Groen

Hangop

Vorige week at ik in Otterlo hangop met aardbeien. Die aardbeien hadden van mij niet gehoeven, maar ik wilde graag weer eens hangop eten, dus vooruit maar. Daarvoor at ik een gegrilde varkenskotelet, met patat en broccoli. Erbij dronk ik een halve fles rode huiswijn, de andere helft werd door mijn eetmaat genuttigd. We waren in Otterlo omdat daar het Kröller-Müller Museum gevestigd is, een museum met een collectie die mij altijd naar adem doet happen, vooral omdat ik om de een of andere reden altijd een wedstrijd tegen de klok doe daar, en een kwartier voor sluitingstijd pas zie wie daar allemaal wel niet hangen, en me dan voorneem er de volgende keer om tien uur ’s ochtends te zijn, wat er nooit van komt.
Het is augustus – zoals niemand kan ontgaan – en in augustus komen de wespen. Eén wesp had erg veel zin in hangop. Zo veel zin dat hij erin vast kwam te zitten. Tot op dat moment was ik met de wesp omgegaan zoals een vriendin mij geleerd heeft: Zen. Waarmee ze bedoelt te zeggen: net doen of je hem niet ziet, negeren dat dier, dan zal hij jou net zo behandelen en dus niet steken. Maar daar lag hij ineens in mijn hangop. Ik duwde hem met mijn dessertlepel eerst helemaal onder. Hij kwam weer boven. Ik drukte hem nogmaals onder, iets harder nu. Wéér kwam hij boven, totaal versuft en halfdood. Ik schepte hem uit mijn bord en maakte het werk af. Daar lag hij, helemaal plat, in een plasje hangop met aardbeiensap.
Daarna had ik geen trek meer, kon ik alleen nog maar wijn drinken en bij de koffie, die erna kwam, een flink glas calvados. De vriendelijke oberjongen had de wesp inmiddels verwijderd met een servet (‘Goed werk’, zei hij tegen me), maar ik moest een tweede calvados drinken. ‘Die jongen vindt jou wel leuk’, zei mijn eetmaat. Ja, dacht ik, dat zal best, maar ik heb eigenlijk behoefte aan een derde calvados. Wat had ik graag die hangop zonder doel gegeten, dan was ik nu geen moordenaar geweest.