlijk? Misschien wel omdat het zo raadselachtig is. In hun acteren spiegelen Heebink en Ouwehand elkaars fysieke uitstraling: allebei hebben ze die klauwende lijfelijke aanwezigheid. Ze maaien ook met hun armen, maar niet zo hol, niet zo leeg. Ze spelen op de tast, ze tasten naar hun identiteit. Twee mensen die het niet weten, die niets te verbergen hebben.
Slotvraag: wat is er eigenlijk met regisseur Jurgen Gosch gebeurd? Waar zijn die hoekige, ongemakkelijke voorstellingen (De mensenhater, Oidipous, Tristan en Isolde) gebleven? Mag toneel bij hem niet meer schuren en schrijnen? Moet het behagen? Is Ivanov Berenschot-toneel (de conventionele traditie revisited)? Ik ben er niet uit. Ik ben vooral in de war.