In De omwenteling of de eeuw van de vrouw beschrijft Suzanna Jansen aan de hand van het leven van haar moeder, Betsy Jansen-Dingemans, de hoogtijdagen van het huisvrouwenbestaan. Betsy werd geboren in 1922, het jaar dat vrouwen in Nederland voor het eerst naar de stembus gingen, ze trouwde in 1948, en werd vanzelfsprekend ontslagen: de gehuwde vrouw mocht niet werken. Wat volgde was de zorg voor man en vijf kinderen, maandag wasdag, alle dagen poets- en kookdag – tot ze in 1963 uitgeput werd opgenomen in een rusthuis voor huisvrouwen van de Katholieke Arbeidersbond.

Al in de jaren vijftig schreef De Telegraaf over ‘de managers-ziekte in de keuken’; uit Amerika kwam het begrip ‘huisvrouwenvermoeidheid’ overwaaien. Pas twintig jaar later gaf Hannes Meinkema, voortgestuwd door de tweede feministische golf, stem aan deze vorm van depressiviteit waardoor huisvrouwen werden getroffen. Flatneurose heette het toen ook wel, want de raadselachtige vermoeidheid en somberheid kwam niet alleen door de zwaarte van het werk waar de vrouwen onder gebukt gingen, maar ook door het gekmakende isolement waar ze in verkeerden.

Betsy begint zich in de jaren zeventig te emanciperen: ze sluit zich aan bij een praatgroep voor vrouwen in de overgang, werkt in de schoolbibliotheek en gaat weer naar school, niet de moedermavo maar het vwo. Voor haar lijst leest ze vrouwenboeken, van Andreas Burnier, en vooral Hannes Meinkema: En dan is er koffie en De groene weduwe en andere grijze verhalen. Voor veel vrouwen waren niet Wolkers, Reve en Cremer de schrijvers van de bevrijding, maar was Meinkema dat. Haar roman En dan is er koffie uit 1976, waarin ze de botsing beschreef tussen de nieuwe, vrijgevochten generatie en hun kleinburgerlijke familie, werd een cultboek. De Telegraaf noemde het zelfs de alternatieve familieroman waar we sinds De avonden op wachtten. Al vonden veel mensen het ook een ‘vies’ boek, omdat er veel seks in voorkwam, en zelfs een abortus. Volgens Meinkema viel de vrouw van Maarten ’t Hart flauw toen ze daarover las.

Hannes Meinkema werd in de oorlog als Johanna Maria Jelles (Hannemieke) Stamperius geboren in Tiel. Haar moeder was niet gehuwd, omdat ze was ondergedoken vanwege verzetswerk – ze bracht joodse kinderen naar onderduikadressen. Na de oorlog trouwde ze met een arts en Meinkema nam de naam van haar stiefvader, Nelemans, aan. Ze studeerde in Utrecht Nederlands en literatuurwetenschap en promoveerde daar ook op de poëzie van Marsman. De dood van haar moeder, met wie ze een complexe relatie had, en het feminisme veranderden haar leven. Ze schudde de naam Nelemans af, scheidde van haar man en ging haar wetenschappelijke werk onder haar eigen naam Stamperius publiceren.

Meinkema wist in haar werk een revolutionaire tijdgeest te vangen

En publiceren deed ze volop. Als Hannes Meinkema schreef ze ruim twintig romans en verhalenbundels; als Hannemieke Stamperius was ze een pleitbezorger van de vrouwelijke stem in de literatuur en stelde ze talloze bloemlezingen met het werk van veelal onderbelichte schrijfsters samen; en onder het pseudoniem Justa Abbing publiceerde ze ook nog vier thrillers. Met onder meer Ethel Portnoy en Liesbeth Brandt-Corstius richtte ze in 1978 het feministische tijdschrift Chrysallis op, dat een podium bood aan vrouwen, al mochten ook mannen werk inzenden – en dat hoefde ‘heus niet Beter te zijn of zelfs niet bewijsbaar Even goed als wat vrouwen maken’, voegde de redactie daar ironisch aan toe.

Of het nu lag aan het succes van En dan is er koffie, waarna Meinkema van de pen kon leven, of aan de bloei van het feminisme: Hannes Meinkema werd een geliefd haatobject. Zoals ze in De Groene zei: ‘De woede die men had over het feminisme werd geprojecteerd op ieder die de nek boven het maaiveld uitstak. (…) Wat de literatuur betreft was ik het. Jarenlang kreeg ik elke week haatpost en stonden er scheldstukken in de krant.’ De kritieken op bijvoorbeeld haar roman Het binnenste ei (1978) logen er inderdaad niet om. ‘Het oninteressantste boek van het jaar’, kopte de Haagse Post. De recensie van Aad Nuis opende met: ‘Sommige romans zijn zo uit het leven gegrepen dat ik ze er het liefst meteen weer in terug zou gooien, als ondermaatse visjes.’

In Chrysallis publiceerde ze een essay over seksistische literatuurkritiek, waarin ze de receptie van haar eigen werk behandelde. Met citaten als: ‘De vrouwen die de schrijfster in haar verhalen neerzet zijn zo onappetijtelijk en dom dat ze er haast om lijken te vragen lelijk behandeld te worden.’ En: ‘Veel mannen, ik ook, kunnen op veel punten sympathiseren met het feminisme, maar het feminisme doet haar uiterste best om mij ook als onderdrukker enz. te zien. (…) Jammer, wanneer feministen zoals Meinkema, bij mij wat minder agressief en eigenwijs zouden overkomen, zou ik mij bij het lezen van boeken met feministische strekking minder aangevallen voelen.’ Het is van een vrouwvijandige grofheid die je tegenwoordig alleen nog op Twitter tegenkomt.

Hannes Meinkema wist in haar werk een revolutionaire tijdgeest te vangen, of het nu was in haar beschrijvingen van ‘groene weduwes’, de huisvrouwen die in hun doorzonwoningen verkommerden, of in de nietsontziende manier waarop ze over pijnlijke moeder-dochterrelaties schreef. Ze adopteerde een Braziliaans meisje toen het in Nederland nog niet mogelijk was om als alleenstaande vrouw een kind te adopteren. Ze voerde een proefproces om de adoptie legaal te maken en schreef het boek Moeders kindje. Strijdbaar was ze. En een inspiratiebron voor veel vrouwen, zoals Betsy.