Het kleine Kriegstagebuch van Ingeborg Bachmann bevat wat zij, gestorven in 1973 na een brand in haar woning in Rome, noteerde kort voor en kort na het einde van de oorlog. Bachmann was toen achttien en woonde bij haar ouders in Vellach bij Klagenfurt. Terwijl de bommen vielen, las ze Rilke en Baudelaire en werd ze tegen haar zin opgeleid tot onderwijzeres aan een instelling waar nazi’s de dienst uitmaakten. Die wilden Klagenfurt ‘tot de laatste man verdedigen’. Studenten moesten tankgrachten graven. Bachmann ook, maar spoedig fietste ze weg. De 'opvoeders’, schreef ze, zijn moordenaars. 'Nee, met volwassenen kan men niet meer praten.’ Die volwassenen, ook haar eigen vader, waren lid van de nazi-partij. De eerste volwassene met wie ze na de bevrijding echt in gesprek raakte, was een jonge Britse militair die deel uitmaakte van de dienst denazificatie. Bachmann moest de vraag beantwoorden of ze lid was geweest van de Bund deutsche Mädel, een organisatie van de Hitlerjugend. En hoewel ze niets te verbergen had, had ze toch gebloosd van schaamte.
Die Britse militair was Jack Hamesh en het gesprek liet een blijvende indruk achter. Hij voelde kennelijk iets voor het blozende meisje, en ze vonden elkaar via de literatuur. Bachmann vertelde dat ze boeken van Thomas Mann had gelezen, en van Stefan Zweig, Schnitzler en Hofmannsthal. De Brit was al even belezen en hij verbaasde zich erover dat een Oostenrijks meisje deze door de nazi’s verboden boeken had gelezen. Hij vertelde haar dat hij in Wenen was geboren, zoon van joodse ouders. In 1938, toen Hitlers troepen onder gejuich van de bevolking Oostenrijk binnenmarcheerden en de Anschluss werd voltrokken, kon Hamesh Wenen ontvluchten. Zijn ouders waren al dood. In Engeland werd hij militair en hij keerde in 1945 met het Britse leger terug naar Oostenrijk.
'En opeens was alles anders’, schreef Bachmann in haar 'geliefd dagboek’. 'Voordat hij ging, kuste hij me de hand. Nog nooit heeft iemand me de hand gekust. Ik ben zo opgewonden en gelukkig, en toen hij weg was, ben ik in de appelboom geklommen, het was al donker, en ik heb gehuild en gedacht dat ik nooit meer die hand zou wassen.’ Zo begon een bijzondere vriendschap en liefde. Beiden waren op hun manier eenzaam. 'In deze eenzaamheid, geloof ik, hebben we elkaar gevonden’, schreef Hamesh haar later. Maar hun ideeën over de toekomst waren onverenigbaar. Bachmann wilde ongebonden zijn en studeren. Hamesh wilde meewerken aan de opbouw van een joodse staat en ging in 1946 via Napels naar Palestina.
Voor wie heeft deze vriendschap en liefde het meest betekend? Waarschijnlijk voor Hamesh, zoals valt op te maken uit de brieven die hij in 1946-1947 naar Ingeborg stuurde en die in het boekje zijn afgedrukt. Die brieven bevonden zich, net als het dagboekje, in de nalatenschap van Bachmann; haar brieven aan hem zijn verdwenen. Uit deze prachtige brieven blijkt hoezeer Hamesh haar heeft liefgehad. Hij kon haar niet vergeten en had zo gehoopt op een weerzien. Maar Bachmann had daarover bij hun afscheid niets gezegd. Zij had kennelijk al begrepen dat haar toekomst een andere zou zijn. In zijn laatste brief van 16 juli 1947 uit Tel Aviv schreef hij dat hij tevreden was, maar 'beslist niet gelukkig’. De gruweldaden van de nazi’s hadden Hamesh’ leven bepaald en hem het geloof aan de mensheid ontnomen. In zijn relatie met Ingeborg keerde dat geloof terug. 'Jij lieve Inge hebt mij echter in veel opzichten geholpen’, schrijft hij haar op 16 juni 1946. 'Want aan veel zaken geloofde ik niet meer. Maar door jou zag ik in dat je niet alles door dezelfde bril mag bekijken. Pas door jou zag ik dat het toch nog de moeite waard is aan mensen te geloven. Niet aan allen, aan weinig mensen, aan enkelingen, aan jou.’
Het Kriegstagebuch bevat een verhelderend nawoord van de Bachmann-kenner Hans Höller, die laat zien hoe gebeurtenissen uit 1945-1946 later ingang vonden in Bachmanns literatuur. Deze tijdsdocumenten doen denken aan een ander indrukwekkend relaas over een liefdesrelatie. Twee jaar geleden verscheen in Duitsland Herzzeit met daarin de brieven die Ingeborg Bachmann en de dichter Paul Celan elkaar schreven tussen 1948 en 1961. Van dit boek is een Nederlandse vertaling verschenen onder de titel Een dramatische liefde. Er bestaat een parallel tussen beide relaties. De joodse poëet Celan, vooral bekend door zijn gedicht Todesfuge, was slachtoffer van de holocaust. Zijn ouders werden vermoord in een Duits concentratiekamp; Celan overleefde een Roemeens kamp voor dwangarbeiders. Hij verliet in 1948 Roemenië en reisde via Wenen, waar hij Bachmann leerde kennen, naar Parijs. De gruwelijke dood van zijn ouders torste hij overal mee.
Bachmann gaf ook hem nieuwe levensmoed, moed om te schrijven, waarvan het ontroerende gedicht In Ägypten getuigt. Celan schreef het in 1948 in Wenen 'voor Ingeborg’, en bijna tien jaar later kwam hij erop terug. 'Denk aan In Ägypten. Steeds als ik het lees, zie ik je dit gedicht betreden: jij bent de bestaansgrond, ook daarom omdat jij de rechtvaardiging van mijn spreken bent en blijft.’

INGEBORG BACHMANN
KRIEGSTAGEBUCH: MIT BRIEFEN VON JACK HAMESH AN INGEBORG BACHMANN
Suhrkamp, 107 blz., € 15,80