VSB Poëzieprijs 2006

Handwerksman van het woord

Roland Jooris

Klei

Klauwen we

De lucht doet ons

klauwen

Gebaren drukken

ledematen uit, stoten zich

af, trekken zich ontwricht

terug, boetseren zich

tot klanken, ze roepen

zich hulpeloos op, ze

verkrampen

Kneden we

Klei doet ons

kneden. Noem het verminderen

tot men de schepping

in het nietige als herboren

voelt

uit: Als het dichtklapt

Als poëzie is: met zo weinig mogelijk woorden zo veel mogelijk zeggen, dan zou de vsb-poëzieprijs Roland Jooris (1936) moeten toekomen. Geen dichter schrijft in een meer gebalde, verdichte taal dan hij. «Een handwerksman van het woord», noemt hij zichzelf, die «telkens weghakt en afschaaft tot er een robuust klein sculptuur overblijft».

Roland Jooris woont in de prettige plattelandsomgeving van Kalken, nabij Gent. In de woonkamer, vroeger onderdeel van een schuur, vergast hij ons op cake die zijn vrouw de dag tevoren heeft gebakken, en het is nog vroeg in de middag wanneer de dichter voor ons beiden een glas witte wijn inschenkt. Zijn joie de vivre wordt misschien nog wel het best verbeeld door de prachtige, opgewekte schilderijen van Roger Raveel die in zijn woon- en werkkamer aan de muren hangen. Vanaf de oprichting in oktober 1999 was hij conservator van het Roger Raveel Museum, dat niet ver hiervandaan gevestigd is in Machelen-aan-de-Leie. Een jaar geleden nam hij «in alle vriendschap» ontslag bij het museum, om zich geheel aan de dichtkunst te kunnen wijden.

Jooris blijkt geen man van weinig woorden te zijn. Het is alsof de woorden die hij om poëticale redenen uit zijn bundel heeft geschrapt nu in de prachtigste volzinnen hun weg vinden naar het bandrecordertje. Sprekend over zijn laatste bundel Als het dichtklapt zegt hij: «Ik denk dat deze bundel in de eerste plaats gaat over de onmacht om met woorden de werkelijkheid te vatten. Tegelijk probeer ik de taal zo een grote densiteit te geven dat ze kan wedijveren met die werkelijkheid. Het is voor mij altijd een nieuw gevecht om dat in een gedicht te realiseren. Ik wil dat de dingen hard zijn, dat je je kunt kwetsen aan het gedicht, zoals je dat aan een stekelig voorwerp kunt doen. In die gebrekkigheid van de taal, gepaard met die gesculptureerde weerbaarheid, daarin zit voor mij een grote schoonheid. Ik heb dat vroeger ook eens genoemd: het onaffe affe. De gaafheid van het ongave.»

Poëzie

is wording die

blijft steken in de

rauwe, gebarsten

onhandige gaafheid

van het ongenoemde

(uit: Rauw)

Roland Jooris: «Ik voel mij eigenlijk een soort handwerksman van het woord. Mijn vader was een hoefsmid, en mijn moeder een hoedenmaakster. Die twee waren bezig dingen te maken die moesten passen op een vorm. Als je een hoefijzer maakt, moet dat hoefijzer passen op die paardenvoet. Als je een hoed maakt, dan wordt die over mallen getrokken. Dus zij streefden ergens naar een gaafheid in het maken van die dingen. Nu is het zo dat ik een beetje gefrustreerd ben dat mijn handen averechts staan. Maar ik probeer hetzelfde in de taal te doen door het gedicht zo vast, zo compact, zo gebald mogelijk te doen passen op het onderwerp waarover het gaat.

Terwijl ik vat probeer te krijgen op de dingen besef ik dat het wezenlijke geheim ervan je altijd ontsnapt. Daarom eindigt de bundel ook met de regels: ‹het ontglipt/ ons›. Het is inderdaad een bundel met gedichten die over die vorm van verliezen gaan. Maar ik probeer het geheim niet te ontsluieren, in tegendeel, ik wil dat geheim juist ingraven in mijn gedichten in het besef dat je het niet kunt ontraadselen, dat je uiteindelijk het wezen van de dingen nooit kunt bereiken. Het is een paradox: enerzijds streef ik naar die compactheid, naar die gebaldheid, anderzijds tracht ik voortdurend openingen te vinden in mijn gedichten, vandaar dat de gedichten vaak uitlopen in een klein woordje – ‹het ontglipt/ ons› is ook ergens het besef van het uitlopen van het gedicht in het blad of in de werkelijkheid.

Ik heb gemerkt dat ik een sterke voorkeur heb voor eenlettergrepige woorden, dat heeft ook met die gebaldheid te maken. Kleine woordjes geven mij altijd het gevoel dat ik ze kan vasthouden als een voorwerp of een ding. Ik merk ook dat het vaak woorden zijn met norse, nukkige, gedekte klinkers. Korte o’s en a’s: ik hou van het gerommel en gestommel van dergelijke klinkers.»

Kneden we

Klei doet ons

kneden. Noem het verminderen

tot men de schepping

in het nietige als herboren

voelt

(uit: Klei)

«Als men tot de kern komt, tot het zaad, dan kan dat zaad een bron zijn om opnieuw een plant te doen groeien. Ik ga dan te werk als een soort beeldhouwer van taal en ik zie mij dan bezig zoals een beeldhouwer al het overbodige weghaalt om tot het wezen van de dingen te komen, en dat wezen dat is dan een nieuw begin. Van daaruit kan er weer opgebouwd worden om dan weer weg te kappen en weer op te bouwen. Dat is weer vrij paradoxaal. Wegnemen is opnieuw terugbouwen.

Of ik door al dat weghalen ooit alleen nog maar leegte overhoud? Ik begeef mij wel altijd op de rand van de leegte. Avontuurlijke poëzie is poëzie die durft zich voortdurend op de rand van het woord en de taal te bewegen, met het gevaar dat men zich in de afgrond stort. En als ik het met zo weinig en met zo karige middelen probeer te doen of moet doen, dan is dat eigenlijk een groot avontuur.»

Kamermuziek was de titel van de voorlaatste tentoonstelling die Jooris maakte in het Roger Raveel Museum. Een tentoonstelling met tekeningen. Het is ook de titel van een cyclus in de bundel Als het dichtklapt. Het woord heeft een speciale betekenis voor hem.

«Ik heb vroeger wel gezegd dat poëzie voor mij de kamermuziek van de literatuur is en dat de tekening de kamermuziek van de beeldende kunst is. Gedichten schrijven is voor mij ook tekeningen maken met woorden. Ik schrijf overigens nog steeds met een potloodje en een gummetje. Zo heb ik het gevoel dat ik aan het tekenen ben. Dat is een soort van kamermuziek. Het heeft te maken met het gedicht dat zich als een anarchistisch klein en toch monumentaal ding gedraagt. De anarchie van het gedicht bestaat uit de geslotenheid, de stilte van dat voorwerp tegenover al dat lawaai en de luidruchtigheid van de wereld eromheen. Het beschermt zich op die manier eigenlijk. En dat zit ook in kamermuziek: het stille en het monumentale. Neem zo’n stoeltje van Rietveld dat hier in de woonkamer staat. Als er hier mensen binnenkomen die een zeer autoritaire mentaliteit hebben, dan maken zij zich boos over de kleinheid van dat stoeltje. Die kunnen er niet tegen dat het niet imponerend, niet imposant is. Dus misschien zou dat meubeltje van Rietveld wel eens anarchistischer kunnen zijn dan al dat luidruchtige geschreeuw en geroep waar die autoritaire mensen zichzelf in herkennen. Zo’n stoeltje blijft hun op de tenen trappen. Dat weigert iets te zijn. Dat bedoel ik dus met zo’n klein ding dat weigert te schreeuwen, dat weigert uit te dagen, en dat op zichzelf ook heel anarchistisch kan zijn. Het is klein, maar robuust. Zo zijn mijn gedichten eigenlijk ook.»