Hanns martin schleyer

HET COMMUNIQUE werd in de namiddag van 19 oktober 1977 bezorgd ter redactie van het Franse dagblad Libération en deelde mee dat er een einde was gemaakt aan het ‘beklagenswaardige en corrupte bestaan’ van Hanns Martin Schleyer, de ontvoerde voorzitter van het werkgeversverbond, die de laatste 43 dagen van zijn leven in een ‘volksgevangenis’ opgesloten was geweest. Helmut Schmidt, aldus hetzelfde communiqué, kon hem zonodig ophalen in de rue Charles Péguy in Mullhouse, waar een groene Audi met een Duits nummerbord stond geparkeerd.

De toenmalige Bondskanselier delegeerde deze taak aan de politie, die het lijk van het slachtoffer in de kofferbak aantrof. De dode droeg dezelfde kleren als op de dag, zes weken eerder, waarop hij door zijn beulen van de weg was geplukt. In zijn mond vonden de doktoren enige grasresten, wat erop wees dat Schleyer ergens in de vrije natuur om het leven was gebracht. Blijkbaar was hij voorovergetuimeld nadat hem die drie dodelijke kogels door zijn kapitalistische kop waren gejaagd.
Het was het sluitstuk van een paar werkelijk krankzinnig dagen, waarin louter doden vielen. Alles was erop gericht om de harde kern van de Baader-Meinhofgroep, gedetineerd in Stuttgart, de gevangenis uit te chanteren. En alles mislukte. De Duitse regering weigerde Schleyer als ruilobject in te zetten. De vier Palestijnse terroristen die een vliegtuig van de Lufthansa hadden gekaapt en die eveneens ten behoeve van de gedetineerde ‘kameraden’ het 'imperialistische, fascistische Westduitse regime’ onder druk probeerden te zetten, stierven allen op het vliegveld van Mogadishu onder het geweervuur van een anti-terreurcommando. Het nieuws bereikte, via de radio, vlak na middernacht ook het cellenblok te Stuttgart. Toen beseften Andreas Baader, Jan-Carl Raspe en Gudrun Ennslin dat zij waarschijnlijk nooit meer op vrije voeten zouden komen en trokken hieruit de consequenties.
Het gevangenispersoneel vond hun lijken de volgende ochtend. Baader en Raspe hadden zich door het hoofd geschoten, Ennslin had zich opgehangen. Ulrike Meinhof, ooit het intellectuele geweten van vooruitstrevend Duitsland, later op een onbegrijpelijke wijze geavanceerd tot de oermoeder van het Westduitse terrorisme, had zich reeds een jaar daarvoor in dezelfde gevangenis om het leven gebracht.
Zij belichaamde de eerste generatie desperado’s van de zogenaamde Rote Armee Fraktion. Schleyers moordenaars waren typische representanten van de tweede generatie. Er is geen kwantitatief verschil tussen moord en moord. Niettemin bestaat er een nuanceverschil tussen beide lichtingen. De tweede generatie was even genadeloos als hersenloos, terwijl de eerste generatie nog over zoiets als een ideologie beschikte. Die was politiek en intellectueel ook niet om naar huis te schrijven, maar Ulrike Meinhof en de haren waren in elk geval nog van het soort dat boeken las. Veel Sartre, moet worden geconstateerd. En Brecht, met name zijn 'leerstuk’ Die Massnahme, een document uit des schrijvers meest stalinistische periode.
NIETTEMIN, HUN sentimenten waren enigszins navoelbaar. Zij waren kinderen van de oorlog, getraumatiseerd door de Duitse verantwoordelijkheid voor het grootste drama uit de contemporaine geschiedenis, getraumatiseerd door de gedachte dat er een noodlottige continuïteit zou bestaan tussen het Derde Rijk en de naoorlogse Bondsrepubliek. In zekere zin hadden zij niet helemaal ongelijk. De crisisstaf rond Helmut Schmidt bestond geheel uit ex-Wehrmachtofficieren, terwijl het object van hun overleg, de ontvoerde Hanns Martin Schleyer…
Die had een curriculum vitae om je vingers bij af te likken: Lid van de NSDAP, leider van de nationaal-socialistische corpora aan de universiteiten van Heidelberg en Innsbruck, SS-Untersturmführer en industrieel plunderaar van het bezette Bohemen en Moravië. In 1942 prees de jonge manager zichzelf aan in een brief aan Wilhelm Frick, minister van Binnenlandse Zaken in de regering-Hitler: 'Ik ben een oudgediend nationaal-socialist en SS-leider en ik mag van mijzelf zeggen, dat ik… Heil Hitler!’ Was getekend dr. Hanns Martin Schleyer, die een carrièrefase verder zowel voorzitter van de werkgeversorganisatie als van het millionenschwere Daimler-Benz-concern zou worden.
De Rote Armee Fraktion had zich ogenschijnlijk geen betere kandidaat als ruilobject kunnen wensen: een ex-nazi, een ultrarechtse ondernemer met sociale opvattingen waar de honden geen brood van lustten. Niet alleen vond Schleyer dat stakingen moesten worden verboden, bovendien was hij van mening dat het wettig gezag het recht had om diezelfde stakers dood te schieten.
Daar zat hij plotseling in zijn 'volksgevangenis’, gefotografeerd met een polaroidcamera, met de doodsangst in zijn ogen en een kartonnen bord ('Gefangener der RAF’) om zijn hals. Het is blijkbaar nooit tot de stadsguerrillero’s doorgedrongen dat dit, propagandistisch gezien, niet de manier was om de sympathie van de volksmassa’s te winnen. Wat Schleyer nooit was gelukt, lukte zijn ontvoerders: hij kreeg plotseling menselijk trekken.
Wolf Biermann, toch geen vriend van het Westduitse grootkapitaal, vertelde wat door hem heenging, toen hij die foto onder ogen kreeg: 'Ik zag geschokt hoe de man, met zijn symboolbeladen kapitalistenhoofd, was veranderd in een lijdend, medelijden opwekkend individu, een man voor wie men niets dan sympathie kan voelen. Het was een foto waarop slechts één onderschrift van toepassing was: Ecce homo - ziet, een mens! En omdat ik in politieke categorieën denk, was ik extra getroffen door het feit dat het de vertwijfelde helden van de Rote Armee Fraktion was gelukt om van dit prototype van een kapitalistische uitbuiter, met een speknek, met mensuren op zijn volgevreten gezicht en met dichtgegroeide vetogen, te transformeren tot iemand die meer leek op de lijdende Jezus Christus dan op de wisselaars die deze ooit de tempel heeft uitgeranseld.’
HIJ WAS VAN begin af aan kansloos, ironischerwijze door het feit dat de 'crisisstaf’ die over zijn lot besliste in de oorlog - in zijn oorlog - in rechtlijnig militair denken was getraind en dus niet van plan was ooit voor de eisen van de terroristen te buigen. Het belang van de staat woog zwaarder dan het leven van een individuele staatsburger, zelfs als het een vooraanstaande ingezetene als Hanns Martin Schleyer betrof.
Er is in die tijd door menigeen schande over gesproken. Heeft de staat immers niet de plicht optimaal zijn individuele burgers te beschermen? De Duitse televisie heeft recentelijk een film (Todesspiel) uitgezonden, een 'docudrama’ met authentieke getuigenverklaringen, onder andere van Helmut Schmidt. Ook hij wordt andermaal met zijn dilemma’s geconfronteerd. Het is een onvergetelijk moment. Lang blijft het stil. 'Hanns Martin Schleyer stond zijn zielepijn op het gelaat gegraveerd. Dat wekte ons hartverscheurende medelijden en bovenal onze verbittering dat wij blijkbaar niet in staat waren hem de helpende hand te bieden.’ Zei Schmidt, even spijkerhard als Schleyer, met authentieke tranen in de ogen, en men begrijpt, twintig jaar na dato, dat zijn toenmalige critici gemakkelijk praten hadden.
ZO VERDRONKEN beide generaties RAF-terroristen in een vloed van bloed en tranen. De ene generatie was dood, de andere generatie ging voor het leven de cel in, terugziend op een volkomen ideologisch failliet. Wat hadden zij bereikt? Niet de massale steun van de arbeidsklasse, die zonodig met stenguns en handgranaten tegen hun uitbuiters moest worden gemobiliseerd. In tegendeel, het aantal aanhangers van de doodstraf steeg tot zeventig procent en toen werd medegedeeld dat Baader c.s. collectief op het Waldfriedhof in Stuttgart zouden worden begraven, werd hiertegen door een aantal burgers geprotesteerd. Terroristen, vonden zij, hadden geen recht op een laatste rustplaats, de lijken konden beter op de lokale vuilnisbelt worden geworpen.
Zij hadden niets bereikt en zij hadden, in al die pamfletten en op vele voetnoten voorthinkende brochures niets bedacht dat ook maar enigszins de moeite van het overdenken waard was. Die arme Schleyer werd, in al zijn ellende, ook nog aan een martelend verhoor over aard en wezen van het kapitalisme onderworpen. Een van de ontvoerders, die de taak had het gesprek te protocolleren, zei later: 'De ondervragers waren zo hemeltergend plat en dom, dat ik maar één ding kon denken: Mijn God, ik hoop dat die geluidsbanden zo snel mogelijk worden vernietigd.’
Het is nu twee decennia geleden, zodat ook de tweede generatie RAF-terroristen bijna middelbaar is geworden. Omdat hun 'volksoorlog’ is uitgestreden en er nauwelijks van een derde generatie sprake is, mogen Schleyers ontvoerders af en toe hun zegje doen, tegen een journalist van Der Spiegel of een journalist van Die Zeit. En altijd is de centrale vraag die naar het spanningsveld tussen doel en middelen, en bij de ziel van Hanns Martin Schleyer, zij blijven altijd het antwoord schuldig.