18 januari 1926 – 1 augustus 2018

Hannie van Leeuwen

De macht was er volgens haar om te dienen, niet om te heersen. Dat maakte haar – typisch een oud-ARP’er – onverzettelijk tegenover politici die democratische principes aan het machtsstreven prijsgaven. Ook partijgenoten spaarde ze dan niet.

Stroopsmeren, daar deed Hannie van Leeuwen niet aan. De laatste keer dat ik haar sprak – na een cda-congres enkele jaren geleden, zij met een kelkje jonge jenever in de hand – stelde ze als vanouds kritischer vragen aan de verslaggever dan de verslaggever aan haar. Maar wat ze ook nooit vergat te zeggen was dat ik me vooral moest blijven vastbijten in die partij van haar, ook al kon dat soms pijn doen. Dat is misschien een raar verhaal voor politici die er, met hulp van de spindoctor, alles aan doen bij de pers in het gevlij te komen, maar voor Van Leeuwen was dit soort strenge afstandelijkheid vanzelfsprekend.

In de zeventig jaar dat ze politiek actief was – ze werd direct na de oorlog lid van de politieke jongerenorganisatie Arjos en legde in 2011 haar laatste partijfunctie neer – nam Van Leeuwen die houding zelf aan tegenover degenen die zij als politica moest controleren. Zij was een van die cda’ers van wie de ‘bloedgroep’ nog herkenbaar was. Van Leeuwen was helemaal arp (Anti-Revolutionaire Partij). ‘Antirevolutionairen discussiëren altijd op het scherp van de snede’, zei Van Leeuwen zelf in NRC Handelsblad over het politieke milieu waarin zij is gevormd. ‘Het is een hard volk. Niet zeuren als je elkaar een kras op de ziel bezorgt. Ik heb me altijd thuis gevoeld in dat principiële klimaat.’

In 1878 opgericht om te strijden voor meer rechten en een positieverbetering van de gereformeerde ‘kleine luyden’ was de arp een typische emancipatiepartij: strijdbaar, activistisch. In de politieke strijd gaven ze niet gauw op. Van Leeuwen deed dat ook niet in oktober 2010, op het congres dat moest besluiten of de partij in zee zou gaan met Geert Wilders en z’n pvv. Beperkte Ernst Hirsch Ballin zich tot een indringende oproep: ‘Doe dit de partij niet aan, doe dit het land niet aan’, daar maakte Van Leeuwen in militante woorden cda-leider Maxime Verhagen duidelijk dat hij niet van haar af was. ‘Mensen, ik stem vandaag tegen, maar loop niet weg, en ik hoop geen van u allen. Ik blijf vechten, want samen zijn we verantwoordelijk voor het cda.’

Haar weerzin tegen de pvv was groot. De volgzaamheid aan de autoritaire leider, het verbale geweld, de pogingen moslims hun rechten af te nemen, het gebrek aan ernst in het parlementaire werk: Wilders’ partij vloekte in alles met wat voor haar de kernwaarde van een parlementaire democratie was. Zelf verwoordde ze die ooit als: ‘Macht is om te dienen, niet om te heersen.’ Dát stond haar zo tegen in de manoeuvres van Verhagen en de zijnen: de opzichtige poging om het cda aan de macht te houden, zelfs als ze het daarvoor op een akkoordje moesten gooien met rechts-extremisten.

‘Ik geloof dat je met een duidelijke bestemming op aarde bent gezet’

Behalve dankzij haar geloof heeft haar persoonlijkheid vorm gekregen door haar ervaringen in het verzet tegen de brute machtsuitoefening door de nazi’s. In de oorlog was zij op haar fiets koerierster voor een militaire spionagegroep. ‘Ik geloof dat je met een duidelijke bestemming op aarde bent gezet: aan jezelf en anderen tonen dat je God wilt dienen’, zei ze in Trouw. ‘Niet door bijbelteksten aan elkaar voor te dragen, maar door te laten zien wat de bijbel in het dagelijks leven betekent.’ Ze herkende die religieus geladen drijfveer het best in deze woorden van theoloog Karl Barth: ‘Mens zijn is met God zijn en met de ander zijn.’

Haar wil de ander te dienen bracht haar al snel na de oorlog in het maatschappelijk werk. ‘Ik haalde vrouwen uit de prostitutie, sleepte kleuters tussen volwassen mensen vandaan. Achtervolgde in een wagen kerels die hun echtgenote met gigantische schulden hadden laten zitten – net zo lang tot ik zo’n vent te grazen kon nemen.’ (NRC).

In de Tweede Kamer (1966-1978) bezorgde haar wil om ‘met de ander te zijn’ haar al gauw de portefeuilles sociale politiek en gezondheidszorg. Haar meesterstuk volbracht ze in de Eerste Kamer (1995-2007) in haar krachtmeting met minister Hans Hoogervorst (vvd) rond de herziening van het zorgstelsel. Alles wat Van Leeuwen tot een uitzonderlijke politica maakte kwam in deze kwestie naar voren: haar beginselvastheid, haar tactisch inzicht, haar uithoudingsvermogen, haar consciëntieuze ernst als wetgever.

Ze ergerde zich in het debat aan het gestoei met termen als ‘eigen verantwoordelijkheid’ en ‘solidariteit’. Het is asociaal, vond zij, om mensen die niet voldoende voor zichzelf kunnen opkomen toch voor zichzelf verantwoordelijk te maken. Die verantwoordelijkheid schuift dan naar de overheid, waarvan ‘publieke gerechtigheid’ de hoofdtaak is. Dat was een van de christen-democratische beginselen waarop ze zich baseerde. Het andere was ‘solidariteit’: mensen met een laag inkomen moesten verzekerd zijn van dezelfde kwaliteit zorg en een even vrije keuze van artsen als anderen. Zij spitte elk artikel in Hoogervorsts wetsvoorstellen systematisch door, op zoek naar ‘losse eindjes’, en met een beetje geven en veel nemen haalde ze uiteindelijk het resultaat binnen waarop haar fractie ‘ja’ kon zeggen.

Het grootste compliment kreeg zij aan het einde van haar loopbaan misschien wel van Willem Aantjes. De oud-arp-leider zei dat bij politici in de loop van de tijd het idealisme afneemt en de ambitie toe. ‘Bij Hannie zie je een omgekeerde ontwikkeling. Hoe langer ze politiek actief was, hoe meer haar idealen de ambitie hebben teruggedrongen.’