Essay pleidooi voor luiheid

Hangmatkapitalisme

Protesten tegen onze ambitieuze mierenmentaliteit falen keer op keer. Lekker luieren of pijproken is er niet meer bij. ‘Marcel Proust schreef zijn oeuvre in bed.’

HET WAS IN MIJN STUDENTENJAREN dat ik, na urenlang te hebben gekeken naar een cricketwedstrijd, tijdens het opwarmen van de avondmaaltijd toevallig een Tros-documentaire over het dagelijkse leven in een Spaans provinciestadje zag. De tv toonde vertrouwde beelden van vrouwen die op het balkon de was ophingen, kinderen die op straat voetbalden en mannen die op een pleintje naast de fontein rokend zaten te keuvelen. ‘U zult zich wel afvragen’, meldde de commentaarstem, ‘of die mannen niet moeten werken.’ Zo’n vraag, dacht ik, kan inderdaad alleen opkomen bij een kijker van de Televisie & Radio Omroep Stichting.
Het calvi-kapitalistische arbeidsethos was in die tijd nog een schim aan mijn horizon. Mijn werkzame leven was beperkt gebleven tot keukendiensten in een psychiatrische kliniek, waarmee ik genoeg verdiende om geen studieschuld op te bouwen en voldoende tijd overhield om me bezig te houden met zaken waarvan het maatschappelijk nut geen uitgemaakte zaak was, zoals uitslapen, het maken van collages en een studie voltooien. Deze existentieel-studentikoze visie op het bestaan heeft me tot nog toe, anderhalf decennium later, niet geheel losgelaten.
Rond dezelfde tijd waarin ik de documentaire zag, maakte ik kennis met de filosofische onderbouwing van luiheid. Al snel uitgekeken op zijn predicatenlogica besloot ik een tekst van Bertrand Russell te lezen die ik mogelijk wél zou begrijpen. Ten tijde van de depressie begin jaren dertig had de Engelse filosoof het essay In Praise of Idleness geschreven, waarin hij pleitte voor een twintigurige werkweek. Dit is menselijker en logischer dan een wereld waarin de ene helft van de bevolking na een lange werkdag overschakelt op licht amusement en de andere helft geen idee heeft hoe het baanvrije leven moet worden vormgegeven.
Het was geen toeval dat deze tekst geschreven is door de Derde Graaf Russell. In het Verenigd Koninkrijk bestaat iets als aristocratic idleness. Deze laatste term verdient nadere uitleg, te meer daar er geen goed Nederlands equivalent bestaat. Idleness klinkt als een gecultiveerde vorm van laziness, een woord waar een negatief moreel oordeel in verborgen zit. Iemand die idle is, beseft de zinloosheid van het bestaan en handelt ernaar. Zoals de term weergeeft komt idleness in de beste kringen voor. Het zijn vaak aristocraten die zich een idle bestaan kunnen veroorloven, wat vermakelijke biografische anekdotes op kan leveren, zoals over de pas overleden Vierde Graaf Kimberley, die viste op haaien, zich verdiepte in ufo’s, varkens fokte, deel uitmaakte van de Britse bobsleeploeg en jaarlijks uitblonk bij de vlooienspelkampioenschappen.
Het gaat hier echter om een bijvoeglijk naamwoord dat gaandeweg is gaan dienen als elegant protest tegen de ambitieuze mierenmentaliteit van de calvinisten die met veel devotie is omarmd door het kapitalisme, en zelfs het socialisme, zijnde het kapitalisme voor de minderbedeelden. In Europa en de Verenigde Staten kon het luiheidsvijandige kapitalisme opkomen, zo schreef Max Weber, door de protestantse ethiek waarmee het uitstel van directe behoeftebevrediging – dus ook de behoefte aan nietsdoen – werd geïntroduceerd. Veel kwaad was reeds geschied dankzij de Amerikaanse moralist Benjamin Franklin, de kampioen van het vroege opstaan die ooit, met een knipoog, voorstelde om ’s ochtends kanonnen af te schieten in de straten van Parijs. Zijn tijdgenoot John Wesley, grondlegger van het methodisme, schreef zelfs een boek met de angstaanjagende titel The Duty and Advantage of Early Rising.
Moeite met opstaan hadden niet alleen de Parijzenaars maar ook Ilja Iljitsj Oblomov. Het romanpersonage van Ivan Gontsjarov doet er 150 pagina’s over. Deze personificatie van de Russische luiwammes en held van het pre-industriële Rusland doet denken aan zijn neefjes in laat-Victoriaans en Edwardiaans Engeland. ‘Bills! Bills! Bills! Detestable sound! Obnoxious word! Why were such things ever invented? Why are they sent to destroy our peace of mind’, verzucht de oblomoviaanse schrijfster van Lazy Thoughts of a Lazy Girl (Sister of that ‘Idle’ Fellow). Die idle fellow zou Jerome K. Jerome kunnen zijn geweest. Diens verhalen handelen over vrienden – altijd mannen – die met de fiets of in de boot het land in trekken, waarbij de activiteiten zich beperken tot pijproken, luieren en het vertellen van verhalen.
Hoe artistiek en geestig idleness kan zijn bewezen de essayist E.V. Lucas en de illustrator George Morrow, die in 1911 een autobiografie schreven aan de hand van plaatjes uit een catalogus die ze nauwkeurig hadden uitgeknipt. Het uithangbord van deze historische rustpauze is het schilderij Idleness van John William Godward, waarop een dagdromende jongedame met een katje speelt. Deze golf van lethargie was een reactie op, en werd mede mogelijk gemaakt dankzij, de industriële revolutie en de mores van het Victoriaanse tijdperk. Het Edwardiaanse tijdperk kenmerkt zich door een verlangen naar het landelijke leven, waar het levensritme een stuk dichter bij dat van de natuur staat en waar men eerder de neiging heeft om zich aan het lot te onderwerpen.
In de jaren vijftig beleefde dit tijdperk een heropleving toen verveelde jongeren de edwardiaanse manier van kleden combineerden met haarstijlen uit de opkomende popmuziek, meer in het bijzonder Elvis Presley. Dichter bij het verleidelijke ideaal van een maatschappelijk luilekkerland en verheerlijking van de natuur dan deze ‘Teddy Boys’ stonden echter de hippies in de jaren zestig, veelal jongeren van goede komaf die de tabakspijp door de waterpijp hadden vervangen. Ze uitten hun teleurstelling over het feit dat de belligerente onderbreking van de moderne geschiedenis niet bleek te hebben gezorgd voor een andere maatschappij. Slapen speelde bij de protestbeweging een fundamentele rol, of het nu op de Dam was, in het Hilton of in Kralingen, waar de Nederlandse versie van Woodstock werd gehouden.
Luiheid, speelsheid en creativiteit vormde de contemporaine variant van vrijheid, gelijkheid en broederschap, maar net als de Franse Revolutie duurden de wittebroodsweken maar kort. De nieuwe maatschappelijke ordening bleek net zo teleurstellend te zijn als de oude. Sterker, in de decennia na de sixties is betaalde arbeid niet, zoals was gehoopt, op een spel van homo ludens gaan lijken, doch het spel op betaalde arbeid. Dat heeft te maken met ‘professionalisering’. Om onverklaarbare redenen heeft dit tragikomische fenomeen een positieve bijklank, zeker in Nederland waar de cult of the amateur, zo belangrijk in de Edwardiaanse tijd, onbekend is.
Niets is meer veilig voor het streven naar efficiëntie, regulering en stroomlijning, naar de maakbaarheid van het leven. Voetbal bijvoorbeeld. Wat ooit een eenvoudig balspel was, is tegenwoordig een vreugdeloze onderneming met winstoogmerk. Tijdens het wereldkampioenschap van 1982, toen voetballers met afgezakte sokken en shirtjes over het korte broekje liepen, werd een symboolfunctie bekleed door de Braziliaanse middenvelder Socrates, de dokter die zowel spelinzicht als een fluwelen traptechniek had. In de rust stak hij tevreden een sigaret op. Bij de statistieken die tegenwoordig op wetenschappelijke wijze aangeven hoeveel kilometer een voetballer tijdens een wedstrijd heeft afgelegd, zou Socrates net voor de doelverdediger zijn geëindigd.
Roken is een ondeugende verzetsdaad tegen het moderne arbeidsethos. Hoewel sommige stratenmakers, letterknechten en glazenwassers erin slagen te hameren, te tikken of te poetsen met een in de mondhoek bungelende Marlboro, gaan roken en werken moeilijk samen, helemaal sinds het rookverbod op de werkplek. Roken is een universele uiting van non-activiteit, een moment van ontspanning, gezelligheid en (zelf-)reflectie. Dat laatste geldt vooral voor het roken van een pijp, in de woorden van Isaac Hawkins Browne, een ‘little tube of mighty pow’r/ charmer of an idle hour’. Deze ogenschijnlijke nutteloosheid leidt tot frustratie bij de puriteinen, voor wie het rookverbod meer een zaak van sociale discipline dan volksgezondheid is. Met zijn fanatisme toonde Ab Klink een nazaat te zijn van koning James I, die waarschuwde dat lethargische rokers hun plicht jegens koning en Gemenebest verzaakten.
Waar de flegmatieke roker de vijand is van de hedendaagse politicus, daar is de marathonrenner zijn held. Moderne wereldleiders als Clinton, Blair, Cameron, Sarkozy en Poetin staan daarom graag trimmend op de foto. Het straalt wilskracht en gezondheid uit, een overmoedige drang om het menselijke lot te verbeteren, meestal met averechts effect. Tegenwoordig moeten Engelse volksvertegenwoordigers een minimum aantal debatten en vergaderingen bijwonen, terwijl ze hun activiteiten in een soort logboek dienen bij te houden. Urenlang backgammon in de smoking room hoort daar niet meer bij. De controleposten bij het parlement zullen weldra worden uitgerust met een prikklok. Vandaag de dag kan een politicus niet meer beweren, zoals Ronald Reagan eens deed, dat hij vanwege het aanstaande middagdutje geen kopje koffie wil. Het begrotingstekort was inmiddels groot genoeg om voor zichzelf te zorgen.
Moderne gezagsdragers proberen het juiste voorbeeld te geven. Overheden maken zich van oudsher zorgen over ledigheid, dat duivels zou zijn en in ieder geval slecht voor de economische groei. Regelmatig staan er berichten in de krant over hoeveel geld rookpauzes, ziekmeldingen en files de samenleving kosten. Groot is de paniek wanneer de natuur het forensenverkeer lamlegt, terwijl dat mensen de kans biedt om langer in bed te blijven, een boek te lezen of met de kat te spelen. Wee de politicus die beweert dat de economische crisis het voordeel heeft dat mensen meer thuis zijn en aandacht schenken aan eenvoudige geneugten. Mensen met een bohémiene levensbenadering fabriceren te weinig en zullen minder snel overbodige dingen aanschaffen om de buren af te troeven. Ze kunnen niet goed in de gaten worden gehouden en vallen buiten de statistieken.
Quasi-actief gedrag, waarbij kwantiteit zwaarder weegt dan kwaliteit, roept waardering op. Onbetaald overwerken is, net als de duur van de kater, een statussymbool geworden binnen de Angelsaksische werkcultuur, die zich kenmerkt door het ironische gegeven dat elektronische hulpmiddelen niet voor minder maar meer werk hebben gezorgd. Werknemers maken lange uren – onderbroken door ‘dining al desko’ – en veel van die tijd gaat op aan het vernieuwen van de Facebook-status. Of het boeken van vakanties bij EasyJet, dat speedy boarding heeft ingevoerd, voor gejaagde mensen. Het idee dat een rij, die zich dikwijls vormt in troosteloze omstandigheden, gelegenheid biedt tot reflectie en nadere kennismaking met de medemens, een thema in Vladimir Sorokins roman De wachtrij, is bepaald a-modieus. Een van de weinige voordelen van het reëel bestaande socialisme was de ruimte voor idleness. In een lezing beweerde de Joegoslavische kunstenaar Mladen Stilinovic dat Oostblok-kunstenaars zich konden veroorloven om lui te zijn omdat ze wisten dat hun daden vergeefs waren. Een stille getuige was recentelijk te zien bij een expositie van Oost-Europese kunst in Parijs: een portret van een slapende schilder met als titel The Artist at Work.
Binnen de laatkapitalistische maatschappij hebben de idlers het moeilijker. Zelden verschijnen er verhalen over de onverwachte voordelen van indolent gedrag, over hoe ‘luie’ mensen vanuit bed, of een hangmat, grootse dingen kunnen bereiken. Op een ochtend ontving Oblomov zes bezoekers, wat eigenlijk opvallend productief is. Marcel Proust schreef zijn oeuvre in bed, terwijl Sherlock Holmes de oplossing van een moordzaak soms zittend op bed ontrafelde. In Engeland geeft de neo-edwardiaanse vrijbuiter Tom Hodgkinson The Idler uit, het onregelmatig verschijnende periodiek waar Jerome K. Jerome eind negentiende eeuw de hoofdredacteur van was. Hodgkinson stelt dat luiheid niet inhoudt dat je niets doet, maar dingen doet die niet worden erkend binnen de visie van het gezag. Hoopgevend in dit opzicht is het pamflet The Seven-Day Weekend waarin de Braziliaanse ondernemer Ricardo Semler het concept van productieve luiheid voor kantoorarbeiders verklaart. Als de Socrates van het bedrijfsleven pleit hij voor idleness. Semler zegt de beste ideeën te hebben gekregen op zinledige momenten. Binnen zijn onderneming, Serco, mag het personeel zelf het salaris bepalen en werken in hangmatten, indachtig het streven om de scheiding tussen plezier en werk te doorbreken. Misschien moet de Grootste Familie van Nederland er eens een cameraploeg naartoe sturen.